Mattheus 4:1-11
Hier hebben wij de geschiedenis van een vermaard tweegevecht, gestreden tussen Michael en den draak, het Zaad der vrouw en het zaad der slang, ja de slang zelf, waarin het Zaad der vrouw lijdt, verzocht zijnde, en de verzenen Hem dus vermorzeld zijn, maar de slang is gans verslagen in hare verzoekingen, haar werd dus de kop vermorzeld, en onze Heere Jezus komt als Overwinnaar uit den strijd, en verzekert dus aan al Zijne getrouwe volgelingen niet slechts vertroosting, maar overwinning ten laatste. Let, betreffende Christus' verzoeking, op:
I. Den tijd, wanneer zij plaats had. Toen, hier wordt nadruk op gelegd. Onmiddellijk nadat Hem de hemelen geopend waren, en de Geest op Hem was neergekomen, en Hij verklaard werd te zijn de Zoon van God, en de Zaligmaker der wereld, is het volgende wat wij van Hem horen, dat Hij verzocht werd, want toen was Hij het best in staat met de verzoeking te worstelen. Merk op:
1. Grote voorrechten, bijzondere tekenen van Gods gunst, zullen er ons niet tegen vrijwaren verzocht te worden. Ja zelfs:
2. Nadat ons grote eer is aangedaan, moeten wij iets verwachten, dat verootmoedigend is, zoals de engel des Satans, die aan Paulus gezonden was, om hem met vuisten te slaan, nadat hij in den derden hemel was opgetrokken.
3. Gewoonlijk bereidt God Zijne kinderen voor op de verzoeking, eer Hij hen er toe roept, Hij geeft hun kracht naar hun dagen, en eer ene zware beproeving komt, geeft Hij hun meer dan gewone vertroosting.
4. De verzekerdheid van ons kindschap is de beste voorbereiding. Indien de goede Geest getuigt van onze aanneming, dan zal dit ons voorzien van een antwoord op al de inblazingen van den bozen geest, die ten doel hebben ons te verderven of te verontrusten.
Toen, als Hij zo even teruggekomen is van ene plechtige handeling, toen Hij gedoopt was, toen werd Hij verzocht. Nadat wij toegelaten zijn tot gemeenschapsoefening met God, moeten wij verwachten door Satan aangevallen te worden. De verrijkte ziel moet dubbel op hare hoede zijn. Als gij gegeten hebt en verzadigd zijt, zo wacht u. Toen, als Hij begon zich openlijk aan Israël te tonen, toen werd Hij verzocht, zoals Hij nooit verzocht werd, zolang Hij in afzondering leefde. De duivel heeft een bijzonderen wrok tegen nuttige personen, die niet alleen goed zijn, maar zich toeleggen om goed te doen, inzonderheid als zij pas beginnen. Het is de raad van den zoon van Sirach: Mijn zoon, als gij komt om den Heere te dienen, zo bereid u op verzoeking. Laten jonge leraren weten wat hun te wachten staat, en zich dienovereenkomstig wapenen.
II. De plaats waar het gebeurde: in de woestijn, waarschijnlijk in de grote woestijn van Sinaï, waar Mozes en Elia veertig dagen gevast hebben, want geen deel der woestijn van Judea was zo overgelaten aan wilde dieren, als deze gezegd werd te zijn, Markus 1:13. Toen Christus gedoopt was, ging Hij niet naar Jeruzalem, om dáár de ere bekend te maken, die Hem was aangedaan, maar trok Hij zich terug in de woestijn. Na gemeenschapsoefening met God is het goed om ene wijle alleen te zijn, opdat wij in het gewoel en de drukte van wereldlijke aangelegenheden niet verliezen wat wij hadden ontvangen. Christus trok zich terug in de woestijn: 1. Om winst voor zich zelven te verkrijgen. Afzondering geeft gelegenheid tot overdenking en gemeenschapsoefening met God. Zelfs zij, die geroepen worden tot het bedrijvigste leven, moeten toch hun uren van nadenken hebben, moeten tijd vinden om eens alleen te zijn met God. Diegenen zijn ongeschikt om in het openbaar tot anderen over de dingen Gods te spreken, die niet eerst deze dingen in de binnenkamer bij zich zelven overlegd hebben. Wanneer Christus als een Leraar van God gekomen zal optreden, zal van Hem niet gezegd worden: `,Hij is pas van de reis gekomen, Hij is buiten `s lands geweest en heeft de wereld gezien", maar: "Hij is pas wedergekeerd uit de woestijn, Hij is in de eenzaamheid geweest, waar Hij gemeenschap heeft geoefend met God en met Zijn eigen hart',
2. Om aan den verzoeker betere gelegenheid te geven tot Hem te naderen, dan hij gehad zou hebben te midden van een gezelschap. Hoewel eenzaamheid voor een Godvrezend hart goed en nuttig is, weet Satan er toch ook gebruik van te maken tegen ons.
