Jakobus 1:13-18
I. Hier wordt ons geleerd, dat God niet de bewerker van de zonden der mensen is. Wie zij ook zijn, die vervolgingen tegen de mensen verwekken, en aan welke onrechtvaardigheid en zonden zij zich daarin ook mogen schuldig maken, God kan daarmee niet bezwaard worden. En tot welke zonden de godvrezenden zelf ook mogen aangezet worden door hun beproevingen en droefenissen, God is daarvan niet de oorzaak. Er wordt hier, naar het schijnt, ondersteld dat sommige belijders in de ure der verzoeking zullen vallen, dat het blijven der roede op hen sommigen tot verkeerde wegen zal doen gaan of de handen met ongerechtigheid doen bevlekken. Maar ofschoon dit het geval moge zijn en ofschoon zulke schuldigen mogen trachten de schuld van hun afwijking op God te leggen, toch valt de blaam van hun wangedrag geheel en uitsluitend op hen zelven. Want:
1. Er is in het wezen Gods niets, dat zij er van beschuldigen kunnen. Niemand, als hij verzocht wordt, om een verkeerden weg te gaan of een slechte daad uit te voeren, zegge: Ik word van God verzocht, want God kan niet verzocht worden van het kwade. Alle zedelijk kwaad moet toegeschreven worden aan enige wanorde in het wezen, dat het bedrijft, aan een gebrek aan wijsheid of aan kracht of aan zuiverheid van den wil. Maar wie kan den heiligen God beschuldigen dat Hij daaraan gebrek heeft, terwijl die juist Zijne eigenschappen zijn? Geen samenloop van omstandigheden kan ooit Hem in verzoeking brengen om zich zelven te onteren en te verloochenen, en daarom kan Hij nooit door het kwade verzocht worden.
2. Er is niets in de voorzienige beschikkingen van God, waardoor de blaam van enige zonde der mensen op Hem kan gelegd worden, vers 13. En Hij zelf verzoekt niemand. Gelijk God zelf niet tot het kwade kan verzocht worden, zo kan Hij ook niemand tot het kwade verzoeken. Hij kan niet de bewerker van het kwade zijn, dat in Zijn natuur niet ligt. De vleselijke geest is geneigd God de schuld van zijn eigen zonden te geven. Daar is iets erfelijks in. Onze eerste vader zei tot God: De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij verleid, en gaf daarmee eigenlijk aan God de schuld, want van Hem had hij de verleidster gekregen. Laat niemand zo spreken. Het is zeer slecht om te zondigen, maar het is nog slechter, om wanneer wij iets kwaads bedreven hebben, er God van te beschuldigen en te zeggen dat het door Zijn toedoen geschiedde. Zij, die den blaam van hun zonden leggen op hun gestel of op hun plaats in de wereld, of die beweren dat zij in de noodlottige noodzakelijkheid zijn om te zondigen, doen God onrecht, alsof Hij de bewerker der zonde ware. Droefenissen zijn, wanneer God ze ons zendt, bedoeld om onze deugden, en niet onze gebreken, te voorschijn te doen treden.
II. Ons wordt geleer d waar de ware oorzaak van het kwade ligt en waar de blaam behoort gelegd te worden. Maar een iegelijk wordt verzocht als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt, vers 14. De duivel wordt in de Schrift de verzoeker genoemd, en andere dingen kunnen soms ons verzoeken, maar noch de duivel noch enig ander persoon of ding moet zo beschuldigd worden als wij zelven, want de ware oorzaak van kwaad en verzoeking ligt in ons eigen hart. De brandstof is in ons: al wordt de vlam door een oorzaak van buiten ontstoken. En daarom : Zijt gij een spotter, gij zult het alleen dragen, Spreuken 9:12. Merk hier op:
1. Hoe de zonde verder gaat. Eerst trekt zij af, en daarna verlokt zij. Gelijk de heiligheid bestaat uit twee delen, afstand doen van het kwade en aanhangen van hetgeen goed is, zo zijn de beide omgekeerde dingen de twee delen van de zonde. Het hart wordt afgetrokken van hetgeen goed is en verlokt om aan te kleven hetgeen kwaad is. Het wordt eerst door bedorven denkbeelden, of door de begeerte en de gierigheid naar enig zinnelijk of werelds voorwerp, afgetrokken van het leven Gods en daarop trapsgewijze geleid in den weg der zonde.
