2. De namen nu van de twaalf apostelen, a) wier getal bepaald was naar dat van de stammen van Israël en dus voor het gehele volk bestemd was, zijn opgeteld zoals zij de een na de ander in de nadere gemeenschap van de Heere waren opgenomen 8:22"), deze: de eerste, Simon, gezegd Petrus, 1) en Andreas, zijn broeder; 2)Jakobus, de zoon van Zebedeus 3) en Johannes zijn broeder. 4)
Discipelen, leerlingen zo heetten destijds de twaalven, in de eerste plaats wegens de verhouding, waarin zij tot Jezus stonden, die naar de wijze van de Joodse Rabbijnen steeds een aantal leerlingen rondom zich hadden, en ten tweede, omdat gedurende het aardse leven van Jezus zij juist voornamelijk van Hem moesten leren. Na de uitstorting van de Heilige Geest droegen zij de naam van apostelen, en de overige Christenen die van discipelen (b. v. Handelingen 6:1vv. ) omdat deze van nu aan in de twaalven Jezus zelf hoorden, en in hen de en bedrieglijke leraars van de kerk moesten zien. In latere tijd schijnt de naam van buiten gebruik te zijn geraakt (Handelingen 11:26); reeds in de brieven komt die niet meer voor, maar in plaats daarvan die van broeders, gelovigen, heiligen, Christenen.
Zij zijn hier nog tezamen als Zijn twaalf uitverkoren discipelen. Nadat hun de macht is verleend zijn zij Zijn twaalf apostelen - een bewijs, dat de meest beslissende verandering heeft plaatsgevonden, hoewel zij daarom niet ophouden Zijn discipelen in de meest bijzondere zin van het woord te zijn.
Het getal twaalf is zonder twijfel niet willekeurig, maar rust op een innerlijke noodzakelijkheid van de hemelse en eeuwige zaken, en dus op goddelijke wijsheid. Wij vinden dit getal dikwijls in de Heilige Schrift bij grote en gewichtige zaken, in het bijzonder bij zulke, die op Israël, op het volk en het rijk van God betrekking hebben 35:26). Zo komen hier bij een opmerkzame en onderzoekende lezer van de Heilige Schrift makkelijk velerlei vergelijkingen voor de aandacht, die meer of minder tot de zaak behoren en ons winst voor kennis en stichting opleveren. Ten genoege van hen, die van zulke vergelijkingen houden, moge de volgende parallel tussen de patriarchen met de stammen van Israël en de apostelen hier een plaats vinden: Wij vinden in het Oude Testament twaalf patriarchen, lichamelijke stamvaders van het volk van God; in het Nieuwe Testament twaalf apostelen, geestelijke stamvaders van het volk van God. Een patriarch, Jozef, scheen lang verloren te zijn, een apostel, Judas Iskarioth, ging werkelijk verloren (Jozef is echter geenszins voorbeeld van Judas, maar meer van den Heere Jezus zelf. Voor Jozef werden onder de namen van de stammen twee andere geplaatst, Manasse en Efraïm; voor Judas werden twee andere apostelen gekozen, Matthias en Paulus. Onder die eerste twee verkreeg de jongere, Efraïm de voorrang boven de oudere, Manasse. Onder deze twee apostelen schijnt de later geroepene, Paulus, in uitgebreidheid van werkzaamheid voor het rijk van de Heere niet alleen Matthias, maar alle overige apostelen te hebben overtroffen (1 Corinthiërs 15:10). Daardoor dat voor Jozef de twee stammen Efraïm en Manasse worden gerekend, ontstonden 13 stammen, en toch werd altijd slechts van twaalf, niet van dertien gesproken, zo waren er ook door Matthias en Paulus 13 apostelen, en toch worden altijd slechts twaalf apostelen geteld, geen dertien.
De twaalven als vertegenwoordiger van het geestelijk Israël (dit is in een beeld voorgesteld Openbaring 21:14), moesten onder elkaar een volkomen eenheid vormen, zij moesten daarom wat hun gaven en hun karakter aangaat elkaar wederkerig aanvullen, en alle verschillende richtingen, die zich later in de kerk hebben ontwikkeld, reeds in beginsel in zich hebben. Alleen als Kenner van de harten (Johannes 2:25) kon de Heere zo'n lichaam van nauw aan elkaar verbonden gemoederen doen worden, dat daar kon staan als vertegenwoordigende de gehele geestelijke schepping, die in het aanzijn moest worden geroepen. In Hemzelf was alles in een heilige eenheid samen verbonden, maar evenals de straal zich splitst in zijn kleuren, zo ging ook het een licht, dat van Christus uitstroomde, in gewijzigde glans in de harten van Zijn twaalven over. Zo alleen konden niet enkele mensen maar allen gelijkmatig naar hun behoeften en naar hun aanleg door het Evangelie verzadigd worden.
