Markus 6:1-6
I. Christus brengt een bezoek in Zijn vaderland, de plaats, niet waar Hij geboren, maar waar Hij opgevoed werd, dat was Nazareth, waar Zijne bloedverwanten woonden. Tevoren was Hij reeds in levensgevaar onder hen geweest, Lukas 4:29, en toch begaf Hij zich weer tot hen, zo verwonderlijk wacht Hij om genadig te wezen en het heil Zijner vijanden te bevorderen. Waar Hij ook heenging, al was het ook in gevaar, Zijne discipelen volgden Hem, vers 1, want zij hadden alles verlaten om Hem te volgen overal waar Hij heenging.
II. Daar predikte Hij in hun synagoge op den sabbatdag, vers 2. Het schijnt dat de scharen daar niet zo tot Hem toestroomden als op andere plaatsen, zodat Hij gene gelegenheid had om te prediken, voordat zij tezamen kwamen op den sabbatdag, en toen heeft Hij een gedeelte der Schrift met grote helderheid voor hen verklaard. Op de sabbatdagen moet in de Godsdienstige bijeenkomsten het woord Gods gepredikt worden naar het voorbeeld van Christus. Wij geven eer aan God door onderricht van Hem te ontvangen.
III. Zij konden niet anders dan erkennen hetgeen zeer eervol en loffelijk in Hem was.
1. Dat Hij sprak met grote wijsheid, en dat die wijsheid Hem was gegeven, want zij wisten dat Hij geen geleerde opleiding had gehad.
2. Dat Hij krachten deed, ze deed met Zijn eigen handen ter bevestiging van de leer, die Hij verkondigde. Zij erkenden de twee grote bewijzen van den Goddelijken oorsprong van Zijn Evangelie-de Goddelijke wijsheid, die uitblonk in het beramen er van, en de Goddelijke macht, die uitgeoefend werd, om het te bekrachtigen en aan te bevelen, en toch, hoewel zij de premissen niet konden ontkennen, wilden zij met de gevolgtrekking, die er uit af- geleid werd, niet instemmen.
IV. Zij legden er zich op toe Hem te verkleinen en in minachting te brengen, en in het gemoed des volks vooroordelen tegen Hem op te wekken. Al deze wijsheid en al die krachten zijn van gene betekenis of waardij, omdat Hij tehuis was opgevoed, niet gereisd had, gene universiteit had bezocht, niet aan de voeten van een hunner geleerden dan gezeten om door hem onderwezen te worden, vers 3. Is deze niet de timmerman? Bij Mattheus luidt het verwijt, dat Hij de zoon is des timmermans, daar Zijn vermeende vader dat beroep uitoefende. Maar het schijnt dat zij ook verder konden zeggen: Is deze niet de timmerman? want waarschijnlijk is onze Heere Jezus in dat beroep met Zijn vader werkzaam geweest, eer Hij Zijn openbaar dienstwerk aanving, tenminste soms in dagwerk.
1. Aldus heeft Hij zich willen vernederen, en heeft Hij zich zelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is Hij gekomen om te dienen. Zo diep heeft onze Verlosser zich neergebogen om ons te kunnen verlossen.
2. Daarmee wilde Hij ons leren de luiheid te verafschuwen, en voor ons zelven iets te doen te vinden in de wereld, en liever geringen en moeitevollen arbeid te verrichten, al is het ook, dat hij ons slechts een sober bestaan oplevert, dan ons in vadsigheid toe te geven, Niets is schadelijker voor jonge lieden, dan de gewoonte van slenteren aan te nemen. Er heerste onder de Joden hieromtrent de goede gewoonte, dat hun jonge mannen, die bestemd waren om geleerden te worden, toch ook het ene of andere handwerk of ambacht moesten lere, zoals Paulus, die een tentenmaker was, ten einde werk te hebben voor hun ledigen tijd, en om er, zo het nodig was, hun brood mede te kunnen verdienen.
