15. a) En de overheden en de machten, die van te voren de overmacht hadden over het menselijk geslacht, ten gevolge van de macht van de zonde, waaraan het zich niet kon ontworstelen (
Lukas 11:20), uitgetogen hebbend, van de wapenrusting beroofd hebbend (
Lukas 11:21), heeft Hij die tot haar schande in het openbaar ten toon gesteld, zodat ieder ze moest erkennen als geheel overwonnen en machteloos (
Johannes 16:11) en heeft daardoor, namelijk door het kruis, over hen getriomfeerd.
a) Genesis 3:15 Mattheus 12:29 Johannes 12:31
Alle spreekwijzen zijn hier zinnebeeldig en aan de openlijke triomfoptochten ontleend. De wapenrusting van de overwonnen vijand werd als een zegebuit rondgedragen en hij zelf, daarvan beroofd en uitgeschud, werd als een schouwspel ten toon gesteld, aan de kar van de overwinnaar geboeid. (V. D. PALM).
Wat Christus betrof zei de apostel in Vers 9, wat de lezers betreft, dat zij Christus hebben en Christus eigen zijn, zegt hij van Vers 10 af. Zij zijn in Hem volmaakt, of, zoals er woordelijk staat, "vervuld". Waarmee vervuld, dat begreep de lezer vanzelf. Het is het charismatisch vervuld zijn, dat Christenen uit de in Christus wonende metafysische volheid, de volheid van de Godheid (vgl. bij Vers 9), door hun levensgemeenschap met Hem, in wie, volgens Hoofdstuk 1:19, ook alle charismatische volheid woont, ontvangen hebben en voortdurend bezitten. Berust echter in Hem en overigens in niets en in niemand verder, het vervuld zijn, dan is het andere, dat men de Kolossensen wil leren en waarmee men hen, als met hetgeen "niet naar Christus" is, vervoeren wil, slechts een beroving, en niets dan een verleiding. Zij nu hebben niets te wachten van engelenmachten; want deze zijn toch aan Christus als aan hun Hoofd onderworpen; zij zelf daarentegen staan met de Meerderen, met Christus, in onmiddellijk verband; wat zou hun dan die engelendienst baten, waarop de dwaalleraars hen wijzen? Zij hebben ook niets te zoeken in de besnijdenis, door mensenhanden bewerkt, omdat zij die besnijdenis, die dat alles in de daad en waarheid heeft teweeggebracht en waarop die eerste moest wijzen, reeds hebben ontvangen. In de gemeenschap met dood en begrafenis van Christus, die in de doop wordt afgebeeld, wordt niet een gedeelte van het verderf van de zonde afgelegd, maar de gehele oude mens gedood en begraven, opdat het lichaam van de zonde ophoudt, dat men voortaan niet de zonde dient (Romeinen 6:6 Galaten 5:24). In de woorden "waarin u ook met Hem opgewekt bent door het geloof", wil de apostel, zoals duidelijk is, een nieuw bewijs daarvoor geven, dat de Kolossensen in Christus volkomen of van alles voorzien zijn, wat zij tot hun zaligheid nodig hebben; want de woorden komen, wat het begin aangaat, juist overeen met de beginwoorden van het elfde vers. En wel is nu sprake van de Nieuw-Testamentische tegenhanger tot de wet van het Oude Testament, waarop de dwaalleraars te Kolosse zich eveneens beriepen, hoewel niet naar diezelfde theorie als die in Galatië (Vers 16 v. en 20). Het is echter het geloof, waardoor het intreden in het Nieuwe Verbond geschiedt, het geloof in de opgestane Christus van de kant van hen, die van te voren door de doop in Hem zijn begraven in de dood, het geloof, door dezelfde God teweeg gebracht, die Christus heeft opgewekt van de dood en door de daarin aanwezige goddelijke kracht evenzo een nieuw leven in de gelovigen werkend, als voor Christus op Zijn opstanding een nieuw leven volgde, waarin Hij met zonde en dood voortaan niets meer had te doen, maar alleen voor God leefde (Romeinen 6:4). In de grondtekst staat letterlijk: "En Hij heeft u, toen u dood was in de misdaden en in de voorhuid van uw vlees, u levend gemaakt met Hem. " Het is zeker niet te ontkennen, dat de apostel met het herhalen van "u" daarop doelt, dat de Kolossensen, wat het merendeel aangaat, heidenen zijn geweest en hij hen tegenover de Joden wil plaatsen, die zich op de wet mochten beroemen, zodat in onze vertaling het woord "ook" wel behouden kan blijven. Zij zijn zondaars geweest uit de heidenen in de zin, waarin die uitdrukking in Galaten 2:15 gebruikt werd. Uit deze dood van de zonde, zoals die niet op dezelfde manier bij de Joden bestond, heeft God hen levend gemaakt, opdat zij nu in een nieuw leven zouden wandelen en in zo'n leven ook een opstanding in lichamelijk opzicht zouden tegengaan. Hij kon dat echter pas dan doen, als Hij van te voren aan de anderen, namelijk aan de Joden, alle zonden had vergeven en tegelijk de verplichting om de Mozaïsche wet te houden, die het Oude verbond hen oplegde, voor hen had opgeheven. Zonder twijfel toch bedoelt de apostel met het "ons" dat volk, waartoe hij zelf behoorde en sluit in dit woordje ook hen in, die door hun verkeerde leer weer allerlei bepalingen van de wet in de hoogte wilden heffen, om hen tot beter inzicht in het wezen van het Nieuwe verbond in zijn verhouding tot het Oude verbond te leiden. Paulus bedoelt niet de wet zelf, als hij van een handschrift spreekt, want er is sprake van een schuldbrief, die de Joden aan God te voldoen hadden en niet van zo een, waardoor God Zich