Wee hem, die alleen is. Zij, die onder voorgeven van heiligheid en vroomheid, zich terugtrekken in holen en woestijnen, bevinden, dat zij er niet buiten het bereik zijn van hun geestelijke vijanden, en dat zij er het voorrecht missen van de gemeenschap der heiligen. Christus trok zich terug.
a. Ten einde aan Satan vrijheid te geven om het ergste te doen wat hij kon. Hij gaf den vijand het voordeel van de zon en den wind, en toch heeft Hij hem verslagen, waardoor Zijne overwinning des te heerlijker werd. Hij kon den duivel dit voordeel geven, want de overste dezer wereld heeft aan Hem niets, maar hij heeft aan ons, en daarom moeten wij bidden niet in verzoeking geleid te worden, en moeten wij het kwaad uit den weg blijven.
b. Om de gelegenheid te hebben zelf het beste te doen, dat Hij kon, ten einde verhoogd te worden in Zijne eigene kracht, want aldus was van Hem geschreven: Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij. Christus is zonder getuige of helper het strijdperk binnengetreden.
III. Er waren twee toebereidselen.
1. Hij werd tot den strijd geleid, Hij heeft er zich niet moedwillig in begeven, maar Hij werd door den Geest weggeleid om verzocht te worden van den duivel. De Geest, die als ene duive op Hem nederdaalde, maakte Hem zachtmoedig, maar tevens stoutmoedig. Het moet onze zorg zijn ons niet in verzoeking te begeven, maar indien God in Zijne voorzienigheid ons in omstandigheden van verzoeking brengt ter onzer beproeving, dan moeten wij dit niet vreemd vinden, maar dubbel op onze hoede zijn. Wees sterk in den Heere, weersta, standvastig zijnde in het geloof, en alles zal wel wezen. Indien wij vertrouwen op onze eigene kracht, en den duivel verzoeken ons te verzoeken, dan lokken wij het uit, dat God ons aan ons zelven overlaat. Maar overal waar God ons leidt, kunnen wij hopen, dat Hij met ons zal gaan en ons meer dan overwinnaars zal doen zijn. Christus werd weggeleid om verzocht te worden van den duivel, en van hem alleen. Anderen worden verzocht, als zij van hun eigene begeerlijkheid afgetrokken en verlokt worden, Jakobus 1:14. De duivel grijpt dit handvatsel aan, en ploegt met dat kalf, maar onze Heere Jezus had gene verdorvene natuur, en daarom werd Hij veilig, zonder vreze of beven, als een kampioen in het strijdperk geleid, om zuiver en alleen van den duivel verzocht te worden. Nu is Christus, verzoeking: a. Een voorbeeld van Zijne eigene vernedering. Verzoekingen zijn vurige pijlen, doornen in het vlees, vuistslagen, ziftingen, worstelingen, strijd, hetgeen alles bezwaren en lijden aanduidt, daarom heeft Christus er zich aan onderworpen, omdat Hij zich zelven wilde vernederen, in alles Zijnen broederen gelijk wilde worden, en aldus gaf Hij Zijn rug, degenen die Hem sloegen.
