Handelingen 23:12-35
Wij hebben hier het verhaal van een complot, gesmeed tegen het leven van Paulus, hoe het beraamd werd, hoe het werd ontdekt, en hoe het werd verijdeld.
I. Hoe dit complot werd beraamd. Zij bemerkten, dat zij door een volksoploop niets konden gedaan krijgen, evenmin als door een proces daarom nemen zij dan nu de toevlucht tot de barbaarse methode van moord. Zij willen hem plotseling overvallen en hem met dolksteken ombrengen, zo zij hem slechts binnen hun bereik kunnen krijgen. Zo rusteloos is hun kwaadwilligheid tegen dezen goeden mens, dat wanneer het ene plan faalt, zij dadelijk met een ander gereed zijn. Merk hier nu op:
1. Wie het waren, die dit complot hebben beraamd, het waren sommigen van de Joden, die ten uiterste tegen hem vertoornd waren, omdat hij de apostel der Heidenen was, vers 12.
En zij waren meer dan veertig, die dezen eed te zamen gedaan hadden, vers 13. O Heere! hoe zijn mijne tegenpartijen vermenigvuldigd!
2. Wanneer de samenspanning gevormd werd: als het dag geworden was. Satan had hun hart vervuld in den nacht om het complot te beramen, en, zodra het dag was, kwamen zij bij elkaar om er uitvoering aan te geven, beantwoordende aan hetgeen de profeet zegt van sommigen, die ongerechtigheid bedenken en kwaad werken op hun legers, in het licht van den morgenstond doen zij het, Micha 2:1. In den nacht verscheen Christus aan Paulus om hem te beschermen, en toen het dag was, verschenen er veertig mannen om hem te verderven. Zo vroeg waren zij niet op, of Christus was hen voor. God zal haar helpen in het aanbreken van den morgenstond. Psalm 46:6. 3. Waarin het complot bestond. Deze mannen verbonden zich te zamen in een verbond, dat zij misschien wel een heilig verbond hebben genoemd, om elkaar bij te staan, en dat ieder hunner alles doen zou wat in zijne macht was om de anderen te helpen en bij te staan om Paulus te vermoorden. Het was vreemd, dat zo groot een getal zo spoedig bij elkaar was gebracht, en dat nog wel in Jeruzalem, uit wie alle besef van menselijkheid en eer zozeer geweken was, dat zij zich tot zulk een bloedig voornemen verbonden. Wel mocht de klacht des profeten betreffende Jeruzalem herhaald worden: Hoe is de getrouwe stad tot ene hoer geworden! Zij was vol recht, gerechtigheid herbergde daarin, maar nu doodslagers, Jesaja 1:21. Welk een monsterachtig denkbeeld moeten deze mannen zich van Paulus gevormd hebben, eer zij zich in staat gevoelden om zo monsterachtig een plan tegen hem te beramen. Men moet hen hebben doen geloven dat hij de slechtste der mensen was, een vijand van God en Godsdienst, de vloek en de gesel van zijn geslacht, terwijl zijn wezenlijk karakter juist het tegenovergestelde was van dat alles. Maar welke wetten van waarheid en gerechtigheid zijn zo heilig en zo sterk dat boosaardigheid en blinde, hartstochtelijke ijver er niet door heen zullen breken! 4. Hoe vast hun verbond was, naar zij dachten. Opdat niemand hunner bij nader bedenken, of door afschuw bevangen voor zo snood ene daad, terug zou gaan, hebben zij zich vervloekt, zich verbonden onder een anathema, de ergste verwensingen over zich zelven inroepende, over hun ziel, hun lichaam, hun gezin, indien zij Paulus niet doodden, en dat wel zo spoedig, dat zij niets wilden nuttigen, niet wilden eten of drinken totdat zij het gedaan zouden hebben. Welk ene samenknoping van boosheid hebben wij hier! Het plan te beramen om een onschuldig man, een goed man, een nuttig man, een man, die hun geen kwaad gedaan had, maar hun gaarne zoveel hij kon goed wilde doen, te vermoorden, dat was den weg van Kaïn ingaan, en toonde dat zij van hun vader, den duivel waren die een mensenmoorder was van den beginne. Maar, alsof dit nog ene kleine zaak was:
a. Hebben zij er zich toe verbonden. Tot kwaad doen te neigen, en zich voor te nemen het te doen, is slecht, maar er zich toe te verbinden om het te doen is nog veel slechter. Dat is een verbond aan te gaan met den duivel, het is trouw te zweren aan den vorst der duisternis, het is gene plaats te laten voor berouw, ja het is als een tarten van het berouw.