Wat het werk van de apostelen geweest is, ligt reeds in de betekenis van het woord gezant. Als onmiddellijke leerlingen van de insteller van onze godsdienst ontvingen zij ook van Hem de onmiddellijke opdracht om het Evangelie van God aan alle volken te verkondigen en op de daken te prediken hetgeen Hij hun in het verborgen had gezegd. Immers omvatte Zijn plan het gehele menselijk geslacht. En wie waren nu de mensen, die door de Heiland tot dit grote werk, de verkondiging van de algemene godsdienst, geroepen werden? Gij kent ze genoeg, om uzelf die vraag te kunnen beantwoorden. Galilese mannen in de eenvoudige middenstand geloven en levende van de visvangst. God ziet toch niet aan wat voor ogen is, en de dwaasheid van de menselijke hovaardij moge onderscheid maken tussen het bloed, dat in ons aller aderen vloeit, de scheidsmuur tussen burgers en groten wordt in de hemel niet gekend. Het hart is de zetel van de adel, en al zwoeren de vorsten van de aarde, dat gij edel zijt, onedel zijt gij in het oog van God, zo Zijn vinger uw adelbrief niet ondertekend heeft. Die adel versierde de Galilese vissers, en God keurde hen waardig de eerste staatsdienaars in het rijk van Zijn Zoon te zijn. Eenvoudige mensen, zonder geleerdheid, zonder verstandelijke beschaving, zonder wereldkennis, bezet met vooroordelen, maar bezitters van een hart, dat van liefde blaakte voor hun Heer. Liefde deed hen de man volgen, die geen plaats had om Zijn hoofd op neer te leggen; liefde deed hen delen in de smaad, waarmee hun landgenoten hun Meester bejegenden; liefde eiste vuur van de hemel om de tegenstanders te verslinden; liefde smeekte de hooggeschatte Leraar Zich te onttrekken aan de woede van Zijn haters; liefde zwoer Hem de eed van trouw; bereid om in Zijn lot te delen en te zwak om die eed gestand te doen, barstte zij uit in tranen, bitter haar voorbarigheid bewenende. Diepe hoogachting en liefde voor Jezus, aan wier verkeerde richting het hart geen deel had, dit was de hoofdtrek in het karakter van Christus' discipelen, en hoezeer hun misslagen en vooroordelen Hem dikwijls bedroefden, het hart was zoals het hart van een leerling van Jezus zijn moet, eerlijk en deugdzaam. - Maar waarom viel de keuze van de Heiland juist op zulke mensen? Het schijnt inderdaad in de eerste oogopslag, dat onze Heer beter Zijn belang berekend zou hebben, als Hij het werk van de Evangelieprediking aan mensen uit hogere stand en toegerust met uitgebreide kundigheden had opgedragen. Maar denkt gij, dat aanzienlijke schriftgeleerden zo bereid zouden geweest zijn, om op de stem van een onbekende, die gedaante noch heerlijkheid had, hun rang en stand te verlaten en zich aan de ongemakken van een zwervend leven te onderwerpen? Ten tweede, indien het de Heiland al gelukt was op Zijn eerste roepstem twaalf groten, in plaats van vissers rondom zich te verzamelen, denkt gij dan, dat deze mensen bij de nadere ontwikkeling van het plan van Jezus, Hem getrouw zouden zijn gebleven? Denkt gij eindelijk, dat het hart van geleerden even geschikt geweest zijn, om zich voor de hemelse leer van de Heiland te openen, als dat van de apostelen? Nee! Wilde hij harten aan Zich verbinden, dan stond Hem geen andere weg open dan harten te kiezen, die, in de vrije Natuur gevormd, onbekend waren met de grootheid van deze wereld, rein van besmetting met hoogmoed en waanwijsheid, eerlijk en edel en eenvoudig en vatbaar voor diepe indrukken. Het geloof van de Christen moet ook daardoor grotelijks versterkt worden, dat de keus van de Heiland viel op mensen uit de middenstand, zonder schoolse geleerdheid, zonder verstandelijke beschaving. De visser uit Galilea kon zich nooit zo'n beeld van goddelijke deugd vormen, de wijsgeer, die zich dit beeld kon vormen, kon nooit schrijven als een visser uit Galilea. Geen boek droeg duidelijker stempel van onvervalste waarheid. Heilige eenvoudigheid! hoe is het mogelijk, dat men u miskende! (E. A. BORGER).