b. Ene gelegenheid tot Satans beschaming. Er is gene overwinning zonder strijd. Christus werd verzocht, ten einde den verzoeker te verslaan. Satan heeft den eersten Adam verzocht en over hem getriomfeerd, maar hij zal niet altijd zegevieren, de tweede Adam zal hem overwinnen, en de gevangenis gevankelijk voeren.
c. Stof tot troost voor al de heiligen. In de verzoeking van Christus komt het uit, dat onze vijand listig, boosaardig en zeer stoutmoedig is in zijne verzoekingen, maar toch blijkt het, dat hij met dat al niet onverwinlijk is. Hoewel hij een sterk gewapende is, is toch de Overste Leidsman onzer zaligheid sterker dan hij. Het is vertroostend voor ons te denken, dat Christus geleden heeft, verzocht zijnde, want hieruit blijkt, dat verzoekingen, waaraan men geen gehoor geeft, gene zonden zijn, het zijn slechts beproevingen, en zij kunnen het deel zijn van hen, in wie God een welbehagen heeft. En wij hebben een Hogepriester, die bij ervaring weet wat het is verzocht te worden, en die daarom des te tederder medelijden kan hebben met onze zwakheden in ene ure der verzoeking, Hebreeën 2:18, 4:15. Maar nog troostrijker is het te denken, dat Christus overwonnen heeft voor ons, niet slechts is de vijand, met wie wij worstelen, een overwonnen, verslagen, ontwapend vijand, maar wij hebben ook deel aan Christus' overwinning over hem, en door Hem zijn wij meer dan overwinnaars.
2. Hij had voor den strijd een leefregel in acht genomen, zoals worstelaars, die zich in alles onthouden, 1 Corinthiërs 9:25, maar Christus meer dan iemand anders, want Hij vastte veertig dagen en veertig nachten in overeenstemming met het type en voorbeeld van Mozes, den groten wetgever, en van Elia, den groten hervormer van het Oude Testament. Johannes de Doper kwam als Elia in de dingen betreffende het zedelijk leven, maar niet in die dingen, die met wonderen in verband stonden, Johannes 10:41, die eer was voor Christus bewaard. Christus behoefde niet te vasten ter doding van het vlees (Hij had gene verdorvene lusten, die ten onder gehouden moesten worden), toch heeft Hij gevast.
a. Teneinde zich hierin te vernederen, en zou schijnen, als iemand die verlaten was, naar wie niemand vraagt.
b. Teneinde aan Satan voordeel te geven tegen Hem, en aldus Zijne overwinning van Satan des te heerlijker te maken.
c. Teneinde het vasten voor ons te heiligen en ons aan te bevelen, als God in Zijne voorzienigheid er ons toe roept, of als wij in nood en verlegenheid zijn, en gebrek hebben aan ons dagelijks voedsel, of wanneer het vereist wordt om het lichaam in bedwang te houden, of tot opwekking in het gebed, dan zijn dit voortreffelijke toebereidselen tegen verzoeking. Als Godvruchtige mensen naar de diepte worden gebracht, als zij vrienden nodig hebben en ondersteuning, dan kan het hun tot troost verstrekken, dat hun Meester op gelijke wijze beproefd is geworden. Een mens kan broodgebrek hebben en toch een gunstgenoot des hemels zijn, en zich onder de leiding van den Heiligen Geest bevinden. Als de Papisten zich voor hun vasten beroepen op dit vasten van Christus gedurende veertig dagen, dan is dit ene zotheid en bijgelovigheid, waartegen onze lands-wet getuigt. Toen Hij veertig dagen vastte, hongerde Hem niet, de gemeenschap met den hemel was Hem spijs en drank, maar daarna hongerde Hem, om te tonen dat Hij wezenlijk en waarachtig Mens was. Hij heeft onze zwakheden op zich genomen, teneinde verzoening voor ons te doen. De mens is door eten gevallen, en op die wijze zondigen wij dikwijls, en daarom heeft Christus gehongerd.
