Lukas 3:1-14
Daar de doop van Johannes een nieuwe bedeling inleidde, was het nodig dat er ons een bijzonder bericht van gegeven werd. Heerlijke dingen waren van Johannes gezegd, hoe hij een zeer bijzonder gunstgenoot des hemels zou wezen en een grote zegen voor deze aarde, Hoofdstuk 1:16, 17, maar wij lieten hem in de woestijnen, en daar bleef hij tot den dag zijner vertoning aan Israël, Hoofdstuk 1:80. Nu breekt die dag dan eindelijk aan, en zeer welkom was hij aan hen, die er op wachtten meer dan zij wachtten op den morgen. Merk hier op:
I. Den datum van het begin van den doop van Johannes, wanneer het was dat hij verscheen. De andere evangelisten zijn dit stilzwijgend voorbijgegaan, maar hier wordt het bericht, opdat de waarheid der zaak bevestigd worde. door de nauwkeurige opgave van den tijd, wanneer zij plaatshad. En die tijd wordt hier aangeduid.
1. Door de regering der heidenen, waaronder de Joden zich toen bevonden, om aan te tonen dat zij een overwonnen volk waren, en het nu dus de tijd was dat de Messias moest komen om op het puin der tijdelijke waardigheid en heerschappij van David en Juda een geestelijk en eeuwig koninkrijk op te richten.
a. Het tijdstip word aangeduid door de regering van den Romeinsen keizer, het was in het vijftiende jaar van Tiberius Caesar, den derden van de twaalf keizers, een zeer slecht mens, overgegeven aan hebzucht, dronkenschap en wreedheid. Zulk een man, zegt Dr. Lightfoot, wordt het eerst genoemd, om ons, als het ware, te leren wat wij te verwachten hebben van die wrede en afschuwelijke stad, waar Satan in alle eeuwen heeft geheerst en geregeerd. Na een lange worsteling was het volk der Joden overwonnen en hun land een provincie van het rijk geworden. Nu waren zij onder de heerschappij van Tiberius, en het land, dat eenmaal onder de regering van David en Salomo tot zo hoog aanzien was gekomen, zodat onderscheidene volken er schatplichtig aan waren geworden, is thans zelf tot een onbeduidend, verachtelijk wingewest van het Romeinse rijk verlaagd en meer vertreden en verdrukt dan beroemd. Een voorbeeld van het woord: -"En quo discordia cives Perduxit miseros -,'Welke ontzettende gevolgen uit burgerlijke onenigheden voortvloeien! De wetgever was nu van tussen de voeten van Juda geweken, en als blijk hiervan, da teren hun openbare daden en handelingen van de regering van den Romeinsen keizer, en daarom moet nu de Silo komen. b Zij wordt gedateerd door de regeringen der onderkoningen, die, onder den Romeinsen keizer, de onderscheidene delen van het Heilige Land bestuurden, hetgeen nog een ander kenteken was van hun onderwerping, want allen waren zij vreemdelingen, hetgeen wel op een treurige verandering wijst van dat volk, wiens heersers uit hen zelven plachten te wezen, Jeremia 30:21, en dit was hun eer. Hoe is het goud zo verdonkerd! Pilatus wordt hier genoemd als stadhouder, president, of procurator, van Judea. Sommige schrijvers stellen hem voor als een slecht man, die geen bezwaar had om leugens te spreken. Hij heeft slecht geregeerd, en werd ten laatste afgezet door Vitellius, president van Syrië, en naar Rome gezonden om zich wegens zijn slecht beheer te verantwoorden. De andere drie worden viervorsten genoemd, volgens sommigen naar de landen, die zij bestuurden, daar zij ieder een vierdedeel uitmaakten van hetgeen geheel en al onder het bestuur van Herodes de Grote geweest was. Anderen denken dat zij aldus genoemd worden naar den erepost, dien zij in de regering bekleedden, zij hadden de vierde plaats, of waren regeerders van den vierden rang: de keizer was de eerste, de proconsul, die ene provincie bestuurde, de tweede, een koning de derde, en een viervorst de vierde. Dat is de mening van Dr. Lightfoot. 2, Door de regering der Joden onder hen zelven, om te tonen dat zij een verdorven volk waren, en dat het dus tijd was voor den Messias om te komen en ene hervorming onder hen teweeg te brengen, vers 3. Annas en Kajafas waren hogepriesters. God had verordineerd dat er maar een hogepriester op een tijd zou wezen, maar hier waren twee tegelijk, die, volgens sommigen, om het andere jaar dienst deden. De een was de hogepriester, en de andere de sagan, zoals de Joden hem noemden, om den dienst voor hem waar te nemen als hij ziek was, of, gelijk anderen zeggen: de een was hogepriester en vertegenwoordigde Aàron, en dat was Kajafas. Annas, de andere, was nasi, of hoofd van het sanhedrin, en vertegenwoordigde Mozes. Maar voor ons is er slechts een hogepriester, een Heere over allen, aan wie al het oordeel is overgegeven.