1) Petrus staat in elk van de vier apostellijsten (vgl. Markus 3:16vv. Lukas 6:14vv. Handelingen 1:13) bovenaan, en Mattheüs noemt hem zeker opzettelijk "de eerste" 16:17). Hij was de zoon van een visser Jona te Bethsaïda (aan de westzijde van het meer Gennesareth) en zijn eigenlijke naam was Simon. Na de dood van zijn vader bewoonde hij met zijn broeder Andreas het ouderlijk huis te Kapernaüm en oefende met deze het visserswerk uit op de Galilese zee. Reeds vroegtijdig kwam hij met de beide zonen van Zebedeus, Johannes en Jakobus, in nauwe verbintenis. Terwijl zijn broeder tot de meest besliste discipelen van Johannes de Doper gerekend kon worden, behoorde hij zelf waarschijnlijk tot de ruimere kring van die discipelen, d. i. hij was een van die uitverkoren Galilese vromen, die op de toekomst van de Messias hoopten en in Johannes met blijdschap Zijn voorloper begroetten, zonder zich juist bestendig bij deze aan te sluiten. Daardoor werd ook Andreas eerder met Jezus bekend en Petrus pas door Hem tot de nieuwe Meester geleid, van wie hij al spoedig in plaats van de naam Simon de naam Céfas, "een rots", verkreeg (Johannes 1:35-42). Dit gebeurde in de tweede helft van februari van het jaar 27 na Chr. en had de tijd van de eerste navolging, die ongeveer 10 maanden duurde, ten gevolge. In de eerste 5 maanden van het jaar 28 daarentegen was Petrus, evenals de overige discipelen, weer aan zichzelf overgelaten, en in deze tijd valt zijn huwelijk 8:15). De tweede roeping volgde in het begin van juni van het genoemde jaar; haar geschiedenis is uit het Evangelie op de 5e zondag na Trinitatis (Lukas 5:1vv. ) voldoende bekend. Reeds op de volgende dag, een Sabbat, zien wij Jezus, als Hij de synagoge te Kapérnaüm verlaat, bij Simon in zijn huis komen, om het op gelijke wijze tot Zijn herberg te maken, als Elisa bij de Sunamitische was (2 Koningen 4:8vv. Markus 1:29 Lukas 4:38). Daar verheerlijkt Hij Zichzelf aan de moeder, de schoonmoeder van Petrus, door een groot teken, om voortaan zelf de Heer des huizes te zijn (hoofdstuk . 8:14vv. ). Ongeveer een vierde jaar later treedt Petrus door Zijn derde roeping in de kring van de twaalven, en nu, nadat intussen een half jaar is verlopen, ontvangt hij met de anderen het apostolaat. Zijn levensgeschiedenis willen wij niet verder voortzetten, dit alleen zij opgemerkt, dat overeenkomstig zijn naam Simon (samengetrokken vorm voor Simeon) ook een werkelijke Simeons-natuur (Genesis 32:25vv. ) in hem was - drieste moed en overmoedig wagen, grote wilskracht en krachtige beslistheid. Hoe deze in het geschenk van heilige standvastigheid door genade zou verheerlijkt worden, waarmee hij de rots Christus omvatte en zelf tot een rots der kerk werd, dat voorzegde reeds de hem gegeven naam van Petrus. Simons gedenkdag is tegelijk met die van Paulus op 29 juni (hoofdstuk . 16:13vv. ).
2) Andreas is een oud-Griekse naam (Herod. VI. 126), die zoveel als "manhaftig, sterk" betekent. Een Hebreeuwse naam komt van hem evenmin voor als van Filippus (liefhebber van paarden), evenzeer een Griekse naam. Nu zijn deze beide juist diegenen, wier tussenkomst de Grieken, die Jezus begeerden te zien (Johannes 12:20vv. ) inriepen. De vroegere levensomstandigheden van Andreas blijken uit hetgeen over Petrus gezegd is; in de kring van de apostelen is hij met de drie hoofdapostelen, Simon Petrus, Jakobus I en Johannes (Mattheus 17:1; 26:37 Markus 5:37)
als een vierde verbonden; overigens wordt hij, behalve in de aangehaalde plaats, nog slechts eens en weer in vereniging met Filippus (Johannes 6:5-8) vermeld, terwijl hij in de geschiedenis van de apostelen niet verder wordt genoemd. Over zijn latere lotgevallen en daden zijn allerlei verhalen; volgens de oudste zou hij in Scythië hebben gewerkt, waarom de Russen hem als hun apostel vereren; volgens anderen moet hij in Klein-Azië en Thracië werkzaam geweest zijn, en eindelijk in Petrea en Achaja door middel van een schuin kruis (Uit 27:31) gekruisigd zijn. Aan het kruis zou hij nog drie dagen hebben geleefd en Christus met vreugde beleden hebben. Zijn gedenkdag valt op de 30e november (hoofdstuk . 4:18vv. ).
