Jakobus 1:19-27
In dit deel van het hoofdstuk worden wij opgeroepen:
I. Tot het tegenstaan van de werkingen der hartstochten. Deze les moeten wij onder de droefenissen leren, en wij zullen haar leren indien wij waarlijk wedergeboren zijn door het woord der waarheid. Want de zaak staat zo: Een toornig en haastig gemoed wordt lichtelijk ontstoken door de droefenissen tot slechte dingen, en dan gaan dwalingen en slechte gedachten de overhand verkrijgen door de werking van onze eigen verkeerde en ijdele genegenheden. Maar de vernieuwende genade Gods en het woord des Evangelies leren ons die te onderdrukken: Zo dan, mijn geliefde broeders, een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn, vers 19. Dit kan betrekking hebben:
1. Op het woord der waarheid, waarvan in de vorige verzen sprake was. En dan kunnen wij opmerken, dat het onze plicht is het Woord Gods te horen en onze harten er op te zetten om dat te verstaan, en niet te spreken volgens onze eigen voorstellingen of de meningen der mensen, en daarover in heten hartstocht te geraken. Laat nooit zulke dwalingen als dat God de oorzaak van de zonden der mensen is, haastig, veel minder toornig, door u geuit worden, nooit dergelijke dwalingen door u gezegd worden, maar weest bereidvaardig om te horen en te overwegen wat Gods Woord u dienaangaande onderwijst.
2. Het kan toegepast worden op de droefenissen en verzoekingen, waarover in het begin van het hoofdstuk gehandeld is. En dan volgt er dit uit: Het is onze plicht te horen hoe God de wegen Zijner voorzienigheid uitlegt en wat Zijne bedoeling er mede is, in plaats van zoals David in zijn haasten te zeggen: Ik ben afgesneden, of als Jona in zijn toornen: Mijn toorn is recht! Ik ben billijk ontstoken! Laat ons in plaats van God onder onze beproevingen te veroordelen, onze harten en oren openzetten om te horen wat Hij ons te zeggen heeft.
3. Het kan ook slaan op de twistgesprekken en geschillen, die Christenen, in deze tijden van verzoeking, naar aanleiding daarvan onderling hielden, en dan zou dit deel van het hoofdstuk niet met het voorgaande in verband staan. Hierbij mogen wij opmerken, dat welke geschillen ook onder Christenen mogen rijzen, elke partij gewillig moet zijn om de andere aan te horen. De mensen staan dikwijls stijf en strak in hun eigen denkbeelden, omdat zij niet bereid zijn aan te horen wat anderen er tegen te zeggen hebben. Maar wij moeten ras zijn om reden en waarheid van alle zijden te horen en traag om iets te zeggen, waardoor dat verhinderd zou kunnen worden. En wanneer wij spreken, moet dat zonder toorn zijn, want een zacht antwoord keert de toornigheid af. En het doel van dezen brief is verscheidene ongeregeldheden weg te nemen, die onder de Christenen bestaan, daarom kunnen de woorden: ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn, zeer wel uitgelegd worden volgens de laatste bedoeling. Verder kunnen wij er bij opmerken, dat wanneer de mensen hun tongen goed willen regeren, zij hun hartstochten moeten beteugelen. Toen Mozes' geest in hem ontstoken was, sprak hij onbedachtelijk met zijne lippen. Wanneer wij traag willen zijn om te spreken, moeten wij traag zijn tot toorn.
