20. Ik bedoel die werking of inspanning van de sterkte van Zijn macht, die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, a) en heeft Hem gezet tot Zijn rechterhand in de hemel (
Handelingen 3:15;
7:55.
a) Psalm 110:1. Handelingen 2:34. 1 Corinthiërs 15:25. 1 Petrus 3:22. Heb
Elke zondaar is van nature onkunnen doend tot enig voor God behaaglijk goed werk. Vooral is hij geheel gekant tegen het geloof, omdat de trotsheid van het hart daarvan afkerig is, omdat men door het geloof zichzelf ten ene male moet verloochenen en Christus alleen de gehele eer van de zaligheid geven. Bijzonder waren de Joden en Heidenen in Paulus tijd van het geloof geheel afkerig, omdat de gekruiste Christus voor deze een dwaasheid was en voor de ander een ergernis. God had daarom aan de Christenen te Efeze, opdat zij zouden kunnen geloven, Zijn onbeperkt Alkunnen te koste moeten leggen. De apostel spreekt van de uitnemende grootheid van Zijn kracht naar de werking van de sterkte van Zijn macht. Het is alsof hij geen nadrukkelijke woorden, die een grote kracht te kennen geven, genoeg kan uitdenken, om, door opéénstapeling daarvan het verbazende van het goddelijk Alkunnen doen te beschrijven, dat er nodig is, om zondaren tot het geloof te bewerken. Hij spreekt van een macht, die God gewrocht heeft, in of over Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, om daardoor aan te duiden dat er geen mindere werking van Gods onbeperkt Alkunnen vereist werd om een zondaar tot het geloof te bewegen als er nodig was om Christus uit de doden op te wekken. Dit moesten de Efezische Christenen weten en daartoe hadden zij de verlichting van de Heilige Geest nodig, opdat zij de genade van het geloof, waarmee zij verwaardigd waren, niet aan zichzelf, maar alleen aan Gods kracht zouden toeschrijven.
In de opstanding van Christus evenzeer als in onze zaligheid werd er niets minder dan een goddelijke kracht in werking gebracht. Wat zullen wij zeggen van hen, die menen dat de bekering door de vrije wil van de mensen teweeg wordt gebracht, of haar toeschrijven aan zijn eigen betere gezindheid? Wanneer wij de doden uit eigen kracht uit hun graven zien opstaan, dan zullen wij ook kunnen verwachten dat goddeloze zondaars uit hun eigen vrije wil zich tot God zullen keren. Het is niet het verkondigde woord, noch het gelezen woord, alle levenwekkende kracht ontspringt alleen uit de Heilige Geest. Deze kracht is onweerstaanbaar. Al de soldaten en de overpriesters konden het lichaam van Jezus niet in het graf houden, zelfs de dood kon Christus niet in zijn banden bewaren; net zo onweerstaanbaar is de kracht, die in de gelovige wordt volbracht, wanneer hij tot nieuwheid van het leven wordt opgewekt. Geen zonde, geen verderf, geen duivels in de hel noch zondaars op de aarde kunnen de hand van Gods genade tegenhouden, wanneer zij zich opmaakt om een zondaar te bekeren. Als God in Zijn almacht zegt: "u zult", zal de mens niet zeggen: "ik wil niet". Bedenk dat de kracht, die Christus opwekte van de doden, heerlijk was. Zij bracht God eer aan en verschrikking onder de legermachten van de Boze. Zo wordt God grotelijks verheerlijkt door de bekering van elke zondaar. Het was een eeuwige kracht, Christus opgewekt zijnde, sterft niet meer; de dood heeft over Hem geen macht. Evenmin zullen wij, van de dood opgewekt, niet terugvallen tot onze dode werken, noch het verderf, dat eertijds in ons woonde, maar wij zullen voor God leven. Omdat Hij leeft, leven ook wij. Want wij zijn gestorven en ons leven is met Christus verborgen in God. Evenals Christus opgewekt is van de dood door de heerlijkheid van de Vader, evenzo wandelen wij in nieuwheid van het leven. Merk eindelijk op de onafscheidbaarheid van het leven en gemeenschap met Jezus. Dezelfde kracht, die het hoofd van de doden opwekte, werkt ook in de leden. Wat een zegen om met Christus levend gemaakt te zijn.