IV. De verzoekingen zelf. Hetgeen waarop Satan het aanlegde met al deze verzoekingen was Hem er toe te brengen om tegen God te zondigen, en Hem dus voor altijd ongeschikt te maken om een Offer te zijn voor de zonde van anderen. Wat hij bedoelde, onder welken schijn of dekmantel dan ook, was:
1. Hem te doen wanhopen aan de goedheid Zijns Vaders.
2. Een aanmatigend vertrouwen te stellen op de macht Zijns Vaders.
3. De ere des Vaders te vervreemden door haar aan Satan te geven. De eerste twee zaken, waartoe hij Hem verzocht, schenen gans onschuldig, en daarin kwam de listigheid uit van den verzoeker, de laatste zaak, waarmee hij Hem verzocht, scheen begerenswaardig. De eerste twee zijn listige verzoekingen, er was grote wijsheid toe nodig om ze te onderscheiden, de laatste was ene sterke verzoeking, en er was grote kracht van vastberadenheid toe nodig om haar te weerstaan, maar in allen werd hij teleurgesteld en verslagen.
1. Hij verzocht Hem om aan de goedheid Zijns Vaders te wanhopen, en Zijns Vaders zorg over Hem te wantrouwen.
a. Zie, hoe die verzoeking was aangelegd, vers 3, De verzoeker kwam tot Hem. De duivel is de verzoeker, en daarom is hij Satan -een tegenstander, want diegenen zijn onze ergste vijanden, die ons tot zonde verleiden en Satans agenten zijn, zijn werk doen en zijne plannen volvoeren. Hij wordt nadrukkelijk de verzoeker genoemd, omdat hij dit was voor onze eerste ouders, en het nog is, en alle andere verzoekers worden door hem in het werk gesteld. De verzoeker kwam tot Christus in zichtbare gestalte, niet afschrikwekkend, zoals later bij Zijn' doodstrijd in den hof: neen, indien de duivel zich ooit veranderd heeft in de gedaante van een' engel des lichts, dan deed hij het nu, zich voordoende als een goede genius, een beschermengel. Let op de listigheid van den verzoeker in het samenvoegen van deze eerste verzoeking met hetgeen voorafging, teneinde haar sterker te maken. Christus begon honger te gevoelen, en daarom scheen het voorstel zeer gepast, om voor Zijn noodzakelijk levensonderhoud stenen in brood te verkeren. Merk op, dat het een van Satans kunstgrepen is, om zijn voordeel te doen met onze uitwendige omstandigheden, teneinde dáárin zijne batterij van verzoekingen te planten. Hij is een tegenstander, niet minder waakzaam dan boosaardig, en hoe vernuftiger hij is om van zijne voordelige stelling tegen ons gebruik te maken, hoe ijveriger wij er naar moeten streven om hem geen voordeel over ons te geven. Toen Hem begon te hongeren, en dat wel in ene woestijn, waar niets te verkrijgen was, toen heeft de duivel hem aangevallen. Armoede en gebrek zijn ene grote verzoeking tot ontevredenheid en ongeloof, en het gebruik maken van onwettige middelen ter onzer verlichting, onder voorgeven van "nood breekt wet", en dit zal dan verontschuldigd worden met het gezegde, dat "honger door stenen muren heen breekt" hetgeen toch gene verontschuldiging is, want de wet Gods behoort sterker voor ons te wezen dan stenen muren. Agur bidt tegen armoede, niet omdat zij ene beproeving is en een smaad, maar omdat zij ene verzoeking is, opdat ik verarmd zijnde, niet stele. Diegenen dus, die in moeilijke of bekrompene omstandigheden zijn gekomen, hebben dubbel van node op hun hoede te zijn. Het is beter van honger te sterven, dan te leven en voorspoedig te zijn door zonde. Christus was even te voren verklaard te zijn de Zoon van God, en hier wordt Hij door den duivel verzocht om er aan te twijfelen, Indien Gij de Zoon van God zijt. Indien de duivel niet geweten had, dat de Zoon van God in de wereld moest komen, dan zou hij dit niet gezegd hebben, en indien hij niet had vermoed, dat Hij het was, dan zou hij het niet tot Hem gezegd hebben, en hij zou het niet hebben durven zeggen, indien Christus Zijne eigene heerlijkheid niet als met een sluier had omhuld, en indien hij, n.l. de duivel, thans gene onbeschaamde houding had aangenomen.