II. Een zeer goede reden wordt gegeven voor het onderdrukken van den toorn: Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet, vers 20. Het is alsof de apostel zei: Ofschoon de mensen in hun hitte en hartstocht dikwijls voorwenden uit ijver voor God en Zijne heerlijkheid te handelen, moeten zij goed begrijpen dat God geen behoefte heeft aan de hartstochten der mensen, Zijn zaak wordt beter gediend door zachtheid en mildheid dan door toorn en drift. Salomo zegt: De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen. die over zotten heerst, Prediker 9:17. Dr. Manton zegt hier omtrent som mi ge vergaderingen: "Wanneer er zoveel bereidheid was om te horen als we ras zijn om te spreken, dan zou er in onze samenkomsten minder toorn en meer voordeel zijn. Denkt aan den Manicheër, die met Augustinus redetwistte en voortdurend met groot geweld schreeuwde: Hoor mij! hoor mij! De kerkvader antwoordde bescheiden: Laat mij u niet horen, en hoor gij niet naar mij, maar laat ons beiden horen wat de apostel zegt. Het slechtste, wat wij in enig godsdienstig verschil brengen kunnen, is toorn. Die is nooit te vertrouwen, al wordt ook voorgewend dat hij ontbrandt uit ijver voor hetgeen rechtvaardig en goed is. Toorn is een menselijk ding, en de toorn des mensen staat tegenover de gerechtigheid Gods. Zij, die voorwenden daardoor de zaak Gods te dienen, tonen daardoor slechts dat zij zomin God als Zijne zaak kennen. Tegen dezen hartstocht vooral moeten wij waken, wanneer wij het Woord Gods horen, 1 Petrus 2:1, 2.
III. Wij worden opgeroepen om andere verkeerde aandoeningen te onderdrukken, evengoed als toorn. Legt af alle vuiligheid en overvloed van boosheid, vers 21. Het woord, hier door vuiligheid vertaald, bedoelt alle lusten, die de grootste schandelijkheid en zinnelijkheid bevatten, en de uitdrukking overvloed van boosheid betekent alle overvloeiing van kwaadheid en andere geestelijke ondeugden. Hier wordt ons onderwezen, dat wij als Christenen daartegen waken moeten, ze ter zijde leggen, en niet alleen die grovere en vleselijke gezindheden en begeerlijkheden, die een mens vuil maken, maar alle genegenheden van het bedorven hart, die het tegen Gods Woord en wegen bevooroordeeld maken. Merk op:
1. De zonde maakt vuil, zij wordt vuiligheid genoemd.
2. Er is overvloed van boosheid in ons, waartegen wij moeten waken.
3. Het is niet genoeg boze opwellingen te weerstaan, maar wij moeten ze van ons werpen, ze afleggen. Jesaja 30:22. Gij zult ze wegwerpen als een maanstondig kleed, en tot elk van die zeggen: Henen uit!
4. Dat moet zich uitstrekken niet alleen tot uitwendige zonden en grotere overtredingen, maar tot alle zonden van gedachten en genegenheid, van woord en werk, pasan ruperian, alle vuiligheid, alles wat bedorven en zondig is.
5. Zie uit het voorgaande deel van dit hoofdstuk, dat het afleggen van alle vuiligheid is hetgeen, waartoe een tijd van verzoeking en droefenis ons roept, en dat het noodzakelijk is ten einde de dwaling te vermijden en het woord der waarheid recht te ontvangen en te laten werken.
IV. Wij ontvangen hier kort maar volledig onderricht betreffende het horen van Gods Woord.
1. Er wordt vereist dat wij er ons toe voorbereiden, vers 21, en daartoe elke bedorven neiging en elk vooroordeel, alle vooringenomenheid bestrijden, en die zonden afleggen, welke het oordeel verdraaien en de zinnen verblinden. Alle vuiligheid en overvloed van boosheid, hiervoren genoemd, moet afgelegd en weggeworpen worden met name door hen, die op het Evangeliewoord acht geven.
2. Ons wordt gezegd hoe wij het moeten horen. Ontvangt met zachtmoedigheid het woord, dat in u geplant wordt.
A. In het horen van het Woord Gods moeten wij het ontvangen, zijn waarheden toestemmen, de wetten die het voorschrijft eerbiedigen, het ontvangen zoals de wijnstok de ent opneemt, zodat de vrucht die hij voortbrengt niet zij overeenkomstig de natuur van den zuren wijnstok, maar in overeenstemming met de natuur van het woord des Evangelies, dat in onze zielen geënt wordt.