b. Zij verbonden er elkaar toe, en deden alles wat zij konden, niet slechts om de verdoemenis hunner eigene ziel te verzekeren, maar ook die van hen, die zij met zich in het complot trokken.
c. Zij toonden ene grote minachting van de voorzienigheid Gods daar zij zich verbonden zo iets te doen en binnen zo korten tijd, dat zij, zonder enig voorbehoud met betrekking tot de beschikking en de leiding van Gods voorzienigheid konden blijven vasten. Als wij zeggen: Morgen zullen wij dit of dat doen, al is het ook nog zo goed of geoorloofd, moeten wij toch, in zo ver wij niet weten wat morgen geschieden zal, er bijvoegen: Zo de Heere wil. Maar hoe kunnen zij dit voorbehoud omtrent de toelating van Gods voorzienigheid er voor stellen, als zij weten, dat hetgeen zij voornemens zijn te doen lijnrecht in strijd was met het verbod van Gods woord?
d. Zij toonden ook ene grote minachting van hun eigene ziel en hun lichaam: van hun eigene ziel door er een vloek over in te roepen zo zij niet voortgingen in hun verschrikkelijk opzet. Voor welk een ontzettend dilemma hebben zij zich gesteld! God zal hen voorzeker tegenkomen met Zijn vloek indien zij er mede voortgaan, en zij wensen dat Hij het doen zal, dat is: hen tegenkomen zal met Zijn vloek, indien zij het niet doen! Ook voor hun lichaam toonden zij minachting, (want moedwillige zondaars verderven beiden,) door zich te verbinden om zich de noodzakelijke steunsels des levens te onthouden tot zij iets gedaan zouden hebben, dat zij nooit wettig konden doen, en misschien ook bij gene mogelijkheid konden doen. Zulke taal der hel wordt gesproken door hen, die wensen, dat God hen zal verdoemen, en de duivel hen halen zal, indien zij dit of dat niet doen.
Dewijl zij den vloek hebben liefgehad, dat die hun overkome. Sommigen denken, dat de betekenis van dezen vloek was, dat zij Paulus wilden doden als een Achan, iets dat vervloekt is, een beroerder van het leger, of, zo zij het niet deden, dan zouden zij zich in zijne plaats als een vloek voor God stellen.
e. Zij toonden ene vurige begeerte om tot die zaak te geraken, een heftig ongeduld totdat zij volbracht zou zijn, niet alleen gelijk David's vijanden, die tegen hem raasden, en tegen hem zwoeren, Psalm 102:9 1), maar gelijk de dienstknechten van Job tegen zijn vijand: Och of wij van zijn vlees hadden, wij zouden niet verzadigd worden, Job 31:31. Van vervolgers wordt gezegd, dat zij Gods volk opeten, alsof zij brood aten, Psalm 14:4. Het is hun even zeer een voldoening als spijze voor een hongerige. 5. Welke methode zij volgden voor de uitvoering. Het is niet mogelijk om tot Paulus te genaken in de legerplaats, dáár is hij onder de bijzondere bescherming der regering, en hij is er gevangen gezet, niet zoals anderen, opdat hij geen kwaad zou doen, maar opdat aan hem geen kwaad gedaan zal worden. Daarom hebben zij het nu zo overlegd: de overpriesters en ouderlingen moeten van den gouverneur der vesting verlangen om Paulus tot hen in de raadzaal te laten komen, om nog een nader verhoor te ondergaan. Zij hebben hem nog enige vragen te doen, of nog iets tot hem te zeggen, dan zullen zij op zijn gang van den burcht naar de raadzaal een einde maken aan al