2. De macht en de wijze van doen der zonde. Het woord, hier vertaald door afgetrokken, betekent een gewelddadig sleuren en meevoeren. Het woord, hier weergegeven door verlokt, is begoocheld, meegetroond door valse voorspiegelingen en verleidelijke voorstellingen der dingen, exelkomenos en deleazomenos. Door de macht des verderfs wordt veel geweld gepleegd aan het geweten en aan de ziel, en er is veel bedrog en misleiding en vleierij in de zonde, om ons aan haar zijde te krijgen. De kracht en het geweld der zonde zouden nooit de overhand verkrijgen, indien ze niet gepaard gingen met bedrog en vleierij. De zondaren, die verloren gaan, worden omgevoerd en gevleid tot hun eigen verderf. En dat zal God rechtvaardigen zelfs in hun verdoemenis, dat zij zich zelven verwoest hebben. De zonde ligt aan hun eigen deur, en daarom zal hun bloed op hun hoofd komen.
3. Het gevolg van het bederf in de harten, vers 15. Daarna de begeerlijkheid, ontvangen hebbende, baart zonde, dat is: zodra de zonde toegestaan wordt begeerte in ons te verwekken, zullen deze begeerten spoedig rijpen tot instemming, en dat wordt genoemd dat zij ontvangen heeft. De zonde bestaat werkelijk, maar in embryo. En wanneer het embryo zich ontwikkelt tot volle grootte, dan wordt de zonde in het leven tot daden gebracht. Houdt daarom de beginseltjes der zonde tegen, anders zullen al het kwaad en de ellende, die zij in zich bevat, ten volle over u komen.
4. Waar de zonde in eindigt. En de zonde, voleindigd zijnde, baart de dood. Nadat de zonde in daden naar buiten getreden is, is haar einde dat zij door gedurige herhaling van zulke daden versterkt wordt en ze daardoor tot gewoonte wordt. En wanneer zodoende de maat der ongerechtigheid van een mens vervuld is, wordt de dood veroorzaakt. Dan valt de dood over de ziel en het lichaam sterft. En buiten den geestelijken en tijdelijken dood, is de bezoldiging der zonde de eeuwige dood. Laat daarom de zonden berouwd en verzaakt worden, alvorens zij voleindigt. Waarom zoudt gij sterven, o huis Israël's? Ezechiël 33:11. God heeft geen lust in uw dood, evenmin als Hij de hand heeft in uw zonden, maar beide zonde en ellende hebt ge aan uzelven te wijten. De begeerlijkheden en het bederf van uw eigen hart zijn uw verzoekers, en wanneer zij u gaandeweg van God hebben afgetrokken, en de macht en de heerschappij der zonde in u voleindigd hebben, zullen zij blijken uw verwoesters te zijn.
III. Ons wordt verder geleerd dat, terwijl wij de bewerkers en uitvoerders van alle zonde en ellende zelven zijn, God de Vader van alles goeds is, vers 16, 17. Wij moeten zorgvuldig er tegen waken dat we niet dwalen in onze beschouwingen van God. Dwaalt niet, mijn geliefde broeders, mê planaasthe, dwaalt niet weg, namelijk van het Woord van God en hetgeen ge daarin van Hem geschreven vindt. Begeeft u niet in verkeerde gedachten, zwerft niet weg van de banier der waarheid van de dingen, die gij hebt ontvangen van den Heere Jezus en door de leiding des Geestes. De verkeerde denkbeelden van Simon en van de Nicolaieten (uit welken later een zeer zinnelijke en bedorven sekte: de Gnostieken, voortkwam), hebben den apostel zeer waarschijnlijk aanleiding gegeven tot deze ernstige waarschuwing. Zij, die meer daarvan wensen te weten, kunnen het eerste boek van Irenaeus, tegen de ketterijen, raadplegen. Laat bedorven mensen zich voorstellingen naar hun eigen lust maken, de waarheid, zoals die in Jezus is, is deze: God is niet, kan niet zijn, de bewerker en beschermer van enig kwaad, Hij moet erkend worden als de oorzaak en bron van alle goed. Alle goede gave en alle volmaakte gifte is van boven van den Vader der lichten afkomende, vers 17. Merk op:
1. God is de Vader der lichten. Het zichtbare licht van de zon en de overige hemelse lichamen, komt van Hem af. Hij zei: Daar zij licht, en er was licht. Zo wordt God ons tegelijkertijd voorgesteld als de Schepper van de zon, en in sommige opzichten bij haar vergeleken. Gelijk de zon dezelfde blijft wat haar natuur en invloed betreft. ofschoon de aarde en de wolken, dikwijls tussenbeide komende, haar voor ons zeer wisselvallig maken, door opgaan en ondergaan, door verschillende standen en door algehele verberging, van welk alles de oorzaak der veranderingen niet in haar ligt, zo is God onveranderlijk, en onze veranderingen en schaduwen en verbergingen, die wij ondervinden, komen uit ons zelven en niet uit Hem, bij wie gene verandering of schaduw van omkering is. De Vader der lichten. Wat de zon in de natuur is, dat is God in de genade, voorzienigheid en heerlijkheid, ja oneindig veel meer.