B. Wij moeten ons daarom aan het Woord Gods onderwerpen met zeer ondergeschikte, nederige en ontvankelijke gemoederen, dat is het ontvangen met alle zachtmoedigheid. Wij moeten gewillig zijn om te horen van onze gebreken, en dat niet alleen geduldig, maar ook dankbaar aannemen, begerig om daardoor gekneed en gevormd te worden door de leringen en voorschriften van het Evangelie.
C. Al ons horen moet ten doel hebben de zaligheid onzer zielen. Het doel van Gods Woord is onze zielen wijs te maken tot zaligheid, en zij, die zich voorstellen enig geringer en lager doel te bereiken door naar het woord te horen, onteren het Evangelie en stellen hun zielen teleur. Wij moeten tot het Woord Gods komen, beide om het te lezen en te horen, als dezulken, die weten dat het de kracht Gods is tot zaligheid een iegelijk die gelooft, Romeinen 1:16.
3. Ons wordt gezegd wat ons te doen staat nadat wij het gehoord hebben, vers 22. En zijt daders des woords en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende. Merk hier op:
A. Het horen heeft het doen ten doel, het meest oplettende en meest geregelde horen van het Woord zal ons niet baten, tenzij wij daardoor daders worden. Al zouden wij dagelijks een leerrede horen, waarvan een engel uit den hemel de prediker was, toch indien wij berustten in het enkele horen, dan zou dat ons nooit in den hemel brengen. Daarom dringt de apostel er zeer op aan, -en het is zonder twijfel beslist noodzakelijk-dat wij in praktijk brengen hetgeen wij horen. Er moet inwendige praktijk zijn bij de overdenking en uitwendige praktijk in oprechte gehoorzaamheid. Het is niet genoeg ons te herinneren wat wij gehoord hebben, niet genoeg instaat te zijn om het te herhalen, er getuigenis van te geven, het aan te bevelen, er over te schrijven en te bewaren wat wij geschreven hebben, dat alles dient om en moet bekroond worden met het doen van het Woord.
B. Enkel-hoorders zijn zelfbedriegers, het oorspronkelijke woord paralogizomenoi betekent het spitsvondig bij zichzelf uitpluizen, de redeneringen van zulke mensen zijn ontegenzeglijk bedrieglijk en vals, wanneer zij daardoor zich willen kwijten van een deel der verplichting die op hen rust en zich zelven overreden, dat het voldoende is hun hoofden met de kennis te vullen, ofschoon hun harten ledig blijven van goede aandoeningen en besluiten, en hun leven geen goede werken voortbrengt. Zelfbedrog zal ten slotte blijken de ergste soort van bedrog te zijn.
4. De apostel toont ons aan wat het rechte gebruik van Gods Woord is, wie zij zijn, die het gebruiken zoals het behoort, en wie er niet het rechte gebruik van maken, vers 23-25. Laat ons elk van die drie punten afzonderlijk beschouwen. A. Het gebruik, dat wij van Gods Woord moeten maken, kunnen wij vergelijken bij het zien in een spiegel, waarin iemand zijn aangeboren aangezicht bemerkt. Gelijk een spiegel ons de smetten en het vuil op onze aangezichten ontdekt, opdat we dat zullen wegwassen, zo toont ons het Woord Gods onze zonden, opdat wij er berouw over zullen hebben en er vergeving voor zoeken. Het toont ons wat verkeerd is, opdat het hersteld worde. Er zijn spiegels, die de mensen vleien, maar het ware Woord Gods is geen vleiend spiegelglas. Wanneer gij uzelven vleit, is dat uw eigen schuld, de waarheid, zoals die in Jezus is, vleit niemand. Wanneer het woord der waarheid met aandacht gehoord wordt, zal het u de verdorvenheid van uw natuur voorhouden, het verkeerde in uw hart en leven doen opmerken, het zal u rondweg zeggen wie gij zijt. Paulus zegt van zich zelven dat hij ongevoelig was voor zijn natuurlijk bederf totdat hij zich zelven zag in den spiegel der wet. Romeinen 7:9. Zonder de wet leefde ik eertijds, dat is: ik dacht dat alles bij mij recht was, ik hield mij zelven niet alleen voor rein, maar, vergeleken met de andere mensen, voor schoon ook, maar toen het gebod kwam, toen de spiegel der wet mij werd voorgehouden, is de zonde weer levend geworden en ik ben gestorven. Toen zag ik mijn smetten en onvolmaaktheden, ontdekte hetgeen in mij verkeerd was zonder dat ik het wist, en zo groot was de kracht der wet, en ook die der zonde, dat ik toen mij zelven zag in een toestand van dood en verdoemenis. Dus, wanneer wij zo acht geven op het Woord van God, zodat wij ons zelven, onzen waren staat en toestand zien, teneinde te herstellen wat verkeerd is, en ons zelven bij den spiegel van Gods Woord vormen, dan maken wij er het rechte gebruik van.