II. De oorsprong en strekking van den doop van Johannes.
1. De oorsprong was uit den hemel. Het woord Gods geschiedde tot Johannes, vers 2. Hij heeft van God de volle opdracht en de volledige instructies ontvangen om te doen wat hij deed. Het is dezelfde uitdrukking, die gebruikt wordt betreffende de profeten des Ouden Testaments, Jeremia 1:2, want Johannes was een profeet, ja meer dan een profeet, in hem is de profetie herleefd, die zo langen tijd had opgehouden. Er wordt ons niet gezegd hoe het woord des Heeren geschiedde tot Johannes, of het was door een engel, zoals bij zijn vader, of door een droom, of visioen, of stem, maar het was op ene wijze, die voor hem voldoende was, en dat moet zij ook voor ons wezen. Johannes wordt hier genoemd de zoon van Zacharias, om ons te verwijzen naar hetgeen de engel zei tot zijn vader, toen hij hem de verzekering gaf, dat hij een zoon zou hebben. Het woord des Heeren geschiedde tot hem in de woestijn, want hen, die God bekwaam maakt voor Zijn dienst, zal Hij weten te vinden, waar zij ook zijn. Gelijk het woord Gods niet gebonden is in een gevangenis, zo is het ook niet verloren in een woestijn. Het woord des Heeren heeft zich een weg gebaand om tot Ezechiël te komen onder de gevangenen bij de rivier van Chebar, en tot Johannes op het eiland Patmos. Johannes was de zoon eens priesters, hij was nu zijn dertigste jaar ingetreden, en dus kon hij naar de gewoonte van den tempel nu tot den tempeldienst worden toegelaten, waar hij vijf jaren als kandidaat tot die waardigheid de diensten had moeten bijwonen. Maar God had hem tot een eervoller dienst geroepen, en daarom wordt hij, niet ingeschreven zijnde in de archieven van den tempel, door den Heiligen Geest hier opgetekend en vermeld als: Johannes, de zoon van Zacharias, begon zijne bediening op zulke tijd.
2. Het doel zijner bediening was al het volk dezes lands weg te leiden van hun zonden en te doen wederkeren tot hun God, vers 3. Hij kwam in al het omliggende land der Jordaan, de omgeving zijner woonplaats, het deel des lands, dat het eerst door de Israëlieten in bezit was genomen, toen zij onder aanvoering van Jozua het Land der Belofte binnenkwamen. Daar werd de Evangeliebanier het eerst opgericht. Johannes woonde in het eenzaamste gedeelte des lands, maar toen het woord des Heeren tot hem geschiedde, verliet hij zijne woestijnen en kwam in het bewoonde gedeelte des lands. Zij, die het liefst in de afzondering zijn, moeten haar goedsmoeds verlaten als God hen naar de woelige plaatsen roept. Hij kwam uit de woestijn in al het omliggende land met enige kentekenen van onderscheiding, predikende een nieuwen doop, niet een sekte, of partij, maar ene belijdenis of onderscheidend kenteken. Het teken, of de plechtigheid was een zodanige als onder de Joden in gewoon gebruik was, wassing met water, waardoor soms Jodengenoten werden toegelaten, of aangenomen, of ook wel discipelen van den een of anderen vermaarden leraar, maar de betekenis was bekering tot vergeving der zonden, dat is: allen, die zich aan zijn doop onderwierpen: a. Waren hierdoor verplicht om zich te bekeren van hun zonden, berouw te hebben van hetgeen zij verkeerds gedaan hadden, en het niet weer te doen. Het eerste beleden zij, en het was van groot belang voor hen om oprecht te zijn in hun belijdenis, het laatste beloofden zij, en het was in hun belang om hun belofte te houden. Hij legde hun de verplichting op, niet van ceremoniële handelingen, zoals de ouden ze voorschreven, maar om hun hart en hun levenswijze te veranderen, al hun overtredingen van zich weg te werpen, een nieuw hart te verkrijgen en een nieuw leven te leiden. Het doel van het Evangelie, dat nu begon, was de mensen vroom en Godvruchtig te maken, heilig en hemelsgezind, ootmoedig en zachtmoedig, sober en kuis, rechtvaardig en eerlijk, barmhartig en vriendelijk, goed in elke zin, die vroeger gans anders waren, en dat is: zich te bekeren.