Ten eerste:" Gij hebt thans aanleiding om de vraag te stellen, of Gij al of niet de Zone Gods Zijt, want, kan het mogelijk wezen, dat de Zone Gods, die de Erfgenaam is van alle dingen, tot zulk een kommervollen toestand gebracht wordt? Indien God uw Vader ware, Hij zou U thans niet kunnen zien hongeren, want al het gedierte des wouds is Zijne, Psalm 50:10, 12. Het is waar: er was ene stem van den hemel: Deze is Mijn geliefde Zoon, maar dat moet zeker ene misleiding zijn geweest, en Gij hebt U laten bedriegen, want of God is Uw Vader niet, of Hij is al zeer onvriendelijk voor U." Merk op:
1. Satans voorname doel in zijn verzoeken van Godvruchtige mensen, is, hun betrekking tot God als hun Vader weg te nemen, en aldus hun steunen en betrouwen op Hem te doen ophouden, alsmede de vervulling van hun plicht jegens Hem en hun gemeenschap met Hem. Als de Trooster der broederen getuigt de goede Geest, dat zij kinderen Gods zijn, als de beschuldiger der broederen, doet de boze geest al wat hij kan om dat getuigenis aan het wankelen te brengen.
2. Uitwendige beproevingen, gebrek en lasten zijn de grote argumenten, die Satan gebruikt, om de mensen aan hun kindschap te doen twijfelen, alsof beproevingen onbestaanbaar zijn met Gods vaderlijke liefde. Zij weten wat antwoord hierop te geven, die met den Godvruchtigen Job kunnen zeggen: Zo Hij mij doodde, zo Hij mij laat hongeren, zou ik niet hopen, Hem niet liefhebben als een Vriend, al is het ook, dat Hij tegen mij uit schijnt te gaan als een vijand?
3. De duivel legt het er op toe, ons geloof in het woord Gods te doen wankelen, er ons de waarheid van in twijfel te doen trekken. Aldus begon hij met onze eerste ouders! Ja? heeft God dit gezegd? Stellig niet. Zo ook hier: Heeft God gezegd, dat Gij Zijn geliefde Zoon zijt? Hij heeft het zeker niet gezegd, of indien Hij het gezegd heeft, is het toch niet waar. Wij geven dus den duivel plaats, als wij aan de waarheid twijfelen van enig woord, dat God gesproken heeft, want, als vader der leugens is het zijn werk, om de ware woorden Gods tegen te staan.
4. De duivel voert zijne plannen en bedoelingen uit door den mensen harde gedachten omtrent God in te blazen, alsof Hij onvriendelijk ware, of ontrouw, en hen had verlaten of vergeten, die hun alles met Hem gewaagd hebben. Hij trachtte in onze eerste ouders het denkbeeld te doen ontstaan, dat God hun den boom der kennis had ontzegd, omdat Hij er hun het nut en voordeel niet van gunde, en zo werpt hij hier bij onzen Heiland het denkbeeld op, dat Zijn Vader Hem verstoten heeft, Hem nu maar voor zich zelven laat zorgen. Maar zie, hoe onredelijk dit vermoeden is, en hoe gemakkelijk weerlegd. Indien Christus thans slechts een mens scheen te zijn, omdat Hem hongerde. bleek Hij dan niet meer dan een mens te zijn, n.l. de Zoon van God, nu hij veertig dagen had gevast, en Hem niet hongerde? Ten tweede. "Gij hebt thans de gelegenheid te tonen, dat Gij de Zone Gods zijt. Indien Gij de Zone Gods zijt, bewijs het hiermede: gebied dat deze stenen" (er lag waarschijnlijk een hoop stenen voor Hem) "broden worden", vers 3. Johannes de Doper heeft nog onlangs gezegd, dat God uit stenen Abraham kinderen kan verwekken, ene Goddelijke macht kan dus ongetwijfeld ook uit stenen voor die kinderen broden maken, indien Gij dus die macht bezit, zo wend haar thans, in dezen uwen tijd van nood, aan voor U zelf." Hij zegt niet: Bid Uwen Vader, dat Hij ze in broden verkere, maar gebied, dat het gedaan worde. Uw Vader heeft U verlaten, doe dus zelf uwe zaken, en wees Hem in niets verplicht. De duivel is voor niets, dat verootmoedigend, maar voor alles wat aanmatigend is, en hij krijgt zijn zin, als hij de mensen slechts van hun afhankelijkheid van God kan afbrengen, en hun het denkbeeld van zelfgenoegzaamheid kan inblazen.