het getwist over Paulus door hem te doden, zo was nu het plan beraamd, vers 14, 15. Den gehelen dag doorgebracht hebbende met elkaar tot die goddeloosheid aan te sporen en te verbinden, komen zij tegen den avond bij de voornaamste leden van het groot sanhedrin, en, hoewel zij hun voornaamste bedoeling hadden kunnen verzwijgen, en hen onder een ander voorwendsel hadden kunnen bewegen om Paulus te ontbieden, zijn zij zo zeker van hun goedkeuring van dit schelmstuk, dat zij zich niet schamen en ook niet vrezen hun mede te delen dat zij zich met vervloeking vervloekt hebben niets te zullen nuttigen totdat zij Paulus zullen gedood hebben. Zij twijfelen niet of de overpriesters zullen hen niet alleen steunen, maar hun ook de behulpzame hand bieden, dat zij hun werktuigen zullen zijn om de gelegenheid te verkrijgen om Paulus te doden, ja, en zelfs ten hunnen behoeve te liegen door bij den overste voor te geven, dat zij nader kennis wilden nemen van de zaken van Paulus, terwijl zij daar niets van meenden. Welk een laag, slecht denkbeeld koesterden zij van hun priesters, als zij zich met zulk ene boodschap tot hen durven wenden! En toch! hoe snood ook het voorstel was, dat zij hun deden, hebben de priesters en de ouderlingen (voor zoveel blijkt) er toch in toegestemd, en hebben zij op het eerste woord zonder de minste aarzeling beloofd hun hierin genoegen te geven. In plaats van hen te bestraffen, gelijk zij hadden behoren te doen, wegens hun goddeloos complot, hebben zij hen er in versterkt, omdat het gericht was tegen Paulus, dien zij haatten, en aldus hebben zij zich tot medeplichtigen gemaakt in de misdaad, even goed, alsof zij van den beginne af in de samenspanning waren geweest.
II. Hoe het complot ontdekt werd. Wij bevinden niet, dat de samenzweerders behalve hun eed van trouw ook een eed van geheimhouding hebben afgelegd, hetzij omdat zij dachten, dat het niet nodig was, (ieder hunner zou wel het stilzwijgen hieromtrent bewaren) of omdat zij dachten hun plan wel te kunnen vol- voeren, al zou het ook uitlekken. Maar Gods voorzienigheid heeft het zo beschikt, dat het aan het licht kwam, en daarom voor goed werd verijdeld. Zie hier:
1. Hoe het aan Paulus werd ontdekt, vers 16. Er was een jongeling, die aan Paulus verwant was, hij was de zoon zijner zuster, wiens moeder waarschijnlijk te Jeruzalem woonde. Op de ene of andere wijze-hoe wordt ons niet gezegd-had hij van deze lage gehoord, hetzij, dat hij het bij toeval gehoord had, toen zij er met elkaar over spraken, of er bericht van had ontvangen van sommigen, die in het complot waren, en hij ging, waarschijnlijk zoals hij gewoon was, in de legerplaats tot zijn oom om hem te brengen wat hij nodig had, hetgeen hem vrijen toegang tot hem verschafte, en hij boodschapte Paulus wat hij gehoord had. God heeft velerlei wegen en middelen om in het licht te brengen hetgeen in de duisternis verborgen is, en hoewel de werkers er van zich diep versteken willen voor den Heere, hun raad verbergende, kan Hij toch maken, dat het gevogelte des hemels de stem zou wegvoeren, en het gevleugelde het woord zou te kennen geven, Prediker 10:20, of dat de tong der samenzweerders zelven hen zou verraden.
