Hebreeën 10:7-18
Hier verheft de apostel den Heere Jezus Christus zo hoog als hij het levitische priesterschap gering geacht heeft. Hij beveelt Christus aan als den waren hogepriester, de ware verzoenende offerande, het antitype van al de andere, en hij licht dit toe:
I. Uit het voornemen en de belofte van God betreffende Christus, die beschreven zijn in de rol des boeks van God, vers 7. God heeft niet alleen besloten, maar ook door Mozes en de profeten verklaard, dat Christus zou komen en de hogepriester van Zijne gemeente zijn, en dat Hij een volmaakte en volmakende offerande zou brengen. Het was van Christus geschreven in het begin des boeks van God, dat het Zaad der vrouw den kop der slang vermorzelen zou, en het Oude Testament vloeit over van voorzeggingen aangaande Christus. Aangezien Hij nu de persoon is, zolang door het volk van God verwacht, zo dikwijls beloofd en zo voortdurend besproken, behoort Hij met grote eer en dankbaarheid ontvangen te worden.
II. Uit hetgeen God gedaan heeft door voor Christus een lichaam, dat is een menselijke natuur, te bereiden, opdat Hij bevoegd zou zijn om onze Verlosser en Voorspraak te worden, de twee naturen in Zijn eigen persoon verenigende, was Hij een geschikte Middelaar tussen God en de mensen, een scheidsrechter, die op beiden de hand legde, een vredemaker, die hen met elkaar verzoende en een eeuwigen band van vereniging tussen God en het schepsel legde. Gij hebt mij de oren doorboord , Gij hebt mij volledig onderricht en mij bekwaam en geschikt gemaakt voor het werk en er mij voor aangenomen, Psalm 40:7. Derhalve: een Zaligmaker op zo buitengewone wijze door God zelven bekwaam gemaakt, moet met grote liefde en blijdschap ontvangen worden.
III. Uit de bereidheid en gewilligheid, waarmee Christus het werk aanvaardde, toen geen andere offerande kon aangenomen worden, vers 7-9. Toen geen mindere offerande dan die van Christus zelven een geschikte voldoening van Gods gerechtigheid kon zijn, kwam Christus vrijwillig er toe. Zie, Ik kom om Uwen wil te doen, o God. Laat Uw vloek op mij vallen' maar laat hen vrij uitgaan. Vader, Ik verheug mij er in uw raad te vervullen, en voor hen mijn verbond met U na te leven, Ik verheug mij er in al de beloften en al de profetieën te vervullen. Dit moet ons Christus en onzen Bijbel dierbaarder maken, dat wij in Christus de vervulling der Schrift hebben.
IV. Uit de zending en het doel, waarmee Christus kwam. Dat was om den wil van God te doen. Niet enkel als profeet den wil van God mede te delen, niet enkel als koning goddelijke wetten af te kondigen, maar als priester de eisen der gerechtigheid te voldoen en alle gerechtigheid te vervullen. Christus kwam om den wil van God te doen in twee opzichten.
1. Door het eerste priesterschap af te schaffen, waarin God geen welbehagen had, niet alleen om den vloek van het verbond der werken weg te nemen en het vonnis, tegen ons zondaren uitgesproken, teniet te doen, -maar om dat onvoldoende typische priesterschap af te schaffen en het handschrift van ceremoniële bevelen uit te wissen en aan het kruis te nagelen.
2. Door het tweede priesterschap in te stellen, dat is: Zijn eigen priesterschap en het eeuwige Evangelie, de zuiverste en volkomenste bedeling van het genadeverbond, dat was het doel waarop God van alle eeuwigheid het oog had gehad. De wil van God trekt zich daarin samen en is daarin volmaakt, en het is niet meer overeenstemmend met den wil van God dan voordelig voor de zielen der mensen, want in dien wil zijn wij geheiligd door de offeranden des lichaams van Jezus Christus, eenmaal geschied, vers 10. Merk op:
A. Wat de bron is van alles, wat Christus voor Zijn volk gedaan heeft. Dat is de vrijmachtige wil en genade van God.
B. Hoe wij deel verkrijgen aan hetgeen Christus voor ons gedaan heeft. Door geheiligd, bekeerd, daadwerkelijk geroepen te worden, daardoor worden wij verenigd met Christus en krijgen wij deel aan de zegeningen Zijner verzoening, en deze voldoening is het gevolg van Zijne toewijding van zich zelven aan God.
V. Uit de volkomen kracht van het priesterschap van Christus, vers 14. Want met ene offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden. Hij heeft bevrijd en zal volkomen bevrijden allen, die tot Hem gebracht worden, van alle schuld, macht en straf der zonden, en zal hen stellen in het zekere bezit van volmaakte heiligheid en gelukzaligheid. Dat kon het levitische priesterschap nooit doen, en indien wij werkelijk verlangen naar volmaaktheid, moeten wij den Heere Jezus aannemen als den enigen hogepriester, die ons daartoe brengen kan.