b. Hierdoor waren zij verzekerd vergeving hunner zonden te zullen ontvangen nadat zij zich bekeerd zouden hebben. Gelijk de doop, dien hij hun toediende, hen verplichtte om zich niet aan de macht der zonde te onderwerpen, zo heeft hij hun de genadige kwijtschelding verzegeld van de schuld der zonde. Bekeert u van al uwe overtredingen, zo zal de ongerechtigheid u niet tot een aanstoot worden, in overeenstemming met het woord des Heeren door de Oud Testamentische profeten, Ezechiël 18:30.
III. De vervulling der Schrift in de bediening van Johannes. De andere evangelisten verwezen ons naar dezelfden tekst, waarnaar hier verwezen wordt, namelijk Jesaja 40:3. Het is geschreven in het boek der woorden van Jesaja, den profeet, die hij hoorde van God, die hij sprak voor God, die woorden, welke geschreven werden voor de toekomende geslachten. Onder dezen wordt gevonden dat er ene stem des roependen in de woestijn zou wezen, Johannes is die stem, een heldere, duidelijke stem, een luide stem, een verstaanbare stem, hij roept: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijne paden recht! Het werk van Johannes is den weg te banen voor het Evangelie naar het hart der mensen, hen in zulk een gemoedsstemming te brengen, dat Christus hun welkom is en zij welkom zijn aan Christus. Lukas is breedvoeriger in de aanhaling dan Mattheus en Markus, en past ook de volgende woorden op Johannes' bediening toe, vers 5, 6. Alle dal zal gevuld worden. Dr. Hammond verstaat dit als ene voorzegging van de verwoesting, die over het volk der Joden komen zou wegens hun ongeloof. Het land zal door de schansgravers van het Romeinse leger effen gemaakt worden, en door hen worden verwoest, en dan zal er een zichtbaar onderscheid gemaakt worden tussen de onboetvaardigen aan den enen kant en de gelovige aannemers aan het Evangelie van Christus van den anderen kant.
1. De nederigen zullen er door verrijkt worden met genade: Alle dal, dat laag ligt, zal gevuld en verhoogd worden.
2. De hoogmoedigen zullen er door vernederd worden, die op zich zelven betrouwen, de verwaanden, die hun eigen hoofd verheffen, zullen versmaadheid over zich zien uitgestort. Alle berg en heuvel zal vernederd worden. Indien zij zich bekeren, worden zij vernederd in het stof, indien niet, tot in de diepste hel.
3. Zondaren zullen tot God worden bekeerd: De kromme wegen zullen tot een rechten weg worden, en evenzo ook de kromme, gekronkelde neigingen des harten, want hoewel niemand recht kan maken wat God krom gemaakt heeft, Prediker 7:13, kan God toch door Zijne genade recht maken wat de zonde krom gemaakt heeft. 4. Moeilijkheden, die hinderend en ontmoedigend waren op den weg naar den hemel, zullen weggeruimd worden: de oneffen wegen zullen tot effen wegen gemaakt worden, en zij, die Gods wet beminnen, zullen groten vrede hebben, en geen aanstoot. Het Evangelie heeft den weg naar den hemel vlak gemaakt en gemakkelijk te vinden, effen en gemakkelijk om er op te wandelen.
5. De grote zaligheid zal meer ten volle ontdekt worden dan ooit tevoren, en die ontdekking zal zich veel verder verspreiden, vers 6, Alle vlees zal de zaligheid Gods zien, niet slechts de Joden, maar ook de heidenen. Allen zullen haar zien, zij zal hun voorgesteld en aangeboden worden, mensen van allerlei soort zullen haar zien, haar genieten en er het voorrecht en voordeel van hebben. Als door het gevangen-leiden van alle hoge gedachten tot de gehoorzaamheid van Christus, en door het vlak- maken der ziel en de verwijdering van alle hindernissen, die den weg versperren voor Christus en Zijne genade, een weg is gebaand voor het Evangelie naar het hart, bereidt u dan om de zaligheid Gods welkom te heten.