b. Zie hoe deze verzoeking weerstaan en overwonnen werd. Christus weigerde er aan te voldoen. Hij wilde deze stenen niet gebieden broden te worden, niet omdat Hij het niet kon, Zijne macht, waardoor Hij weldra water in wijn verkeerde, zou ook wel stenen in brood hebben kunnen doen verkeren, maar Hij wilde niet. En waarom wilde Hij niet? Op den eersten aanblik schijnt de zaak zeer te rechtvaardigen, en de waarheid is, dat, hoe schoonschijnender ene verzoeking is, en hoe meer er schijnbaar iets goeds in is gelegen, hoe gevaarlijker zij is. Die zaak is vatbaar voor redenering, maar Christus bemerkte spoedig de ander in het gras en wilde niets doen. Ten eerste: Het was een in twijfel trekken van de waarheid van de stem, gehoord van den hemel, of wel datgene aan ene proef te onderwerpen, wat reeds vastgesteld was. Ten tweede: Het had het voorkomen van wantrouwen in des Vaders zorg over Hem, of van Hem te willen beperken tot ene bijzondere manier om in Zijne behoeften te voorzien.
Ten derde: Het had den schijn van een beginnen voor eigen rekening, en onafhankelijk te willen zijn van God, of, ten vierde, het zou zijn Satan in `t gevlij te komen om iets op zijn voorstel te doen. Sommigen zouden gezegd hebben: Men moet den duivel geven wat hem toekomt, het was een goede raad, dien hij hier gaf, maar voor hen, die op God wachten, is den duivel te raadplegen hem meer te geven dan hem toekomt, het staat gelijk met den god van Ekron te vragen, terwijl er een God van Israël is. Hij was met Zijn antwoord gereed, vers 4, Hij, antwoordende, zei: Er is geschreven. Er moet wèl op gelet worden, dat Christus al de verzoekingen van Satan beantwoordde met: Er is geschreven. Hij zelf is het eeuwige Woord, en zou den wil van God hebben kunnen openbaren zonder de hulp van de geschriften van Mozes, maar Hij heeft de Schrift geëerd, en om ons het voorbeeld te geven, beriep Hij zich op hetgeen in de wet was geschreven, en Hij zegt dit tot Satan, het er voor houdende, dat hij wel wist wat er geschreven was. Het is mogelijk, dat zij, die de kinderen des duivels zijn, toch zeer goed weten, wat er in Gods Boek geschreven staat, De duivelen geloven en zij sidderen. Deze methode moeten wij volgen, als wij te eniger tijd tot zonde verzocht worden, wij moeten weerstaan, en de verzoeking terugwijzen met: Er is geschreven. Het woord van God is het zwaard des Geestes, het enige wapen van aanval in het ganse tuighuis van den Christen, Efeze 6:17, en wij kunnen er van zeggen wat David zei van het zwaard van Goliath: Er is zijns gelijke niet in onzen geestelijken strijd. Dit antwoord, evenals de overigen is ontleend aan het boek van Deuteronomium, hetwelk betekent de tweede wet, en waarin zeer weinig van de ceremoniën voorkomt. De Levitische offers en reinigingen konden Satan niet wegdrijven, al waren zij ook Goddelijke instellingen, en nog veel minder kan dit geschieden door wijwater, en het teken des kruizes, dat menselijke verzinselen zijn, maar zedelijke voorschriften en Evangelische beloften, verenigd met geloof, zijn machtig door God, om Satan te verslaan. Dit antwoord is aangehaald uit Deuteronomium 8:3, waar de reden gegeven wordt, waarom God de Israëlieten