2. Alle goede gave is van Hem. Als de Vader der lichten geeft Hij het licht der rede.
De inblazing des Almachtigen maakt verstandig, Job 32:8. Ook geeft Hij het licht des verstands. Salomo's wijsheid in de kennis der natuur, in de kunst van regeren en in al zijn wetenschap worden aan God toegeschreven. Het licht der goddellijke openbaring komt meer onmiddellijk van boven. Het licht van geloof, reinheid en alle vertroosting komt van Hem. Zodat wij niets goeds hebben dan hetgeen wij van God ontvangen, en er is geen kwaad in ons en er wordt geen kwaad door ons gedaan, of wij hebben het ons zelven te wijten. Wij moeten God erkennen als de bewerker van alle macht en volmaaktheid, die in het schepsel zijn, en als de gever van alle zegeningen, die wij in en door deze krachten en volmaaktheden genieten. Maar van geen der donkerheden, onvolmaaktheden of verkeerde daden, die ons eigen zijn, mag de Vader der lichten beschuldigd worden, van Hem daalt alleen alle goede en volmaakte gift af, zo voor het tegenwoordige als het toekomende leven.
3. Gelijk elke goede gave van God komt, zo voornamelijk de vernieuwing onzer natuur, onze wedergeboorte, en al de heilige gelukkige gevolgen daarvan moeten aan Hem toegeschreven worden. Naar zijnen wil heeft Hij ons gebaard door het woord der waarheid, vers 18. Merk op:
A. Een waar Christen is een nieuwgeboren schepsel. Hij wordt een ander mens dan hij was voordat hij den vernieuwenden invloed der goddelijke genade onderging, hij wordt geheel nieuw gevormd en geboren.
B. De oorsprong van dat goede werk wordt hier verklaard: het komt voort uit Gods eigen wil, niet door onze bekwaamheid en macht, niet om enig goeds, tevoren in ons gezien of door ons gedaan, maar eniglijk naar het welbehagen en de genade Gods.
C. Het middel, waardoor dat doel bereikt wordt, is ons hier aangewezen, door het woord der waarheid, dat is het Evangelie, gelijk Paulus ons uitvoeriger zegt in 1 Corinthiërs 4:15. In Christus Jezus heb ik u gebaard door het Evangelie. Dit Evangelie is inderdaad een woord der waarheid, anders kon het nooit zulke werkelijke, zulke blijvende, zulke grote en edele gevolgen hebben. Wij mogen er op vertrouwen en het onze onsterfelijke zielen toevertrouwen. En wij zullen ondervinden dat het evenzeer een middel voor onze heiligmaking als een woord der waarheid is, Johannes 17:17. D. Het einddoel, waartoe God ons Zijn vernieuwende genade geeft, wordt hier blootgelegd: Opdat wij zijn zouden eerstelingen Zijner schepselen, dat wij Gods aandeel en schat zouden zijn, Zijn meer bijzonder eigendom, zoals de eerstelingen der dieren en vruchten waren, en opdat wij zouden heilig worden voor den Heere zoals de eerste vruchten Hem geheiligd werden. Christus is de eerstgeborene der Christenen, de Christenen zijn de eerstelingen der schepselen.