Openbaring 5:1-5
Totnogtoe had de apostel alleen den groten God, den heerser over alle dingen gezien, maar nu:
I. Wordt hij verwaardigd met een gezicht van de wijzen Zijner regering, die alle neergeschreven zijn in het boek, dat God in de rechterhand houdt, en dat wij nu nader moeten beschouwen als gesloten en verzegeld in de hand Gods. Merk op:
1. De bedoelingen en handelingen van de goddelijke Voorzienigheid met de gemeente en met de wereld zijn vastgesteld en bepaald, er is besloten en er wordt gehandeld overeenkomstig hetgeen in dat boek geschreven staat. Het grote voornemen is bepaald, elk onderdeel geregeld, alles vastgesteld, elk ding werd afgekondigd en wordt ten uitvoer gelegd. Het oorspronkelijke is het boek van Gods besluiten, dat in Zijn eeuwigen geest verborgen ligt, maar er is een afschrift van, voor zoveel nodig als bekend gemaakt moest worden in de Heilige Schrift in het algemeen, in het profetische gedeelte daarvan in het bijzonder, en in deze profetie zeer bepaald.
2. God houdt dit boek in de rechterhand, om daarmee het gezag van dit boek te kennen te geven en Zijn bereidheid en beslistheid om alles uit te voeren wat het bevat, al den raad en de voornemens daarin geschreven.
3. Dit boek in de rechterhand Gods is gesloten en verzegeld, het is niemand bekend dan Hem zelven, totdat Hij toelaat dat het geopend wordt. Gode, en Hem alleen, zijn al Zijne werken bekend van den aanvang der wereld, maar het is Zijne heerlijkheid ene zaak te verbergen indien zulks Hem behaagt. De tijden en gelegenheden, en al hun grote gebeurtenissen, heeft Hij in Zijn eigen hand en macht gesteld.
4. Het is verzegeld met zeven zegelen. Dit zegt ons hoe onnaspeurlijk geheim Gods raad is, hoe ondoordringbaar voor het oog en het verstand der schepselen, en doelt evenzo op den zevenvoudigen inhoud van Gods besluiten. Elk deel heeft naar het schijnt zijn eigen zegel, en ontdekt, als het geopend wordt zijn eigen gebeurtenissen, deze zeven zegelen worden niet alle tegelijk opengebroken, maar geleidelijk, het ene toneel der Voorzienigheid leidt het andere in en verklaart het, totdat de gehele verborgenheid van Gods raad en weg met de wereld vervuld zal zijn.
II. Hij hoorde een oproeping met betrekking tot dit boek.
1. Deze oproeping werd gebracht door een sterken engel. Er zijn geen zwakken onder de engelen des hemels, maar er zijn veel zwakken onder de engelen der gemeente. Deze engel komt op, naar het schijnt, niet alleen als heraut, maar ook als kampvechter, met een uitdaging aan alle schepselen om hun kracht en wijsheid te tonen in het openen van de raadslagen Gods, en als kampvechter roept hij met luider stem, opdat alle schepselen hem mogen horen.
2. De oproeping of uitdaging is van den volgenden inhoud: Wie is waardig het boek te open en zijne zegelen open te breken? vers 2. Indien enig sterveling of schepsel meent dat hij instaat is om den raad Gods te verklaren en ten uitvoer te leggen, laat hem dan komen en de poging daartoe wagen! 3. Niemand in den hemel of op de aarde kon de uitdaging aannemen en de taak aanvaarden. Niemand in den hemel: niemand van de heerlijke engelen, ofschoon zij voor den troon Gods staan en de dienaren van Zijn voorzienigheid zijn, met al hun wijsheid kunnen zij toch niet indringen in de raadsbesluiten Gods.
Niemand op de aarde, geen van de wijste mensen, geen van de tovenaars of waarzeggers, geen van de profeten Gods dan voorzover God daartoe zijn geest verlicht. Ook niemand onder de aarde, geen van de gevallen engelen, geen van de afgestorvenen, ofschoon zij tot deze aarde terugkeren zouden, kan dit boek openen. Satan zelf, met al zijn listigheid, kan het niet doen. Geen der schepselen kan het boek openen of inzien, zij kunnen het niet lezen. God alleen kan dat.
III. Hij gevoelt zich daardoor zeer ontroerd, de apostel weende zeer, het was hem een grote teleurstelling. Hetgeen hij gezien had van Hem, die op den troon zat, had hem zeer begerig gemaakt om meer te zien van Zijn bedoeling en wil, deze begeerte, die voor het ogenblik onvoldaan bleef, vervulde hem met smart en ontlokte veel tranen aan zijn ogen. Merk op:
1. Zij, die in deze wereld het meest van God gezien hebben, zijn steeds begerig naar meer, zij, die Zijne heerlijkheid gezien hebben, zijn begerig Zijn wil te kennen.
2. De godvrezenden kunnen te begerig en te haastig zijn om in de verborgenheden van Gods leidingen in te zien.
3. Wanneer aan dat verlangen niet voldaan wordt, wekt het droefheid en smart. Uitgestelde hoop krenkt het hart.
IV. De apostel werd vertroost en bemoedigd door het vooruitzicht, dat het verzegelde boek toch zou geopend worden. Merk hier op:
1. Wie Johannes dezen wenk gaf. Een van de ouderlingen. God heeft het aan Zijn gemeente geopenbaard. Wanneer de engelen het niet versmaden om van de gemeente te leren, moeten zeker de dienaren het ook niet beneden zich achten. God kan maken als het Hem behaagt dat de gemeente haar leraren kan onderwijzen en nader inlichten.
2. Wie Hij was, die het doen zou... de Heere Jezus Christus, hier genoemd: de Leeuw, die uit den stam van Juda is, naar Zijn menselijke natuur, met heen wijzing naar de profetie van Jakob in Genesis 49:10, en de wortel David's, naar Zijn goddelijke natuur, ofschoon een spruit uit David naar het vlees. Hij, die God-mens is, en de bediening van Middelaar Gods en der mensen vervult, is machtig en waardig het boek te openen en Gods raadsbesluiten ten opzichte van de mensen uit te voeren. En Hij doet dit in Zijn middelaarsstaat en bevoegdheid, als de wortel David's en de nakomeling van Juda en als de koning en het hoofd van het Israël Gods. En Hij zal het doen tot vertroosting en blijdschap van al de Zijnen.