Handelingen 2:5-13
Wij hebben hier een bericht hoe er algemeen kennis werd genomen van de wonderbare gave, die zo plotseling aan de discipelen werd verleend. Merk op:
I. Den groten toeloop van mensen te Jeruzalem, er schijnen meer mensen geweest te zijn dan gewoonlijk op het pinksterfeest bijeenkwamen. Er waren Joden, te Jeruzalem wonende, Godvruchtige mannen, welgezind voor den Godsdienst, en die de vreze Gods voor ogen hadden (dat is de eigenlijke betekenis van het woord). Sommigen van hen waren proselieten der gerechtigheid, en waren besneden, toegelaten als leden der Joodse kerk, anderen waren slechts proselieten der poort, die van afgoderij aflieten, en zich tot de aanbidding van den waren God begaven, zonder zich aan de ceremoniële wetten te onderwerpen. Sommigen van dezen waren nu te Jeruzalem uit allen volke dergenen, die onder den hemel zijn, waarheen de Joden verstrooid waren, of van waar de proselieten gekomen waren. Het is ene hyperbolische uitdrukking, te kennen gevende, dat er mensen waren gekomen van de meesten der toenmaals bekende delen der wereld. Zo bekend als ooit Tyrus was, of Londen is, als het rendez-vous der kooplieden van alle plaatsen, zo was te dier tijd Jeruzalem de plaats van bijeenkomst voor Godsdienstige lieden uit alle delen der wereld. Laat ons nu:
1. Nagaan, wat sommigen van de landen waren, van waar die vreemdelingen gekomen zijn, vers 9-11, sommigen uit landstreken van het Oosten, zoals de Parthers, Meders, Elamieten en die inwoners zijn van Mesopotamië, de nakomelingen van Sem. Vandaar komen wij naar volgorde naar Judea, dat ook genoemd moest worden, want de discipelen spraken wel dezelfde taal als de inwoners van Judea, maar met een Noordelijken tongval, (Gij zijt een Galileër, uwe spraak maakt u openbaar), en nu spraken zij haar met evenveel juistheid en zuiverheid als de inwoners van Judea zelven. Dan komen de inwoners van Cappadocië, Pontus, en die landstreek bij Proponti, die inzonderheid Azië genoemd werd, en dat waren de landstreken, waarheen de vreemdelingen verstrooid waren. aan wie Petrus geschreven heeft, 1 Petrus 1:1. Daarna komen de bewoners van Frygië en Pamfylië, naar het Westen, de nakomelingen van Jafet, zoals ook de uitlandse Romeinen waren. Er waren ook enigen, die in het Zuidelijk deel van Egypte woonden, in de delen van Libië, hetwelk bij Cyrene ligt. Er waren ook sommigen van het eiland Kreta, en sommigen uit de woestijnen van Arabië, maar allen waren zij of Joden van afkomst, verstrooid in die landen: of proselieten, die den Joodsen Godsdienst hadden aangenomen, maar van deze landen geboortig waren. Dr. Whitby maakt de opmerking, dat de Joodse schrijvers uit dien tijd, zoals Philo en Josephus, van de Joden zeggen, dat zij over de gehele aarde woonden, en dat er geen volk op aarde is, onder hetwelk gene Joden wonen.
2. Nu kunnen wij vragen: wat heeft al deze Joden en Jodengenoten te dier tijd te Jeruzalem bijeen doen komen? Niet om er een kort bezoek bij gelegenheid van het pinksterfeest te brengen, want er wordt van hen gezegd, dat zij er woonden. Zij hebben er woningen genomen, omdat toenmaals algemeen de verschijning van den Messias verwacht werd, want Daniël's weken waren nu juist voorbij, de scepter was van Juda geweken, en algemeen geloofde men, dat het koninkrijk Gods terstond zou openbaar worden, Lukas 19:11. Dit bracht hen, die het ijverigst en het vroomst waren naar Jeruzalem, om er te wonen, opdat zij reeds vroeg deel zouden hebben aan het koninkrijk van den Messias en aan de zegeningen van dat koninkrijk. II. De verbazing, die deze vreemdelingen heeft aangegrepen, toen zij de discipelen in hun eigene taal hoorden spreken. Het schijnt, dat de discipelen in verschillende talen hebben gesproken, voordat de mensen uit die landstreken tot hen kwamen, want er wordt te kennen gegeven dat het de verspreiding was van het gerucht hiervan, dat de menigte samen bracht, inzonderheid die uit verschillende landen, die meer getroffen schijnen geweest te zijn door dit wonder, dan de inwoners van Jeruzalem zelf.
1. Zij maken de opmerking, dat de sprekers allen Galileërs zijn, die gene andere taal kennen dan hun moedertaal, vers 7, het zijn geminachte lieden, van wie gene geleerdheid of beschaving is te verwachten. God heeft het zwakke en dwaze der wereld verkoren, opdat Hij de wijzen en de sterken zou beschamen. Van Christus dacht men, dat Hij een Galileër was, en Zijne discipelen waren het, ongeleerde en onwetende mensen.