2. Hoe het door den jongeling, die het aan Paulus had te kennen gegeven, aan den overste ontdekt werd. Dit deel van de geschiedenis wordt zeer omstandig verhaald, misschien wel omdat de schrijver ooggetuige was van de beleidvolle behandeling dezer zaak, en er zich de bijzonderheden van met genoegen herinnerd heeft. Door zijne verstandige, kalme en vreedzame houding had Paulus invloed verkregen op de officieren. Hij kon een der oversten over honderd tot zich roepen, hoewel zulk een hoofdman over honderd een man was van gezag, die krijgsknechten onder zich had, gewoon was te roepen, maar niet om geroepen te worden, en hij was bereid om op Zijn roepen te komen, vers 17. Paulus verzocht hem dezen jongeling tot den overste te brengen, daar hij hem iets had mede te delen, waarbij de eer der regering betrokken was. De overste heeft hem zijn verzoek gaarne toegestaan, vers 18. Hij heeft geen gewoon soldaat met hem gezonden, maar ging zelf mede om hem te bemoedigen, zijne boodschap den overste aan te bevelen en zijne achting voor Paulus aan den dag te leggen. "Paulus, de gevangene, (dat was zijn titel nu) heeft mij tot zich geroepen, en begeerd, dat ik dezen jongeling tot u zou brengen, wat zijne aangelegenheid is weet ik niet, maar hij heeft u wat te zeggen." Men bewijst ware barmhartigheid aan arme gevangenen door voor hen te handelen, zowel als door aan hen te geven. "Ik was ziek en in de gevangenis en gij hebt ene boodschap voor mij gedaan," zal even goed in rekening worden gebracht als: "Ik was ziek en in de gevangenis en gij zijt tot mij gekomen, om mij te bezoeken, of hebt mij ene gave gezonden." Zij, die bekendheid en invloed hebben, moeten bereid zijn ze te gebruiken ten dienste van hen, die zich in gevaar of benauwdheid bevinden. Deze overste over honderd heeft door die daad van beleefdheid mede geholpen om aan Paulus het leven te redden, hetgeen ons moet aansporen om, als de gelegenheid er toe zich voordoet, evenzo te handelen. Open uwen mond voor den stomme, Spreuken 31:8. Zij, die aan Gods gevangenen gene goede gave kunnen geven, kunnen toch wel eens een goed woord voor hen spreken. De overste ontving het bericht met grote minzaamheid en welwillendheid, vers 19. Hij nam den jongeling bij de hand, zoals een vriend, of een vader, om hem te bemoedigen, opdat hij niet van zijn stuk zou raken, maar zich verzekerd zou gevoelen van een gunstig gehoor te erlangen. Dat deze bijzonderheid zo opgemerkt wordt, behoort voorname mannen aan te moedigen om ook voor de geringsten genaakbaar te willen wezen voor elke boodschap, die hun de gelegenheid geeft om goed te doen, zich te voegen tot de nederigen. Deze gemeenzaamheid, waartoe deze Romeinse tribuun of kolonel, den neef van Paulus heeft toegelaten, wordt hier ter zijner ere vermeld. Laat niemand denken dat hij zich door zijne nederigheid of barmhartigheid zal verkleinen. Hij nam hem ter zijde, opdat niemand anders kennis zou krijgen van de zaak, en vroeg hem: " Wat is het, dat gij mij hebt te boodschappen? Zeg mij, waarin ik Paulus van dienst kan zijn." De overste heeft waarschijnlijk te meer vriendelijkheid willen betonen, omdat hij zich bewust was zich blootgesteld te hebben aan gevangenschap met verbeurdverklaring van goederen door dat hij Paulus, tegen diens privilege als Romeins burger, gebonden had, waarvoor hij hem nu gaarne vergoeding wil doen. De jongeling heeft den overste snel en naar behoren zijne boodschap gedaan, vers 20, 21. "De Joden", (hij zegt niet wie, ten einde zich niet ongunstig uit te laten over de overpriesters en de ouderlingen, daar het hem te doen was om zijns ooms leven te redden niet om zijne vijanden te beschuldigen), "zijn overeengekomen om van u te begeren, dat gij Paulus morgen in den raad zoudt afbrengen, in de veronderstelling, dat gij hem zonder wacht zoudt zenden, omdat de weg slechts kort is, dien hij gaan moet, maar geloof hen niet, wij hebben reden te denken, dat gij hen niet zult geloven of ter wille zijn, als gij de waarheid weet, want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem lagen, zij hebben gezworen hem te doden, en zijn nu gereed, verwachtende de toezegging van u, maar gelukkig ben ik hen voor geweest." De overste zond den jongeling heen met een bevel van geheimhouding: zeg niemand voort, dat gij mij zulks geopenbaard hebt, vers 22. Op het gunstbetoon van aanzienlijken moet niet altijd geroemd of van gesproken worden, en zij, die niet kunnen zwijgen, zijn niet geschikt om in zaken gebruikt te worden. Indien het bekend werd, dat aan den overste dit bericht gebracht was, zouden zij misschien een ander plan beramen om Paulus te doden, en daarom "houd het voor u, zwijg er over."