IV. Zijn algemene waarschuwingen en vermaningen aan hen, die zich onderwierpen aan zijn doop, vers 7-9, In Mattheus wordt gezegd, dat hij dezelfde dingen zei tot velen van de Farizeeën en Sadduceeën, die tot zijn doop kwamen, Mattheus 3:7-10, maar hier wordt gezegd dat hij dit zei tot de scharen, die uitkwamen om van hem gedoopt te worden, vers 7. Het was de strekking van zijne prediking voor allen, die tot hem kwamen, en hij heeft haar ten genoege der Farizeeën en Sadduceeën niet veranderd of gewijzigd, als zij tot hem kwamen, neen, hij sprak even duidelijk en openhartig voor hen als voor zijn andere hoorders. En gelijk hij de groten niet vleide, zo heeft hij ook de scharen niet gevleid of hun het hof gemaakt. Hij heeft de zonde bestraft in de scharen, zowel als in de Farizeeën en Sadduceeën, en allen heeft hij gelijkelijk gewaarschuwd tegen den toekomenden toorn, want indien zij niet allen dezelfde fouten hadden, zij hadden er toch, die even erg waren. Merk hier nu op:
1. Dat het schuldige, verdorven geslacht der mensheid een adderengebroedsel is geworden, niet slechts vergiftigd, maar giftig, hatelijk bij
God, en elkaar hatende. Dit verheerlijkt het geduld Gods, Zijne lankmoedigheid, waardoor Hij het menselijk geslacht op aarde laat voortbestaan en dit addernest niet heeft uitgeroeid. Eens heeft Hij het gedaan door water, en Hij zal het weer doen door vuur. 2 Dit adderengebroedsel ontvangt den raad, om te vlieden voor den toekomenden toorn die hen stellig wacht, indien zij blijven wat zij zijn, en het feit, dat zij een schare, een menigte vormen, zal hun volstrekt gene beveiliging zijn, want voor God zal het noch een smaad, noch een verlies zijn om hen af te snijden. Wij worden niet slechts voor dien toorn gewaarschuwd, maar ook op den weg gesteld om hem te ontvlieden, zo wij slechts bijtijds uitzien. 3.. Den toekomenden toorn kunnen wij niet anders ontvlieden dan door bekering. Zij, die zich onderwerpen aan den doop der bekering, hebben hiermede het bewijs geleverd, dat zij gewaarschuwd werden om den toorn te ontvlieden, en dat zij de waarschuwing ter harte genomen hebben, en door onzen doop belijden wij, dat wij uit Sodom gevlucht zijn uit vrees voor hetgeen over ons komen zou. 4.. Zij, die belijden bekeerd te zijn, moeten als bekeerden en boetvaardigen leven, vers 8.
Brengt dan vruchten voort der bekering waardig, want anders zult gij, niettegenstaande uwe belijdenis van bekering, den toekomenden toorn niet kunnen ontvlieden. Uit de vruchten der bekering zal blijken, of zij al of niet oprecht is. Door de verandering onzer levenswijze moet de verandering blijken van onze gezindheid des harten. 5.. Indien wij in hart en leven niet werkelijk heilig zijn, zal onze belijdenis van den Godsdienst en onze betrekking tot God en Zijne kerk ons van generlei nut zijn. Begint nu niet u van dezen groten plicht der bekering voor verontschuldigd te houden door bij uzelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader. Wat zal het ons baten, kinderen te zijn van Godvruchtige ouders, als wij zelf niet Godvruchtig zijn, tot de kerk te behoren, als wij niet werkelijk in het verbond zijn opgenomen? 6.. Wij hebben dus geen reden om te steunen op onze uitwendige voorrechten en onze uitwendige belijdenis van den Godsdienst, want God heeft ons of onze diensten niet van node, Hij kan zonder ons voor Zijn eigen eer en Zijne belangen volkomen zorgen en ze veilig bewaren. Indien wij afgesneden en verdaan werden, zou Hij zich ene kerk kunnen formeren uit hetgeen ons het onmogelijkst of onwaarschijnlijkst toeschijnt, zelfs uit stenen kan Hij Abraham kinderen verwekken. 7.. Hoe ernstiger belijdenis wij afleggen van bekering, hoe meer hulp en bemoediging wij ontvingen voor onze bekering, hoe zwaarder en ontzettender ons verderf zal zijn, als wij geen vruchten voortbrengen der bekering waardig. Nu het Evangelie begint gepredikt te worden, nu het koninkrijk der hemelen nabij is, nu is het, dat de bijl aan den wortel der bomen is gelegd. Bedreigingen tegen de goddelozen en onboetvaardigen zijn nu schrikkelijker dan tevoren, evenals de bemoedigingen voor de boetvaardigen nu troostrijker zijn. Ziet dan nu toe, hoe gij u gedraagt. 8.. Onvruchtbare bomen zullen ten laatste in het vuur worden geworpen: dat is er de geschiktste plaats voor. Alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen, en in het vuur geworpen. Indien hij niet dient, om tot eer van Gods genade vrucht voort te brengen, zo laat hem dan dienen tot brandstof tot eer van Zijne gerechtigheid.