met manna heeft gevoed, n.l. dat Hij hun wilde leren, dat de mens niet van het brood leeft. Dit past Christus nu toe op zich zelven. Israël was Gods zoon, dien Hij uit Egypte geroepen heeft, Hosea 11:1, dat was ook Christus, Hoofdstuk 2:15, Israël was toen in ene woestijn, Christus was het nu, misschien wel in dezelfde woestijn. Nu wilde de duivel Hem ten eerste doen twijfelen aan Zijn Zoonschap, omdat Hij zich in verlegenheid, in moeilijkheid bevond. Neen, zegt Hij, Israël was Gods zoon, en een zoon, dien Hij zeer lief had, en wiens zeden Hij heeft verdragen, Handelingen 13:18, en toch bracht Hij hem in moeilijkheid, in benauwdheid, en dáár volgt. Deuteronomium 8:5 :De Heere, uw God, kastijdt u, gelijk als een man zijn zoon kastijdt. Christus, een Zoon zijnde, leert aldus gehoorzaamheid. Ten tweede, wilde de duivel Hem Zijns Vaders liefde en zorge doen wantrouwen, "Neen", zegt Hij, "dat zou wezen te doen zoals Israël deed, die, toen zij gebrek hadden, zeiden: Is de Heere onder ons? en Zou God ene tafel kunnen toerichten in de woestijn? Kan Hij brood geven? Ten derde, De duivel wilde, dat Hij, zodra Hem hongerde, terstond naar voorraad van spijze zou uitzien, terwijl God met een wijs en heilig doel toeliet, dat Israël hongerde, eer Hij hen spijzigde, ten einde hen te verootmoedigen en op de proef te stellen. God wil, dat Zijne kinderen, als zij gebrek hebben, niet slechts verwachten, dat Hij in hun nood zal voorzien, Hij wil ook, dat zij wachten op
Zijne hulp. Ten vierde. De duivel wilde, dat Hij zich zelven van brood zou voorzien. "Neen" zegt Christus, "waartoe is dat nodig? Het is iets, dat reeds lang vastgesteld en bewezen is, dat de mens ook zonder brood kan leven, zoals Israël veertig jaren lang in de woestijn van manna heeft geleefd". Het is waar, in den gewonen weg Zijner voorzienigheid onderhoudt God de mensen door brood uit de aarde, Job 28:5, maar, als het Hem behaagt, kan Hij van andere middelen gebruik maken om de mensen in het leven te behouden, alle woord, dat door den mond Gods uitgaat, alles wat God daartoe zal bevelen en bestemmen, zal even goed als brood den mens kunnen doen leven. Evenals wij brood kunnen hebben, zonder gevoed te worden, indien God er Zijn zegen aan onthoudt, Haggai 1:6, 9, Micha 6:14, want, hoewel brood de staf des levens is, zo is Gods zegen de staf des broods zo kunnen wij broodgebrek hebben, en toch op ene andere wijze gevoed worden. God heeft Mozes en Elia in het leven behouden zonder brood, en ook nu Christus, veertig dagen lang, Hij heeft Israël onderhouden door brood uit den hemel, engelenspijze, Elia door brood, dat hem wonderdadig gebracht werd door raven, en op een anderen tíjd door het meel der weduwe, dat op wonderbaarlijke wijze werd vermenigvuldigd. Daarom behoeft Christus ook gene stenen in brood te verkeren, Hij zal op God vertrouwen, om Hem, nu Hem hongert, op ene andere wijze in het leven te behouden, zoals Hij gedurende veertig dagen gedaan heeft voordat Hem hongerde. Gelijk wij ook in onzen grootsten overvloed niet moeten denken te leven zonder God, zo moeten wij in onze grootste armoede of benauwdheid leren te leven van God, en als de vijgenboom niet bloeit en