III. Hoe het complot verijdeld werd. Daar de overste zag, hoe ingeworteld en onverzoenlijk de kwaadwilligheid der Joden was tegen Paulus, hoe rusteloos en onstuimig zij waren in het beramen van plannen om hem kwaad te doen, en hoe licht hij er medeplichtig aan zou kunnen worden als beambte, besloot hij hem zo spoedig mogelijk buiten hun bereik te brengen. Hij ontving het bericht met afgrijzen en verontwaardiging over de laagheid en bloeddorstigheid van deze Joden, en hij schijnt te vrezen, dat zij, indien hij Paulus in den burcht hield, al was het ook onder nog zo sterk ene wacht, toch nog middelen zouden vinden om hun voornemen te volvoeren, hetzij door de wacht om te brengen, of den burcht in brand te steken, en, wat er ook van moge komen, hij zal, zo het mogelijk is, Paulus beschermen, omdat hij achtte, dat deze zulk ene behandeling niet verdiende. Hoe treurig is het te zien, dat de Joodse overpriesters, toen zij van dit moordkomplot kennis kregen, het gesteund, er aan meegeholpen zouden hebben, terwijl een Romeins overste, als hij er kennis van krijgt, zuiver en alleen uit een natuurlijk besef van rechtvaardigheid en menselijkheid, zich er toe begeeft om het te verijdelen en zich daarvoor veel zorg en moeite getroost!
1. Hij geeft bevel, dat een aanmerkelijk detachement van de Romeinse krijgsmacht onder zijn bevel zich gereed moet maken om met allen mogelijken spoed naar Cesarea te gaan, en Paulus derwaarts te brengen, tot Felix den stadhouder, waar hij eerder kon verwachten, dat hem recht gedaan zou worden, dan te Jeruzalem door het groot sanhedrin. Het komt mij voor, dat de overste, zonder enigerlei plichtsverzaking Paulus wel in vrijheid had kunnen stellen, hem verlof gevende om nu zelf verder voor zijne veiligheid te zorgen, want hij was hem niet wettelijk als een misdadiger overgeleverd om door hem in bewaring te worden gehouden. Hij zelf erkent bevonden te hebben, dat er gene beschuldiging tegen hem was, die den dood of banden waardig is, vers 29, en hij had dezelfde zorge moeten hebben voor zijne vrijheid, als die hij voor zijn leven heeft gehad, maar hij vreesde, dat dit de Joden al te zeer tegen hem zou vertoornen. Of misschien was hij, bevindende, dat Paulus een zeer buitengewoon man was, er fier op hem als gevangene en onder zijne bescherming te hebben, en de grote praal, waarmee hij hem wegzond, geeft dit ook wel te kennen. Twee hoofdmannen over honderd moesten hierbij dienst doen, vers 23, 24. Zij moesten twee honderd krijsknechten, waarschijnlijk van hun eigene compagnie, gereed maken om naar Cesarea te gaan, daarbij nog zeventig ruiters, en twee honderd schutters, die, naar sommigen denken, tot de lijfwacht van den overste behoorden. Of deze schutters ruiters of voetknechten waren, is niet zeker, zeer waarschijnlijk waren het voetknechten, als piekeniers ter bescherming van de ruiterij. Zie hoe rechtvaardiglijk God de Joden onder het Romeinse juk heeft gebracht, als zulk een troep van Romeinse soldaten nodig was om hun te beletten ene afgrijselijke misdaad te volvoeren! Al die macht, ja zelfs een gedeelte van die macht, was niet nodig, om te beletten, dat Paulus door zijne vrienden bevrijd zou worden. Een tienmaal sterkere macht zou niet hebben kunnen beletten, dat hij door een engel verlost zou worden, indien het Gode had behaagd hem op die wijze uitredding te schenken, zo als Hij soms gedaan heeft, maar:
a. De overste bedoelde hiermede de Joden ten toon te stellen al een hardnekkig, woelziek volk, dat niet door gewone middelen, door de gewone dienaren van het gerecht, binnen de palen van plicht en betamelijkheid gehouden kon worden, maar in ontzag moest gehouden worden door zulk een vertoon van macht, en vernomen hebbende hoe velen er in de samenspanning tegen Paulus waren, dacht hij, dat ene kleinere macht onvoldoende zou zijn gebleken om hun snood opzet te verijdelen.