V. De bijzondere onderrichtingen, die hij gegeven heeft aan onderscheidene personen, die een onderzoek bij hem instelden naar hun plichten: het volk, of de scharen, de tollenaren en de krijgslieden. Sommigen van de Farizeeën en Sadduceeën kwamen tot zijn doop, maar wij bevinden niet dat zij vragen: Wat zullen wij doen? Zij dachten dat zij wisten wat zij te doen hadden, evengoed als hij het hun kon zeggen, of wel, zij waren besloten te doen wat zij wilden, niettegenstaande alles wat hij hun zou zeggen. Maar de scharen, de tollenaren en de krijgslieden, die wisten dat zij onrecht hadden gedaan, en hadden beter moeten doen, en zich ook bewust waren van grote onwetendheid en onbekendheid met de wet Gods, waren zeer bijzonder begerig om die dingen na te vorsen : Wat zullen wij doen? Zij, die gedoopt zijn moeten onderwezen worden, en die hen gedoopt hebben, moeten elke gelegenheid aangrijpen om hen te onderwijzen, Mattheus 28:19, 20. Zij, die in het algemeen bekering belijden en bekering beloven, moeten hiervan doen blijken door bijzondere voorbeelden en bewijzen van een veranderde levenswijze, van een verbetering van gedrag en wandel, al naar hun plaats en positie dit medebrengen. Zij, die hun plicht wensen te doen, moeten hun plicht kennen en er navraag naar doen. Het eerste goede woord, dat Paulus na zijne bekering heeft gesproken, was: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? Dezen hier, vragen niet: "Wat zal die man doen?" maar "Wat zullen wij doen?" Welke vruchten, der bekering waardig, zullen wij voortbrengen? Johannes geeft aan ieder hunner, naar zijn plaats en stand, antwoord.
a. Hij zegt aan de scharen wat hun plicht is, en dat is barmhartig te zijn en liefdadigheid te beoefenen, vers 11, Die twee rokken heeft, en er bijgevolg een van kan missen, hij geve, of lene tenminste, aan hem, die er geen heeft, om zich warm te houden. Wellicht zag hij onder zijne hoorders sommigen, die overladen waren met klederen, terwijl anderen schier omkwamen in hun lompen, en hij legt hun, die het overtollige hadden, den plicht op, om bij te dragen tot verlichting en ondersteuning van hen, aan wie het nodige ontbrak. Het Evangelie eist barmhartigheid, en niet offerande, en de bedoeling er van is ons allen er toe te brengen om al het goed te doen, dat wij kunnen. Voedsel en deksel zijn de twee steunsels des levens. Wie spijze missen kan, hij dele mede hem, die gebrek heeft aan het dagelijks brood, zowel als hij, die klederen te missen heeft. Van hetgeen wij hebben zijn wij slechts rentmeesters, en wij moeten het gebruiken naar de aanwijzing onzes Meesters.
b. Hij zegt aan de tollenaren, de inzamelaars van de inkomsten des keizers, wat hun plicht is, vers 13. Eist niet meer, dan hetgeen u gezet is. Zij moeten recht doen tussen de regering en den koopman, en bij het innen der belastingen het volk niet verdrukken, die belastingen niet drukkender maken dan de wet ze gemaakt heeft. Zij moeten niet denken dat zij, wijl het hun ambt was er voor te zorgen, dat het volk den vorst niet tekort deed in zijne rechten, door de macht, die hun verleend was, hard mochten wezen voor het volk, gelijk zij, aan wie een weinig macht is gegeven, geneigd zijn er misbruik van te maken. "Neen, houdt u aan de registers voor de inning der belastingen, en acht het voldoende dat gij voor den keizer inzamelt wat des keizers is, en verrijkt uzelven niet door meer te nemen" De openbare inkomsten moeten gebruikt worden voor den openbaren dienst, niet om aan de hebzucht van bijzondere personen te voldoen. Hij zegt den tollenaren niet, dat zij hun betrekking moeten opgeven, dat zij niet meer naar het tolhuis moeten gaan om de inkomende rechten te ontvangen, neen, het ambt is wettig en nodig, maar zij moeten er rechtvaardig en eerlijk in zijn.