B. Wij hebben hier de mededeling van hetgeen zij doen, die niet het rechte gebruik maken van dezen spiegel des Woords. Hij heeft zich zelven bemerkt en is terstond vergeten hoedanig hij was, vers 24. Dat is de getrouwe beschrijving van iemand, die het Woord Gods hoort en niet doet. Hoevelen zijn er, die wanneer zij het Woord horen, ontroerd zijn over hun eigen zondigheid, ellende en gevaar, en het slechte van de zonde zowel als hun behoefte aan Christus erkennen, maar zodra het horen geëindigd is, wordt alles vergeten. De overtuiging wordt verloren, de goede voornemens verdwijnen en vloeien weg als het water van een vloedgolf, hij vergeet het terstond. Het Woord van God ontdekt ons hoe wij onze zonden kunnen afleggen en onze zielen bedekken met het kleed der gerechtigheid van Jezus Christus. Onze zonden zijn de smetten, welke de wet ons toont, het bloed van Christus is het reinigingsmiddel, dat het Evangelie ons aanbiedt. Maar wij horen het Woord Gods tevergeefs en zien tevergeefs in den spiegel, indien wij heengaan en onze smetten vergeten in plaats van ze weg te wassen, het middel vergeten in plaats van het toe te passen. Dat is het geval met hen, die het Woord niet horen zoals het behoort.
C. Ook zij worden beschreven, en zalig geheten, die op de rechte wijze horen, en den spiegel van Gods Woord gebruiken zoals zij moeten doen, vers 25. Maar die inziet in de volmaakte wet, die der vrijheid is, en daar bij blijft enz. Merk hier op:
a. Het Evangelie is een wet der vrijheid, of zoals Mr. Baxter zegt, der vrijmaking, het maakt ons vrij van de Joodse wet, en van zonde en schuld, en van toorn en dood. De ceremoniële wet was een juk der dienstbaarheid, het Evangelie van Christus is een wet der vrijheid.
b. Het is een volmaakte wet, niets kan er aan toegevoegd worden.
c. Door het Woord te horen, zien wij in deze volmaakte wet, wij raadplegen haar voor bestuur en leiding, wij zien in haar opdat wij daarnaar onze maatregelen mogen nemen. d. Dan alleen zien wij op de rechte wijze in de wet der vrijheid, wanneer wij daarbij blijven, wanneer wij voortgaan haar te bestuderen, tot zij ons verandert in een geestelijk leven, dat in ons geënt wordt en vruchten voortbrengt, wanneer wij niet vergetelijk zijn, maar haar als ons werk in praktijk brengen, haar altijd voor onze ogen houden, haar tot den vasten regel voor onzen wandel en ons gedrag nemen en onze gehele geestesgesteldheid naar haar regelen.