b. God bedoelde hiermede Paulus te bemoedigen, want onder zulk een geleide bleef hij niet slechts veilig in de handen zijner vrienden, maar uit de handen zijner vijanden. Maar Paulus heeft, evenmin als Ezra, zulk ene wacht begeerd, Ezra 8:22, en om dezelfde reden, nl. wijl hij betrouwde op de algenoegzaamheid Gods, die wacht was dus uitsluitend aan de zorg des oversten te danken. Maar aldus is hij ook bekend geworden als een man van gewicht, en zijn zijne banden in Christus openbaar geworden in het ganse land, Filippenzen 1:13, zodat ook het merendeel der broederen in den Heere door zijne banden vertrouwen gekregen hebben, toen zij hem bewaakt zagen eerder als een liefhebber van zijn vaderland, dan als ene pest van zijn land, en dat zo groot een prediker zo groot en voornaam een gevangene was geworden. Toen zijne vijanden hem haatten, en zijne vrienden, vrees ik, hem veronachtzaamden, heeft de Romeinse tribuun hem ondersteund en gezorgd: Ten eerste. Voor zijn gerief. Laat ze zadelbeesten bestellen, opdat zij Paulus daarop zetten. Als zijne Joodse vervolgers zijne overbrenging naar Cesarea hadden bevolen, dan zouden zij hem te voet hebben laten gaan, of hem op ene kar derwaarts heengevoerd hebben, of op ene slede, of hem achter op het paard van een der ruiters gezet hebben, maar de overste behandelt hem als heer, hoewel hij zijn gevangene is, en beveelt, dat hem een goed paard gegeven worde om op te rijden, gans niet bevreesd, dat hij er mede weg rijden zou. Ja de order luidt, dat zij niet een zadelbeest, maar zadelbeesten zullen bestellen, om er Paulus op te zetten, en zo moeten wij onderstellen, of dat hem zoveel statigheid was toegestaan, om ook een of meer pakpaarden te hebben, of nog eerder, dat hij, zo het ene hem niet beviel, een ander kon nemen, of (naar de gissing van sommige uitleggers) dat hem zadelbeesten toegewezen waren voor zich en zijne vrienden en metgezellen, zo velen als er met hem zouden willen gaan om hem gezelschap te houden op reis en hem van dienst te zijn. Ten tweede. Voor zijne veiligheid, er worden hun door hun opperbevelhebber strenge orders gegeven om hem behouden over te brengen tot den stadhouder Felix, aan wie hij wordt overgegeven, en die voor alle burgerlijke zaken onder de Joden het oppergezag had, zoals deze overste het had voor de krijgszaken. De Romeinse geschiedschrijvers spreken veel van dezen Felix als een man van lage afkomst, die zich door zijne listen en kunstgrepen tot stadhouder van Judea had weten te verheffen, in de uitoefening van welk ambt Tacitus van hem zegt: Per omnem sævitium ac libidinem jus regium servili ingenio exercuit. Hij gebruikte koninklijke macht met een slaafsen geest, en in verband met al de verscheidenheden van wreedheid en wellust, Tacitus, Hist. 5. Aan het oordeel van zulk een man wordt de arme Paulus nu overgeleverd, en toch was dit nog beter dan in de handen te zijn van Ananias, den hogepriester! Een gevangene nu aldus naar de wet overgeleverd zijnde, behoort evengoed beschermd te worden als een vorst. Ter meerdere veiligheid van Paulus geeft de overste bevel, dat hij tegen de derde ure des nachts weggeleid zal worden, hetgeen, naar sommigen denken, drie uur na zonsondergang was, opdat zij, daar het nu omstreeks het Pinksterfeest was (dat is: in het midden van den zomer) in de koelte van den nacht konden reizen. Anderen verstaan het van drie uur na middernacht, in de derde nachtwake, omstreeks drie uur in den morgen, opdat zij den dag voor zich zouden hebben, en buiten Jeruzalem zouden zijn voor dat Paulus' vijanden op de been waren, en alzo ook iedere volksoploop zouden vermijden. Zij, nl. Paulus' vijanden, konden dan brullen, als zij opstonden, zoals een leeuw, die gene prooi heeft, of dien men zijne prooi ontroofd heeft.