verbonden had tot een betaling aan Israël. Ook is niet de wet zelf uitgeblust en uit het midden weggenomen en aan het kruis genageld (Mattheus 5:17), maar wel heeft dit plaats gehad met dat handschrift, dat bij het sluiten van het verbond aan de Sinaï het volk voor God daartoe bracht, dat het zich op plechtige wijze, onder het slachten van een verbondsoffer, tot het houden van de wet verbond. Deze verplichting was dan aan de ene kant tegen de leden van het Oude Testament, want zij maakte alle zonden, die zij misdreven, tot straf- en doemwaardige overtredingen van de wet, tot een verbondsbreuk, tot een zware, onbetaalbare schuld. En zo werd nu ook de vergeving van de zonden niet tot een eenvoudige kwijtschelding van de genade voor hen, maar tot een uitwissen van de schuld, tot een vernietiging van het handschrift. Die verplichting was echter ook aan de andere kant tegen hen, zij stond tegenover hen als een macht, die voor hen de weg van de zaligheid versperde; want zij hadden met haar verplichtingen (Efeze 2:15) op zich genomen, die, zoals zij die tot hiertoe niet hadden gehouden en daardoor zware schuld op zich hadden geladen, bij hun tegenwoordige toestand ook voortaan niet zouden kunnen houden (Romeinen 8:7). Daarom was het zuivere uitwissen van het handschrift door uitdelging van de tot hiertoe opeengehoopte schuld voor Israël nog lang niet genoeg. De verplichting om instellingen waar te nemen, die wel op zichzelf heilig, juist en goed zijn (Romeinen 7:12), maar hen, die zich tot die verbonden hebben, niet levend kunnen maken, zodat zij ook in staat zijn hun verplichting te houden (Galaten 3:21 Romeinen 8:3) moest geheel worden weggenomen en zo de plaats van het Oud Testamentische verbond door een Nieuw Testamentisch worden ingenomen (Hebreeën 8:6). Deze wegneming van het Oude verbond, om door een nieuw te worden vervangen, of de verandering van het ene in het andere, drukt de apostel kort en krachtig uit door de woorden: "en heeft het handschrift aan het kruis genageld. " Gewoonlijk denkt men daarbij aan een doorboren, als was hier een buiten kracht stellen of ongeldig maken bedoeld (Luther "hij maakt er een gat door en scheurt het, zodat het handschrift niet meer geldend is en ons niet kan beschuldigen, maar tot dit doel hecht men een handschrift niet vast op een voor allen zichtbare plaats, maar wist het uit, of verscheurt het. Zo'n aanslaan of vasthechten geschiedt integendeel met het doel, dat ieder naar het vastgehechte kan zien, het kan lezen en er zich naar kan richten. Wij moeten daarom v. Hofmann in zijn opvatting gelijk geven: "bij dit nagelen aan het kruis is niet zozeer sprake van de vergeving van de zonde, als van de omkering van de Sinaïtische verplichting van Israël tot de toestand, die met de kruisdood van Christus is gegeven. De gekruisigde moet erkend worden als Heiland. Zijn smadelijke dood als de verzoening van de zonden van Zijn volk. Deze eis, de eis van het geloof in Hem, is op het kruis te lezen. De eis van de wet is daar zo veranderd. De juistheid van deze verklaring zal te meer duidelijk worden, als wij herinneren aan het woord van Christus in Johannes 3:14 v., waarmee Hij de man van de wet, Nikodemus, wijst op Zijn kruis, dat Hem aan het einde van Zijn loopbaan wacht, opdat deze daarheen zijn oog leert richten, ten einde hij achter het geheim van de wedergeboorte en de vrijheid van een wedergeborene, van verplichtingen van de wet komt. Ook voor de verklaring van het moeilijke vijftiende vers geven ons woorden van Christus' eigen mond, waarop wij boven in de citaten hebben gewezen, de nodige vingerwijzingen. De apostel heeft vroeger ten opzichte van de gelovigen uit Israël een geheel overeenkomstige gedachte uitgesproken, als die in Romeinen 6:14 : "De zonde zal over u niet heersen; want u bent niet onder de wet, maar onder de genade. " Nu moet hij ten opzichte van de gelovigen uit de heidenen de parallellen trekken, zoals dan ook Vers 15, volgens zijn constructie in de grondtekst, met het veertiende vers geheel parallel loopt. Wanneer echter volgens Efeze 2:2 de heidenen stonden onder de macht van de boze geesten onder de hemel, waarvan zij zich niet konden losmaken, dan is voor hen de zaligheid gekomen door de overwinning van deze macht, die eveneens door het kruis van Christus heeft plaats gehad (vgl. Johannes 12:31), zodat nu, zoals de apostel in Efeze 2:17 heeft gezegd, in het Evangelie vrede wordt verkondigd, die voor die ver waren, de heidenen en die nabij waren, de Joden. Het is mogelijk, dat de dwaalleraars te Kolosse, evenals zij, wilden tonen hoe men door zelf teweeg gebrachte geestelijkheid en ootmoed zich met de goede engelen in verbintenis kon stellen, zo ook hun kastijdingen tot dat doel aanprezen, opdat men zich aan de invloed van de boze geesten onttrok (Vers 23). Daarin had het dan zijn grond, waarom Paulus hier in zo opeengehoopte uitdrukkingen de overwinning door God zelf reeds in Christus bewerkt en gehele onschadelijkmaking van deze machten op de voorgrond stelt en daarvoor de filosofie van die dwaalleraars als nutteloos gepraat, als ijdele verleiding brandmerkt.