e. Zij, die zo handelen, en blijven bij de wet en het Woord van God, zijn en zullen zijn zalig in dit hun doen, volgens den eersten Psalm, waarnaar Jakobus hier, volgens sommigen, verwijst. Welgelukzalig is de man, zo zegt de psalmist, die niet wandelt in den raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters, maar zijn lust is in des Heeren wet en hij overdenkt Zijne wet dag en nacht. Al wat hij doet zal wel gelukken. Hij, die geen vergetelijk hoorder, maar een dader van het werk is, dat Gods Woord hem te doen geeft, zegt Jakobus, zal gezegend zijn. De papisten beweren dat wij hier een duidelijk bewijs hebben, dat we om onze goede werken gezegend worden. Maar Dr. Manton beantwoordt die bewering door de lezers der Schrift uit te nodigen met nauwkeurigheid dezen tekst te lezen. De apostel zegt niet: voor dit zijn doen wordt die man gezegend, maar in dit zijn doen. Het is de weg, waarop wij zeker den zegen zullen vinden, maar het is niet de oorzaak van dien zegen. Deze zegening ligt ook niet in het kennen, maar in het doen van Gods wil. Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij zo gij ze doet, Johannes 13:17. Niet het spreken, maar het wandelen leidt ons ten hemel.
V. Nu deelt de apostel mede hoe wij den valsen godsdienst kunnen onderscheiden van dien, die zuiver en Gode aangenaam is. Grote en heftige twisten zijn over dit onderwerp in de wereld voorgevallen: welke godsdienst is vals en ijdel, welke is waar en zuiver? Ik zou wensen dat alle mensen goedvinden konden die vraag door deze Schriftuurplaats te laten beslissen, want hier is een duidelijk en vast antwoord.
1. Wat is een ijdele godsdienst? Indien iemand onder u dunkt, dat hij godsdienstig is, en zijne tong niet in toom houdt, maar zijn hart verleidt, diens godsdienst is ijdel. Drie dingen zijn hier op te merken.
A. In een valsen godsdienst is veel vertoning en gemaaktheid om in de ogen van anderen godsdienstig te schijnen. Daarop wordt, naar ik meen, onze aandacht gevestigd door de woorden: Indien iemand dunkt, dat is zoveel als: die godsdienstig schijnt te zijn enz. Indien men er meer op bedacht is om godsdienstig te schijnen dan om het te zijn, dan is dat een teken dat die godsdienst ijdel is. Niet de godsdienst zelf is ijdel, zij die zeggen: Het is vergeefs den Heere te dienen, doen daardoor groot onrecht, maar het is mogelijk dat de mensen hem een ijdel ding maken, dat zij alleen den vorm en niet de kracht der godzaligheid hebben.
B. In een valsen godsdienst is veel dat aanmerkingen maakt, verwijten doet en anderen aftrekt. Het niet in toom houden van de tong bedoelt hier: het geen afstand doen van deze ondeugden der tong. Wanneer wij de mensen zeer gemakkelijk horen spreken over de gebreken van anderen, of hen schandelijke dwalingen in anderen voortdurend horen ontdekken, of de wijsheid en godsvrucht van anderen gedurig horen betwijfelen, opdat zij zelven des te wijzer en beter mogen schijnen, dan is dat een teken dat zij slechts een ijdelen godsdienst hebben. De man, die een ongebreidelden tong heeft, kan bezwaarlijk een waarlijk nederig en begenadigd hart bezitten. Hij, die er zich in verheugt om zijn naasten onrecht te doen, geeft tevergeefs voor dat hij God liefheeft, en dus zal zulk een onbedwongen tong bewijzen dat die man een huichelaar is. Aanmerkingen maken is een aangename zonde, die bijzonder met onze natuur strookt, en daardoor bewijst dat zo iemand nog in onherboren toestand is. Deze zonden der tong waren de voorname zonden van den tijd, waarin Jakobus schreef-gelijk andere gedeelten van dezen brief overvloedig aantonen, -en het is een sterk teken van ijdelen godsdienst indien men meegesleept wordt door de zonden van zijn tijd. Het is altijd een kenmerkende zonde van de huichelaars geweest, dat naarmate zij ijverig waren om zelf goed te schijnen zij te meer vrijheid namen om aanmerking te maken op anderen en hen te verlagen. Er is zoveel verstandhouding tussen tong en hart, dat het laatste aan de eerste gekend wordt. En daarom zegt de apostel dat een ongebreidelde tong een onbetwijfeld zeker bewijs is van ijdelen godsdienst. Er is geen kracht of macht in een godsdienst, die iemand niet in staat stelt zijn tong te beheersen.