2. Hij schrijft een brief aan Felix, den stadhouder dezer provincie, waarin hij zich ontlast van alle verdere zorg voor Paulus en de gehele zaak nu aan Felix in handen geeft. Deze brief is hier totidem verbis - verbatim opgenomen, vers 25. Waarschijnlijk heeft Lukas, de geschiedschrijver, er een afschrift van gehad, daar hij Paulus op die reize vergezeld heeft. In dezen brief nu kunnen wij opmerken:
A. De complimenteuze begroeting van den stadhouder, vers 26. Hij is de machtigste stadhouder Felix, die titel wordt hem natuurlijk en van rechtswege gegeven, hij is "Zijne Excellentie", enz. Hij zendt hem groetenis, wenst hem heil en voorspoed.
B. De rechtvaardige en onpartijdige voorstelling, die hij hem geeft van de zaak van Paulus. a. Dat hij iemand was, tegen wie de Joden een wrok hadden. Zij hebben hem gegrepen, en zouden hem gedood hebben, en Felix kende het temperament der Joden misschien zo goed, dat hij hem, Paulus, dus daar niet minder om zou achten, vers 27.
b. Dat hij hem beschermd had, omdat hij een Romein was. "Toen zij op het punt waren van hem te doden, ben ik daarover gekomen met het krijgsvolk, een aanmerkelijk getal soldaten, en heb hem hun ontnomen", welke daad ten behoeve van een Romeins burger, hem bij den Romeinsen stadhouder kon aanbevelen.
c. Dat hij niet achter het eigenlijke van de zaak is kunnen komen, noch wat het was, dat hem bij de Joden zo gehaat maakte, en zo onderhevig deed zijn aan hun kwaadwilligheid. Hij heeft de juiste methode gevolgd om het te weten te komen, hij bracht hem af in hun raad, vers 28, om daar ondervraagd te worden, hopende, dat hij, hetzij uit hun aanklacht tegen hem, of uit zijne bekentenis, iets zou vernemen omtrent de oorzaak van al dat rumoer, maar hij bevond hem beschuldigd te worden over vragen hunner wet, vers 29, over de hoop en de opstanding der doden, vers 6. Deze overste was een man van verstand en van eer, en er waren goede beginselen in hem ten opzichte van recht en van menselijkheid, en toch! zie met hoe veel geringachting hij spreekt van ene andere wereld, en van de grote dingen dien wereld, alsof datgene nog ene vraag, nog twijfelachtig was, dat van ontwijfelbare zekerheid is, en waarin beide partijen, behalve de Sadduceeën, overeen kwamen, en alsof datgene slechts ene vraag was van hun wet, hetwelk voor geheel het mensdom van het uiterste gewicht is. Maar misschien bedoelt hij meer de vraag over hun ceremoniële kerkgebruiken dan over hun leerstellingen, en hun twist met hem betrof, naar hij bemerkte, het meer of minder verplichtende van hun ceremoniële wet, die hij beschouwde als iets, waarvan het der moeite niet waardig is te spreken. De Romeinen stonden aan de volken, die zij ten onder hadden gebracht, de vrije uitoefening van hun Godsdienst toe, en nooit hebben zij hun den hun willen opdringen. Maar als bewaarders van den openbaren vrede, wilden zij hun niet toelaten, om onder schijn van hun Godsdienst te handhaven, hun naasten te mishandelen.