3) Jakobus, ter onderscheiding van de zoon van Alfeüs (No. 9) de oudere of I genoemd, behoort met Simon Petrus en zijn broeder Johannes (No. 4) tot de vertrouwde discipelen van de Heere 17:1). Terwijl de vader Zebedeus hier uitdrukkelijk wordt genoemd en zij vervolgens meermalen de kinderen van Zebedeus worden genoemd, blijkt uit de vergelijking van de beide plaatsen:
Mattheus 27:56 : Onder welke was Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder van de zonen van Zebedeus.
Markus 15:40 : . . . onder welke ook was Maria Magdalena en Maria de moeder van Jakobus, den kleine, en van Joses, en Salóme,
dat de moeder Salóme heet. De overlevering noemt deze Salóme nu eens een dochter van Jozef, de pleegvader van Jezus, uit zijn eerste huwelijk, dan eens zijn echtgenote, bij wie hij twee dochters verwekt heeft; dan weer een broeders-dochter van de priester Zacharias, de vader van Johannes de Doper (Lukas 1:5vv. ). Dit zijn allemaal legenden, waarvan de dwaasheid van de beide eersten dadelijk in het oog valt, en de derde niet de minste aanleiding in de Bijbel zelf heeft. Uit de derde plaats daarentegen:
Johannes 19:25 : En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder, en Zijn moeders zuster, Maria de vrouw van Klópas, en Maria Magdalena,
trekt men in de laatste tijd veelal het besluit, dat Salóme een zuster van Maria, de moeder van Jezus geweest is. Men verklaart die plaats dan zo, alsof daarin van vier vrouwen sprake was: 1) de moeder van Jezus (Maria), 2) Zijn moeders zuster (Salóme), 3) Maria de vrouw van Klópas, 4) Maria Magdalena. Men wilde vervolgens uit die bloedverwantschap van Salóme met Jezus, die dan Zijn tante geweest is, verklaring vinden voor haar bede in hfdst. 20:20vv. Daarvoor zullen wij later een geheel andere, meer voor de hand liggende verklaring aangeven. Wat echter de bovengenoemde drie plaatsen aangaat, zo is het voornamelijk het doel van alle Evangelisten, om van de vele vrouwen, die bij het kruis van Jezus stonden, een drietal te noemen. Nu heeft Johannes, evenals hij zijn eigen naam gewoonlijk verzwijgt, ook die van zijn moeder weggelaten, en in de plaats daarvan de moeder van de Heeren genoemd, omdat het hem bij de daarop volgende mededeling (Vers 26v. ) hoofdzakelijk om haar te doen was, terwijl de vermelding van zijn eigen moeder nog een ophelderende aanmerking nodig zou hebben gemaakt, die hij wilde vermijden. Aan de beide andere Evangelisten daarentegen scheen de aanwezigheid van Zijn moeder vanzelf te spreken; zij noemden in de plaats daarvan de moeder van de zonen van Zebedeüs, Salóme. Van haar man, Zebedeüs, weten wij niets naders. Uit verschillende mededelingen kan men echter besluiten, dat hij het waardige hoofd van een welvarende, aanzienlijke en vrome vissersfamilie te Bethsaïda was, en met deze in betrekking tot het hogepriesterlijk huis te Jeruzalem stond), niet zozeer in bloedverwantschap als wel in godsdienstige en maatschappelijke betrekking, daardoor nader verklaard, dat de familie daar een bezitting had, die later de eigendom van Johannes werd (Johannes 19:27). Dat de gezindheid van Zebedeüs zich niet boven de zorgen voor het aardse zou verheven hebben, heeft men willen besluiten uit de omstandigheid, dat hij bij zijn vissersnet is gebleven; de familie behoorde integendeel tot die, welke, in waar-Israëlitische vroomheid met het Oude Testament vertrouwd, toen in steeds sterkere hoop op de verschijning van de Messias leefden (Lukas 2:38). De vader legde dan ook geen hinderpalen in de weg aan zijn twee zonen, dat zij eerst discipelen van de Doper (Johannes 1:36vv. ), en later de bestendige navolgers van Jezus werden (hoofdstuk . 4:21vv. ). Naar het schijnt stierf hij tegen het einde van Jezus' werkzaamheid in Galilea, en nu werd zijn weduwe Salóme een van de dienende vrouwen (Lukas 8:2vv. Markus 14:40vv. ), en betoonde zij zich daar als een aanhangster van de Heere vol geestdrift, trouw en zelfopoffering. Naar alle waarschijnlijkheid was Jakobus de oudste zoon; hij is de eerste van de twaalven, die de marteldood (in het jaar 44 n. Chr. geleden heeft (Handelingen 12:1vv. ); aan hem wordt gedacht op 25 juli (hoofdstuk . 20:20vv. ).