c. Hij zegt den krijgslieden wat hun plicht is, vers 14. Sommigen denken dat deze krijgslieden tot de Joodse natie behoorden en den Joodsen Godsdienst beleden, anderen denken dat zij Romeinen waren, want het was niet waarschijnlijk, dat Joden de Romeinen wilden dienen, of dat de Romeinen Joden in de garnizoenen bij hun eigen volk zouden vertrouwen, en dan is dit een vroeg voorbeeld van heidenen, die het Evangelie aannamen en zich er aan onderwierpen. Militairen neigen zelden tot den Godsdienst, toch hebben dezen zich zelfs aan de strenge belijdenis van den Doper onderworpen, en begeerden zij het woord van bevel van hem te ontvangen. Wat moeten wij doen? Zij, die meer dan andere mensen in doodsgevaar zijn, hebben er wel zeer groot belang bij om te vragen, wat zij doen moeten om in vrede te worden bevonden. In antwoord op hun vraag zegt Johannes hun niet, dat zij de wapens moeten neerleggen en den dienst verlaten, maar hij waarschuwt hen tegen de zonde, waaraan krijgslieden zich gemeenlijk schuldig maken, want dat is vrucht der bekering waardig: dat wij ons wachten voor onze ongerechtigheid. Zij moeten niet schadelijk zijn voor de mensen, bij wie zijn ingekwartierd waren, en over wie zij in gezag waren gesteld: Doet niemand overlast. Uw plicht is het den vrede te bewaren, en te voorkomen dat de mensen elkaar geweld aandoen doet dus zelf niemand geweld of overlast. Schudt niemand is de eigenlijke betekenis van dit woord. "Jaag niemand vrees of verschrikking aan, want het oorlogszwaard moet, evenals het zwaard der gerechtigheid, ene verschrikking wezen voor de boosdoeners, maar ene bescherming voor hen, die weldoen, Weest niet ruw en lomp in uwe kwartieren, perst den mensen geen geld af door hen te verschrikken. Vergiet geen oorlogsbloed in tijden van vrede, weest voor man noch vrouw onbeleefd. Hebt niets te doen met de barbaarse verwoestingen, die door krijgsheiren soms worden aangericht." Zij moeten ook niemand valselijk beschuldigen bij de regering. ten einde zich gevreesd te maken, en op die wijze steekpenningen te kunnen ontvangen. Zij moeten ook niet schadelijk zijn voor hun medekrijgsknechten, want sommigen denken, dat dit woord: "beschuldigt niet valselijk," inzonderheid op hen ziet. "Weest niet haastig om bij uwe meerderen over elkaar te klagen, ten einde u te wreken op hen, tegen wie gij iets hebt, of het gezag te ondermijnen van hen, die boven u zijn, ten einde hun plaats in te nemen." Verdrukt niemand, is naar sommiger mening de betekenis van die woorden, zoals ze door de LXX in verscheidene plaatsen van het Oude Testament gebruikt worden. Zij moeten zich niet overgeven aan muiterij, of wegens hun bezoldiging met hun generaals twisten: Laat u vergenoegen met uwe bezoldingen. Als gij ontvangt waarvoor gij overeengekomen zijt, zo mort niet omdat het niet meer is. Als de mensen ontevreden zijn met hetgeen zij hebben, zullen zij allicht anderen verdrukken en beledigen. Zij, die nooit denken, dat zij zelven genoeg hebben, zullen niet terugdeinzen voor onrechtvaardige handelingen om meer te verkrijgen en anderen tekort te doen. Het is een regel voor alle dienstknechten om tevreden te zijn met hun bezoldingen, want zij, die zich overgeven aan ontevredenheid, stellen zich bloot aan vele verzoekingen, en het is verstandig om zijn voordeel te doen met hetgeen men heeft.