2. Zij erkennen, dat zij hun taal vloeiend en verstaanbaar spraken (en daarvan waren zij de meest bevoegde beoordelaars), zo juist en zo vloeiend, dat hun eigene landslieden haar niet beter spraken. Wij horen hen een iegelijk in onze eigene taal, in welke wij geboren zijn, vers 8, dat is: wij horen hen in onze eigene moedertaal spreken. De Parthers horen een hunner hun taal spreken, de Meders horen een ander, die hun taal spreekt, en zo met al de overigen, vers 11, Wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken. Hun respectieve talen waren te Jeruzalem niet slechts onbekend, maar waarschijnlijk ook geminacht en onderschat, en daarom was het niet slechts ene verrassing, maar ene aangename verrassing voor hen, om de taal van hun land te horen spreken, hetgeen zeer natuurlijk is voor personen, die zich als vreemdelingen in een vreemd land bevinden. De dingen, waarover zij de apostelen hoorden spreken, waren de grote werken Gods, megalei tou Theou. Het is waarschijnlijk dat de apostelen hebben gesproken van Christus en de verlossing door Hem, en de genade van het Evangelie en dat zijn inderdaad de grote dingen Gods, die altijd wonderlijk zullen zijn in onze ogen. Zij hoorden hen God loven voor deze grote dingen en het volk er in onderwijzen, in hun eigene taal, naar gelang zij bemerkten wat de taal was hunner hoorders, of van degenen, die hen ondervroegen. Nu waren zij, door enigen tijd te Jeruzalem verwijld te hebben, de Joodse taal wellicht genoeg machtig, om de discipelen te kunnen verstaan, indien zij die taal gesproken hadden, maar:
A. Het was wonderlijker, dat zij in hun eigene taal werden toegesproken, en het was ene hulpe om hun verstand te overtuigen, dat die leer uit God was, want de vreemde talen zijn tot een teken, niet degene die geloven, maar den ongelovigen, 1 Corinthiërs 14:22.
B. Het was ook vriendelijker en een middel om hun genegenheid te winnen, daar het een duidelijk teken was van de gunst, den Heidenen toegedacht, en dat de kennis en aanbidding van God niet langer beperkt bleef tot de Joden, maar dat de middelmuur des afscheidsels gebroken zou worden. En voor ons is dit een duidelijke wenk van de bedoeling Gods dat de heilige oorkonde van de grote werken Gods door alle volken in hun eigene taal bewaard zouden worden, en dat de Heilige Schrift gelezen, en de aanbidding Gods geschieden zou in de eigene taal van ieder volk.
3. Zij verwonderen er zich over en beschouwen het als iets verbazingwekkends, vers 12.
Zij ontzetten zich allen, zij waren buiten zich zelven, zoals de eigenlijke betekenis is van het woord, en zij waren in twijfel over de betekenis of bedoeling er van, of dit wellicht ook de inleiding was van het koninkrijk van den Messias, waarvan zij nu vol verwachting waren, en zij vroegen zich zelven en elkaar: ti an theloi touto etinai -wat is de strekking hiervan? Voorzeker is het om aan deze mannen de waardigheid te geven van boden des hemels, en daarom willen zij. zoals Mozes aan het braambos, zich daarheen wenden en dat grote gezicht bezien.
III. De versmaadheid waarmee het beschouwd werd door sommigen, die inboorlingen waren van Judea en Jeruzalem, waarschijnlijk schriftgeleerden en Farizeeën, en overpriesters, die altijd den Heiligen Geest hebben weerstaan.
Zij zijn vol zoeten wijns, zeiden zij, "zij hebben op dit feestgetij te veel gedronken", vers 13. Niet dat zij on zinnig genoeg waren om te denken, dat wijndampen naar het hoofd de mensen in staat stelt, om talen te spreken, die zij nooit geleerd hebben, maar daar zij Joden waren uit het Heilige Land, wisten zij niet, wat de anderen wèl wisten, dat hetgeen gesproken werd werkelijk de taal was van vreemde volken, en daarom beschouwden zij het als de brabbeltaal, zoals door dronkaards, deze zotten in Israël, soms gesproken wordt. Het was, als toen zij den vinger des Geestes niet wilden zien in Christus' wonderen, zij er zich van afmaakten met: Hij werpt duivelen uit door den overste der duivelen. En zo hebben zij, toen zij besloten waren de stem des Geestes in de prediking der apostelen niet te willen onderkennen, er zich van af gemaakt met dien uitroep: Zij zijn vol zoeten wijns. En daar zij den Heer des huizes een wijnzuiper hebben genoemd, is het geen wonder, dat zij Zijne huisgenoten ook aldus noemen.