Filippenzen 1:1-2
Wij hebben hier het opschrift en de zegening.
I. De personen, die den brief schrijven: Paulus en Timotheus. Ofschoon alleen Paulus goddelijk geïnspireerd werd, verenigt hij Timotheus met zich, om zijn eigen nederigheid aan te duiden en ere op Timotheus te leggen. Zij, die bejaard, sterk en uitnemend zijn, moeten eerbied geven aan hen, die jonger zijn en hun naam ophouden, ook al zijn die zwakker en van minder betekenis. Dienstknechten van Jezus Christus, niet alleen op de gewone wijze van al Zijn discipelen, maar in het bijzondere werk van hun bediening, de hogere roeping van een apostel en een evangelist. De hoogste eer van den grootsten apostel en van de uitnemendste dienaren is te zijn dienstknechten van Jezus Christus, niet meesters van de gemeenten, maar dienaren van Christus. Merk hier op:
II. De personen, aan wie de brief gericht wordt.
1. Al den heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn. Hij noemt de gemeente voor de dienaren, omdat de dienaren er zijn voor de gemeente, tot haar opbouwing en zegen, en niet de gemeenten voor de dienaren tot hun waardigheid, heerschappij en voordeel. Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn medewerkers uwer blijdschap, 2 Corinthiërs 1:24. Zij zijn niet alleen dienaren van Christus, maar om Zijnentwil dienaren van de gemeente. Dat wij uwe dienaars zijn om Jezus wil, 2 Corinthiërs 4:5. De Christenen worden hier heiligen genoemd, door God afgezonderden, geheiligd door Zijnen Geest, zowel door zichtbare belijdenis als door werkelijke heiligheid. En allen, die niet waarlijk heiligen zijn op aarde, zullen nooit in den hemel heiligen zijn. De brief is gericht aan al de heiligen, de een zowel als de ander: ook de geringste, de armste, de minst- begaafde. Christus maakt geen onderscheid, in Hem ontmoeten rijken en armen elkaar, en de dienaren mogen om die redenen geen onderscheid maken in hun zorg en tederheid. Wij mogen niet hebben het geloof van onzen Heere Jezus Christus met aanzien des persoons, Jakobus 2:1. Heiligen in Christus Jezus, heiligen zijn alleen aangenaam door kracht van hun zijn in Christus, of: omdat zij Christenen zijn. Buiten Christus zouden de beste heiligen blijken zondaren te zijn en onbestaanbaar voor God.
2. Hij is gericht aan de dienaren of kerkbestuurders, met de opzieners en diakenen. De opzieners of oudsten in de eerste plaats, wier taak het was te onderwijzen en te besturen, en diakenen of armenverzorgers, wier taak was het uitwendig werk in het huis Gods, de plaats, de voorziening, het onderhoud van de dienaren en het verzorgen van de armen. Deze waren de enige bedieningen, die toen in de gemeente bekend waren, en zij waren het door goddelijke instelling. De apostel, zijn brief richtende aan de Christelijke gemeente, kent slechts twee orden, die hij noemt, opzieners en diakenen. En zij, die menen dat dezelfde titels, dezelfde benamingen, diensten, eer en eerbied, ergens in het Nieuwe Testament toegekend worden aan hen die bisschoppen enz. genoemd worden, zullen moeite hebben hen in de tijden van de Heilige Schrift in anderen dienst of waardigheid weer te vinden.
III. Hier is de apostolische zegenbede: Genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus, vers 2. Dit is meestal woord voor woord, hetzelfde in al de brieven, om ons te leren, dat wij niet vrezen moeten voor vormen, ofschoon wij er niet door gebonden zijn, vooral niet door de niet-Schriftuurlijke. Het enige formulier in het Oude Testament is een zegening, Numeri 6:23-26 :Alzo zult gijlieden de kinderen Israël's zegenen, zeggende tot hen: De Heere zegene en behoede u! De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig! De Heere verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede! Evenzo in het Nieuwe Testament, het goed, dat toegewenst wordt, is geestelijk goed, genade en vrede, de vrije gunst en toegenegenheid van God met al haar gezegende vruchten en uitwerkingen. En zulks van God den Vader en van den Heere Jezus Christus, gezamenlijk van beiden ofschoon op verschillende wijze. Merk op:
1. Geen vrede zonder genade. Inwendige vrede komt voort uit het gevoel van goddelijke gunst.
2. Geen genade en vrede dan van God onzen Vader, de fontein en oorsprong van alle zegeningen: den Vader der lichten, van wie alle volmaakte gift is afkomende, Jakobus 1:17.
3. Geen genade en vrede van God onzen Vader, dan in en door onzen Heere Jezus Christus. Christus als de Middelaar is het toevoerkanaal van alle geestelijke zegening aan de gemeente en deelt ze uit aan al Zijne leden.