1 Corinthiërs 9:19-23
De apostel neemt uit hetgeen hij hier voren gezegd heeft, aanleiding om enige andere voorbeelden aan te halen van zijn zelfverloochening en zijn afstand-doen van zijne vrijheid ten nutte van anderen.
I. Hij handhaaft zijne vrijheid, vers 19 :Want daar ik van allen vrij was, Hij was vrijgeboren, Romeins burger. Hij was aan niemand gebonden en hing voor zijn onderhoud van niemand af, -heb ik mij zelven allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zou winnen. Hij gedroeg zich als een dienstknecht, hij arbeidde voor hun welzijn als een dienstknecht, hij was zorgvuldig om te behagen, als een dienstknecht zijn meester, hij handelde in vele gevallen alsof hij geen voorrechten had, en dit deed hij om er meerderen te winnen, meerderen tot het Christendom te brengen. Hij maakte zich zelven tot dienstknecht, opdat zij mochten vrij worden.
II. Hij noemt sommige bijzonderheden op, waarin hij zich een dienstknecht van allen gemaakt had. Hij schikte zich naar allerlei soorten van mensen.
1. Ik ben den Joden geworden als een Jood, degenen, die onder de wet zijn, als onder de wet zijnde, om hen te winnen. Ofschoon hij de plechtigheden der wet aanzag als een juk, dat door Christus afgenomen was, nochtans onderwierp hij er zich in vele gevallen aan, opdat hij onder de Joden mocht werken, hun vooroordelen overwinnen, hen overhalen om het Evangelie aan te horen en hen te winnen voor Christus.
2. Degenen die zonder de wet zijn ben ik geworden als zonder de wet zijnde, dat is den heidenen, zowel hun die niet als hun die wel tot Christus bekeerd waren. In onschuldige dingen kon hij zich schikken naar de gewoonten en inzichten der mensen tot hun voordeel. Hij kon met wijsgeren in hun eigen gedachtegang redeneren. En wat de bekeerde heidenen aangaat, hij gedroeg zich onder hen als iemand, die niet door de Joodse wetten gebonden was, die hij bij de Joden kon toestemmen en onderhouden, ofschoon hij niet als een wetteloos man handelde, maar als een die gebonden was door de wetten van Christus. Hij zou gene wetten van Christus overtreden ten genoege van enig mens, maar hij zou zich gewillig schikken naar alle mensen, voorzover dit geoorloofd was, ten einde sommigen te winnen. Paulus was de apostel der heidenen, en daarom zou men kunnen denken, dat hij zich verontschuldigd zou hebben om zich naar de Joden te voegen, en toch, ten einde hun goed te doen en hen voor Christus te winnen, ontzegde hij zich, in onschuldige dingen, de macht om zulks te doen en schikte zich naar sommige hunner gebruiken en wetten. En ofschoon hij door die roeping zich gezag en macht over de heidenen had kunnen aanmatigen, voegde hij zich, voorzover hij dat onschuldig doen kon, naar hun vooroordelen en denkwijzen. Goeddoen was het doel van zijn gehele leven, en zo hij dat doel bereiken kon, stond hij niet op voorrechten en overdreven nauwgezetheid.
3. Den zwakken was hij geworden als een zwakke, opdat hij de zwakken winnen zou, vers 22. Hij was gewillig om het beste van hen te maken. Hij verachtte of veroordeelde hen niet, maar werd als een hunner, zag van zijne vrijheid om hunnentwille af en was bezorgd om hun geen struikelblok in den weg te werpen. Wanneer een hunner, door de zwakheid van zijn begrip of de kracht zijner vooroordelen, kans liep van in zonden te vervallen of van het Evangelie tot het heidendom terug te vallen, door zijn gebruik van zijne vrijheid, dan zag hij daarvan af. Hij verloochende zich zelven om hunnentwil, opdat hij hun genegenheid mocht winnen en hun zielen behouden. In een woord: allen was hij alles geworden, opdat hij immers enigen behouden mocht. Hij wilde niet tegen God zondigen om de zielen der mensen te behouden, maar hij wilde zeer liefdevol en begerig tot zelfverloochening zijn. Gods rechten kon hij niet opgeven, maar van zijn eigen rechten kon hij afstand doen, en hij deed het dikwijls tot heil van anderen.
III. Hij noemt de reden waarom hij zo handelt, vers 23. En ik doe dit om des Evangelies wil, opdat ik hetzelve mede deelachtig zou worden, dat is, om de eer van Christus, wiens Evangelie het is, en ter redding van zielen, voor welke het bestemd is, en opdat hij met hen in de voorrechten van het Evangelie zou mogen delen. Daarom verloochende hij zich zelven en deed afstand van zijne vrijheid, en voegde zich naar de gewoonten en zeden van hen met wie hij te doen had, voorzover zulks geoorloofd was. Een hart, verwarmd door den ijver voor God en verlangende naar de behoudenis der mensen, zal niet op rechten en voorrechten blijven staan, zo deze die doeleinden belemmeren. Zij misbruiken ontegenzeglijk hun macht in het Evangelie, die het niet tot stichting maar tot afbreking aanwenden, en daarom niets van zijn geest hebben.