VI. Uit de plaats, waartoe de Heere Jezus nu is verhoogd, de eer die Hij daar geniet en de toekomstige eer die Hij daar hebben zal.
Deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand Gods, voorts verwachtende totdat Zijne vijanden gesteld worden tot een voetbank Zijner voeten, vers 12-13. Merk hier op:
1. Tot welke eer Christus, als mens en Middelaar, verhoogd is, -aan de rechterhand Gods, den zetel van macht, deelgenootschap en werkzaamheid, de werkende en gevende hand, al de gunsten, die God aan Zijn volk verleent, worden hun overhandigd door Christus, de ontvangende hand, al de werken, die God van mensen aanneemt, worden Hem door Christus aangeboden, de werkende hand, al wat tot het koninkrijk van voorzienigheid en genade behoort, wordt door Christus beheerd, en daarom is dat de hoogste ereplaats.
2. Hoe Christus tot deze eer kwam. Niet alleen door het voornemen of de gift des Vaders, maar door Zijn eigen verdiensten en werkzaamheid, als een beloning Hem voor Zijn lijden verschuldigd, en daar Hij nooit beroofd kan worden van een Hem zo wettig verschuldigde eer, zal Hij haar nimmer verliezen en nimmer ophouden haar ten goede van Zijn volk te besteden.
3. Hoe Hij deze eer geniet. Met de grootste voldoening en rust, Hij is daar in eeuwigheid gezeten. De Vader berust in Hem en is door Hem voldaan, Hij is voldaan door Zijns Vaders wil en tegenwoordigheid, dit is Zijne rust voor eeuwig, hier zal Hij wonen, deze heeft Hij begeerd en verdiend. 4 Hij heeft verdere verwachtingen, waarin Hij niet teleurgesteld zal worden, want zij zijn gegrond in de belofte Zijns Vaders, die tot Hem gezegd heeft: Zit aan Mijne rechterhand, totdat Ik Uwe vijanden zal gesteld hebben tot een voetbank Uwer voeten, Psalm 110:
1. Men zou denken dat iemand als Christus geen vijanden hebben kon behalve in de hel, maar het is zeker dat Hij vijanden heeft op aarde, vele en zeer kwaadaardige vijanden. Christenen moeten er dus niet over verwonderd zijn, dat ook zij hun vijanden hebben, ofschoon zij begeren in vrede te leven met alle mensen. Maar de vijanden van Christus zullen tot Zijn voetbank gesteld worden, sommigen door bekering, anderen door overwinning, en, op welke wijze het ook geschiedt, Christus zal er door verheerlijkt worden. Van Christus wordt gezegd, dat Hij is verwachtende, en Zijn volk behoort zich in deze verwachting te verheugen, want wanneer Zijne vijanden onderworpen worden, zullen hun vijanden, die dat om Zijnentwil zijn, evenzeer onderworpen worden.
VII. De apostel wijst op de getuigenissen, welke de Heilige Geest in de Schrift omtrent Christus afgelegd heeft, en die hebben voornamelijk betrekking op de gelukkige vruchten en gevolgen van Zijne vernedering en Zijn lijden, welke dat nieuwe en genadige verbond zijn, dat gegrond is op Zijne voldoening en bekrachtigd met Zijn bloed, vers 15. En de Heilige Geest getuigt het ons ook. En nu volgt de aanhaling uit Jeremia 31:31, waar God omtrent het verbond belooft:
1. Dat Hij Zijn Geest zal uitgieten over Zijn volk, om hun te geven wijsheid en kracht om Zijn woord te gehoorzamen, Hij zal Zijne wetten geven in hun harten en die inschrijven in hun verstanden, vers 16. Dat zal hun het volbrengen van hun plichten helder, gemakkelijk en aangenaam maken.
2. Dat Hij hun zonden en ongerechtigheden geenszins meer gedenken zal, vers 17, hetgeen aantoont den rijkdom der goddelijke genade en de volkomenheid van het offer van Christus, dat niet behoeft herhaald te worden, vers 18. Want er zal van de zonden geen gedachtenis meer zijn tegen de ware gelovigen, niet om hen hier te beschamen of om hen hiernamaals te veroordelen. Dat was veel meer dan het priesterschap en de offeranden van de levitische wet konden teweegbrengen. En nu hebben wij het leerstellig gedeelte van den brief doorgelezen, waarin wij hebben gevonden vele dingen duister en zwaar om te verstaan, hetgeen wij moeten toeschrijven aan de zwakheid en traagheid onzer zielen. De apostel gaat nu over tot de toepassing van dit grote leerstuk, met het doel om hun liefde op te wekken en hun levenswandel te leiden, en stel hun daartoe de waardigheden en de plichten van de Evangelische bedeling voor ogen.