7. Waartoe onze twaalf geslachten, door voortdurend nacht en dag God te dienen, hopen te komen; om deze hoop, die het beloofde heil van de Messias tot haar voorwerp heeft en waarvan ik erken, dat zij in Jezus van Nazareth vervuld is, word ik, o koning Agrippa, door de Joden beschuldigd. Dit en niets anders is het eigenlijke punt van de tegen mij gerichte aanklachten.
Deze rede bevat het laatste openbare getuigenis dat de apostel nog op Palestijnse bodem heeft afgelegd en onderscheidt zich van het begin tot het einde door een bijzondere opgewektheid, door een moed die zich van de overwinning verzekerd houdt. Hoewel naar de vorm een verantwoording, is zij toch agressief in de edelste zin van het woord, terwijl de voordracht in hoofdstuk 22:3vv. eigenlijk defensief is gehouden. Niet voor het opgewonden Joodse volk, maar voor de hoogstgeplaatste personen van het land wordt toch deze rede gehouden. Daarom legt Paulus het er niet op aan zijn persoonlijke onschuld te bewijzen, maar legt er zich op toe zijn zending en werkzaamheid als apostel te rechtvaardigen en daarmee tevens het christendom zelf te verdedigen.
Agrippa zag in Paulus iemand voor zich die de gehele menigte van de Joden uit de wereld wilde wegdoen, zo had Festus hem eerder gezegd (Hoofdstuk 25:24). Nu begint de apostel zijn verantwoording met de woorden dat Agrippa van de Joden zelf kon vernemen hoe hij, die tot de dood gehate mens, als jongeling een gevierd ijveraar voor de wet, een sieraad was geweest van de partij van de Farizeeën, als zij het slechts wilden getuigen. Zij wilden het echter niet, omdat zij wel begrepen dat de bekering van hun Farizeeër Paulus tot Jezus van Nazareth, een gericht over hun eigen ongeloof was. Het middelpunt van zijn verdere verantwoording maakt dan de stelling uit dat de bekering tot Jezus geen afval is van de God van Israël, maar integendeel de weg tot verkrijging van de hoop van het volk van de twaalf stammen. Nadat ik, zo zegt hij verder, op de rechte weg heb gevonden wat ik als Farizeeër op de verkeerde weg gezocht heb, sta ik hier aangeklaagd van misdaad tegen God en Gods volk! De hoop op de belofte, de vaderen gegeven, is in het hart van alle kinderen van Israël en men kan hun het getuigenis niet onthouden van een vlijtige en onafgebroken godsdienst in deze hoop; maar tevergeefs dienen zij God; de hartader van hun hoop is door de boosheid van het harten verkeerd. Met de Nazareners willen zij niet dezelfde hoop delen, een koning als Jezus willen zij niet eren. Agrippa moest iets voelen van die sterke tegenspraak. Joden beschuldigen een mens om de hoop, die van de ijverige godsdienst van alle Joden het hoofdpunt is.
De gehele inrichting van rijk en kerk bij de Joden beweegt zich om de hoop dat de Messias zal komen om Zijn rijk onder Israël op te richten (hoofdstuk 1:6); daarom heeft ook en met recht, Israël zijn eigenaardigheid tot op de indeling in twaalf stammen, waarvan ieder met betrekking tot die hoop van de aartsvader Jakob reeds zijn bijzondere zegen ontvangen heeft (Genesis 49:18), niet opgegeven en thans doet Israël alsof het dat alles had vergeten.