C. In een ijdelen godsdienst bedriegt iemand zijn eigen hart en verleidt het, hij is voortdurend zo bezig om anderen en zich zelven wijs te maken dat hij werkelijk iets is, dat ten laatste de ijdelheid van zijn godsdienst wordt vervuld door het verleiden van zijn eigen hart. Wanneer de godsdienst eenmaal ijdel begint te worden, hoe groot is dan de ijdelheid!
2. Hier wordt duidelijk en beslist verklaard, waarin de ware godsdienst bestaat. De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze, vers 27.
A. Het is de heerlijkheid van den godsdienst zuiver en onbevlekt te zijn, niet vermengd met menselijke uitvindingen of werelds bederf. Valse godsdiensten kan men herkennen aan hun onzuiverheid en liefdeloosheid, overeenkomstig hetgeen Johannes zegt: Die de rechtvaardigheid niet doet is niet uit God, en hij die zijn broeder niet liefheeft, 1 Johannes 3:10. Maar aan de andere zijde: een heilig leven en een liefhebbend hart zijn het bewijs van een waren godsdienst. Onze godsdienst is niet versierd met ceremoniën, maar met reinheid en liefde. En een zuivere godsdienst moet onbevlekt gehouden worden.
B. De godsdienst is zuiver en onbevlekt, die dat is voor God en den Vader. Die godsdienst is de ware, die het is in Zijne ogen, en welks voornaamste doel Zijne goedkeuring is. De ware godsdienst leert ons alles als in Zijne tegenwoordigheid te doen, Zijn gunst te zoeken, en te trachten in alle handelingen Hem welbehaaglijk te zijn.
C. Medelijden en liefdadigheid voor armen en bedroefden zijn een zeer groot en onmisbaar deel van den waren godsdienst. Weduwen en wezen bezoeken in hun verdrukking. Bezoeken betekent hier op alle mogelijke wijzen, waartoe wij bij machte zijn, hun verlichting aanbrengen onder hun last. Wezen en weduwen worden hier bepaald genoemd omdat die gewoonlijk het meest verwaarloosd en verdrukt worden, maar wij moeten bij die benaming denken aan alle voorwerpen van liefdadigheid en alle verdrukten. Het is zeer merkwaardig dat, nu hier de samenvatting van den waren godsdienst in twee artikelen gegeven wordt, het helpen uit liefde van de bedroefden er een van is.
D. Een onbesmet leven moet zich paren aan ongeveinsde liefde en hulpvaardigheid. En zich zelven onbesmet bewaren van de wereld. De wereld is geneigd de ziel te bezoedelen en te besmetten, en het is moeilijk in haar te leven en met haar te doen te hebben en onbesmet te blijven, maar dat moet onze voortdurende poging zijn. Hierin bestaat de zuivere en onbevlekte godsdienst. De dingen van de wereld zelf nemen onze zinnen te veel in beslag, wanneer wij voortdurend er in moeten omgaan, maar de zonden en de begeerlijkheden der wereld bevlekken en besmetten ons werkelijk op jammerlijke wijze. Johannes vat al wat in de wereld is, en dat wij niet mogen liefhebben, samen onder drie hoofden: de begeerlijkheid des vlezes, de begeerlijkheid der ogen, de grootsheid des levens, en ons zelven van deze drie onbesmet te bewaren, is ons onbesmet bewaren van de wereld. God houde door Zijn genade beide onze harten en ons leven rein van de liefde voor de wereld en van de verzoekingen van boze wereldse mensen.