d. Dat hij dus in zoverre begreep, dat er gene beschuldiging tegen hem was, die den dood of banden waardig is, en nog veel minder, dat er zo iets tegen hem bewezen was. Door hun slechtheid hadden de Joden zich hatelijk gemaakt bij de wereld, zij hadden hun eigene eer bezwalkt, hun eigene kroon ontheiligd, smaadheid en schande gebracht over hun kerk, hun wet, en hun heilige plaats, en nu schreeuwen zij tegen Paulus, alsof hij hun eer had verminderd, was dit dan ene misdaad des doods of der banden waardig? Hij verwijst de zaak van Paulus naar Felix, vers 30. "Als mij te kennen gegeven was, dat van de Joden ene lage tegen dezen man gelegd zou worden, om hem, zonder vorm van proces, te doden, zo heb ik hem terstond aan u gezonden, die de meest bevoegde persoon zijt om een onderzoek naar de zaak in te stellen en er een oordeel over uit te spreken, en laten zijne beschuldigers hem nu, zo hun dit gelieft, volgen, en voor u zeggen hetgeen zij tegen hem hebben, want, als krijgsman opgeleid zijnde, maak ik er gene aanspraak op ook rechter te zijn. Vaarwel."
3. Dienovereenkomstig wordt Paulus naar Cesarea gebracht. De soldaten kregen hem in den nacht veilig buiten Jeruzalem, en lieten de samenzweerders tijd om te bedenken, of zij al of niet zouden eten en drinken voor zij Paulus hadden omgebracht, en of zij geen berouw moesten hebben over de goddeloosheid van hun' eed ten opzichte van Paulus, en over het roekeloze er van ten opzichte van hen zelven. Indien sommigen van hen, uit aanmerking van hun eed zich lieten doodhongeren, of uit toorn wegens hun teleurstelling, dan vielen zij onbeklaagd. Paulus werd naar Antipatris gevoerd, dat op zeventien mijlen afstands van Jeruzalem' en ongeveer halverwege Cesarea was gelegen, vers 31. Van dáár keerden de twee honderd voetknechten en de twee honderd schutters terug naar Jeruzalem en hun kwartieren in den burcht, want nu zij Paulus buiten gevaar hadden gebracht, was zo sterk ene wacht niet meer nodig, maar de ruiters konden dienen om hem naar Cesarea te brengen, en dit met meer spoed doen. Dit deden zij, niet slechts om zich zelven, maar ook om aan den beschermeling huns meesters moeite te besparen, en dit is een voorbeeld voor dienstboden, om niet slechts met gehoorzaamheid de bevelen hunner meesters uit te voeren, maar ook met verstandig beleid, zoals het het meest in het belang hunner meesters is.
4. Hij werd overgegeven in de handen van Felix, als zijn gevangene, vers 33. De officieren gaven den brief, en met den brief ook Paulus aan Felix over, en hebben zich alzo van hun' last gekweten. Paulus had nooit naar omgang gestreefd met de groten der aarde, maar wel met de discipelen, overal waar hij kwam. Maar door Gods voorzienigheid wordt zijn lijden zo bestuurd, dat hij er de gelegenheid door kreeg om voor aanzienlijke mannen van Christus te getuigen, en zo had Christus ook voorzegd van Zijne discipelen, dat zij voor stadhouders en koningen gesteld zullen worden, om Zijnentwil, hun tot een getuigenis, Markus 13:9. De stadhouder vroeg uit welke provincie des rijks de gevangene afkomstig was, en hem werd gezegd, dat hij uit Cilicië was, vers 34, en hij belooft hem een spoedig verhoor, vers 35. Ik zal u horen, als ook uwe beschuldigers hier zullen gekomen zijn. Ik zal, gelijk het een' rechter betaamt, beide partijen horen. Hij gaf nu bevel, dat hij, in het rechthuis van Herodes zou bewaard worden, in een vertrek van het paleis, dat naar Herodes den Grote genoemd werd, die het had gebouwd. Dáár had hij nu gelegenheid om bekend te worden met de aanzienlijke mannen van des stadhouders hof, en ongetwijfeld heeft hij van die bekendheid met hen het best mogelijke gebruik gemaakt.