Namen wij het bovenstaande woord van Dächsel in zijn geheel op, wij deden het ondanks verschil van mening. Wij houden de opmerking juist, voortvloeiende uit de vergelijking van de drie plaatsen, en alzo Salóme voor Maria's zuster. Dächsel heeft de moeilijkheid voorbijgezien, dat als Johannes slechts drie vrouwen noemde, twee zusters dezelfde voornaam gedragen zouden hebben. Wij hebben bij Johannes de tekst naar zijn behoorlijke verdeling te lezen, zoals veelal een optelling in tweetallen plaats heeft, zoals ook hier bij de apostelen: "Zijn moeder en Zijn moeders zuster, Maria, de vrouw van Klópas, en Maria Magdalena. " De Syrische en andere oude vertalingen hebben tussen "zuster" en "Maria" nog een voegwoord. .
4) Johannes stond vroeger in dezelfde betrekking tot de Doper als later tot Christus. Hij vatte de diepste zijde in de prediking van de Doper op, die voor de andere discipelen nog verborgen bleef. Terwijl de drie eerste Evangelisten bericht geven over de boetprediking van de Doper, en slechts in het kort de opmerking erbij voegen, dat hij ook op de komst van de Messias heeft gewezen, vat Johannes deze laatste zijde als het hoofdpunt van het werken van de Doper op, en heeft hij de profetische redenen van deze over Christus' natuur en lijden bewaard en te boek gesteld. Met een gelijke beslistheid als hij zich bij de Doper had aangesloten en volgens diens eis alle gemeenschap met de duisternis voor altijd had opgegeven, sloot hij zich bij Jezus aan, zodra de Doper op Hem had gewezen, en daar betoont hij zich als een stil diepdenkend karakter met een bijzondere receptiviteit (openheid om in zich op te nemen). Ieder woord van zijn geliefde Meester, dat aan zijn hart ontdekking geeft over het mysterie (heilig geheim), waarvan hij een voorgevoel had, grijpt hij in het diepste van zijn ziel aan; hij houdt het vast en overweegt het, zichzelf verdiepende in de beschouwing van de heerlijkheid van de Mensenzoon; bij alles wat Christus spreekt en doet, grijpt hij niet de momenten aan, die tot handelen dringen, zodat hij vroeg: wat moet ik doen? moet ik spoedig tabernakels bouwen op de berg van de verheerlijking? moet ik het zwaard trekken tegen Malchus? Maar verre van de drift om te handelen en mee te werken, heeft hij het rustig beschouwen lief van hetgeen Hij doet, Hij spreekt, Hij is, en hij is in het nadenkende, liefhebbende aanschouwen van Jezus verloren, zoals een bruid in het aanschouwen van de bruidegom. Daaruit moet verklaard worden, dat in de ziel en het geheugen van deze discipel elke fijnste adem van het wezen van Christus zo onvermengd en helder bewaard is, ja gehele gesprekken van de Heere met vijanden en vrienden hem tot in bijzonderheden gewichtig waren en bleven. Die geheel eigenaardige hoogheid en heerlijkheid van Christus, zoals wij die in het Evangelie van Johannes vinden, bleef zeker ook voor de andere discipelen niet verborgen; maar alleen Johannes was geschikt om ze voorstellende te reproduceren. Ieder mens kan de schoonheid zien van een gebergte, dat in het avondrood gloeit, maar niet ieder is in staat die te schilderen. Johannes heeft de natuur van een levende spiegel, die niet alleen de volle glans van de Heere opnam, maar die ook kon weerkaatsen, en zo zal het aan niemand bevreemden, dat Jezus hem voornamelijk tot Zijn persoonlijke vriend koos en hij aan `s Meesters borst mocht liggen. "Evenals het zonnelicht de trekken van uw gelaat afdrukt op een zilveren plaat, die tot het ontvangen van het licht ontvangbaar werd gemaakt, zo is het hart van de discipel, die Jezus liefhad, voorbereid om het beeld van de heerlijkheid van de Zoon en het Lam Gods in zich op te nemen, en Zijn trekken weer in het hart van de gelovigen te laten schitteren. " Gedenkdag 27 december (Johannes 21:20vv. ).