3. Daarmee heeft Hij ook de geminachte handwerkslieden geëerd, en diegenen aangemoedigd, die eten van het werk hunner handen, al is het ook dat de groten der aarde met minachting op hen neerzien. Zij verweten Hem nog iets anders, namelijk de geringheid Zijner bloedverwanten. Hij is de zoon van Maria, zijne broeders en zusters zijn hier bij ons, wij kennen zijne familie, zijne afkomst, en daarom, hoewel zij ontzet waren over Zijne leer, vers 2, werden zij toch geërgerd aan Zijn persoon, vers 3, en zagen zij met minachting op Hem neer, en wilden daarom ook Zijne leer niet aannemen, al was zij ook nog zo aanbevelenswaardig. Kunnen wij denken dat zij, indien zij Zijn stamboom niet hadden gekend, indien Hij uit de wolken onder hen neergekomen was, zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, Hem met meer eerbied ontvangen zouden hebben? Gewis niet, want in Judea, waar dit niet bekend was, heeft men juist dit tegen Hem aangevoerd. Maar dezen weten wij niet, van waar hij is. Hardnekkig ongeloof is nooit om uitvluchten verlegen.
V. Laat ons zien, hoe Christus deze minachting verdroeg.
1. Hij heeft haar ten dele verontschuldigd, als iets gewoons, iets dat dagelijks voorkomt, en dat men dus kan verwachten, hoewel niet rechtvaardiglijk of billijk, vers 4, Een profeet is niet ongeëerd, dan in zijn vaderland. Er kunnen uitzonderingen zijn op dezen regel. Velen hebben ongetwijfeld dit vooroordeel afgeschud, maar gewoonlijk is het waar, dat leraren zelden zo bemind zijn en zoveel voorspoed hebben op hun arbeid in hun eigen land, als onder vreemden. De gemeenzaamheid uit de jongere jaren baart verachting, de bevordering van iemand, die tevoren als een mindere gold, brengt afgunst teweeg, en de mensen zijn niet licht geneigd om diegenen als gidsen voor hun ziel aan te nemen, wier vaderen zij gans bereid waren om met de honden der kudde te stellen. In zulk een geval moet men dit dus niet hard vinden, het is de gewone behandeling, het is de behandeling, die Christus werd aangedaan, en de wijsheid is uitnemend om naar elders te leiden.
2. Hij deed nog enig goed onder hen, in weerwil van de minachting, die zij Hem betoonden, want Hij is vriendelijk, zelfs voor de ondankbaren en bozen. Hij legde weinigen zieken de handen op, en genas hen. Het is edelmoedig en betamelijk voor de volgelingen van Christus, om zich tevreden te stellen met het genot en de voldoening van wèl te doen, al wordt er hun onrechtvaardiglijk de lof voor onthouden.
3. Toch kon Hij aldaar gene kracht doen, tenminste niet veel, niet zoals in andere plaatsen, vanwege het ongeloof, dat onder het volk heerste, door de vooroordelen, die hun leidslieden hun tegen Christus inbliezen, vers 5. Het is een vreemde uitdrukking, alsof het ongeloof aan de Almacht zelf de handen bond. Hij zou daar evenveel wonderen hebben willen doen als elders, maar Hij kon niet, omdat de mensen zich niet tot Hem wilden wenden, om Zijne gunst niet wilden vragen, Hij zou de wonderen hebben kunnen doen, maar zij hebben de eer verbeurd, dat Hij ze voor hen deed. Door ongeloof en minachting van Christus stremmen de mensen den stroom Zijner weldaden voor hen, en grendelen zij zelven hun deur.
4. Hij verwonderde zich over hun ongeloof, vers 6. Wij bevinden niet, dat Christus zich ooit verwonderde, behalve over het geloof der heidenen, die vreemdelingen waren, zoals de hoofdman over honderd, Mattheus 8:10, en de Samaritaanse vrouw, en over het ongeloof der Joden, die Zijne landslieden waren. Het ongeloof van hen, die van de middelen der genade genieten, is iets zeer verbazingwekkends.
5. Hij omging de vlekken daar rondom, lerende. Indien wij geen goed kunnen doen, waar wij het zouden willen, dan moeten wij het doen, waar wij het kunnen, en blijde zijn, als wij de gelegenheid hebben, al is het dan ook slechts in vlekken of dorpen, om Christus en de zielen te dienen. Soms vindt het Evangelie een beter onthaal in de dorpen van het platteland, waar minder rijkdom, pracht en weelde, werelds vermaak en sluwheid gevonden worden, dan in volkrijke steden.