het veld gene spijze voortbrengt, als alle gewone middelen voor hulp en ondersteuning afgesneden zijn, moeten wij ons toch in den Heere verblijden, wij moeten dus niet denken om te bevelen wat wij willen, al is het ook in strijd met het gebod Gods, maar wij moeten nederig bidden om hetgeen Hij goed acht ons te geven, en dankbaar zijn voor het brood onzes bescheiden deels, al is dit bescheiden deel ook zeer klein. Laat ons hier van Christus leren om ons te verlaten op Gods vinding veeleer dan op de onze, als is ons gebrek dan ook nog zo dringend of drukkend, Psalm 37:3 Jehova-Jireh, op de ene of andere wijze zal de Heere voorzien. Het is beter armoedig te leven van de vruchten van Gods goedheid, dan in weelde te leven van de opbrengst onzer zonde. 2. Hij verzocht Hem tot een aanmatigend vertrouwen op Zijns Vaders macht en bescherming. Zie welk een rusteloze, onvermoeide tegenstander de duivel is! Faalt hij in den enen aanval, hij zal het met een anderen beproeven. Nu kunnen wij in dien tweeden aanval opmerken: a. Waarin de verzoeking bestond, en hoe zij was aangelegd. Bevindende, dat Christus in het algemeen zo vol vertrouwen was op Zijns Vaders zorge over Hem ten opzichte van spijze, poogt hij nu Hem er toe te brengen dat Hij op aanmatigende wijze op Hem vertrouwt ten opzichte van veiligheid en bewaring. Wij lopen gevaar van onzen weg af te wijken, hetzij naar rechts of naar links, en moeten dus wèl toezien, opdat wij, het ene uiterste vermijdende, door de listen van Satan niet in een ander uiterste vervallen, onze verspilzucht overwonnen hebbende, niet tot gierigheid overslaan. En geen uitersten zijn gevaarlijker dan die van wanhoop en overmoed, vooral in zaken, die onze ziel betreffen. Sommigen, die de overtuiging hebben verkregen, dat Christus machtig en gewillig is hun zalig te maken van hun zonden, worden dan in verzoeking gebracht om te denken, dat Hij hen zalig zal maken in hun zonden. En zo zal Satan, als de mensen beginnen te ijveren voor den Godsdienst, hen naar den kant van dweepziekte drijven. Nu kunnen wij in deze verzoeking opmerken: Hoe hij er den weg toe baande. Hij voerde Christus, niet met geweld en tegen Zijn wil, maar Hij bewoog Hem te gaan, en ging met Hem, naar Jeruzalem. Of Christus over den grond ging, en zo de trappen opklom naar de tinne des tempels, of dat Hij door de lucht ging, is onzeker, maar het geschiedde, dat Hij gesteld werd op de tinne, of torenspits: op de weerhaan (volgens sommigen) op de kantelen (volgens anderen) op den vleugel (zo luidt het oorspronkelijke woord) van den tempel. Merk nu op, ten eerste: Hoe onderworpen Christus was, door zich aldus te laten voortdrijven, opdat Satan het ergste zou doen wat hij kon, terwijl Hij hem dan toch zou verslaan. Het geduld, de lijdzaamheid van Christus hier, gelijk later in Zijn lijden. en Zijn dood, is meer verwonderlijk dan de macht van Satan of van zijne werktuigen, want hij, noch zij, zouden macht tegen Christus hebben, indien zij hun niet van Boven gegeven ware. Hoe troostrijk is het, dat Christus, die deze macht van Satan tegen zich zelven losliet, haar niet evenzo loslaat tegen ons, maar haar weerhoudt, omdat Hij weet wat maaksel wij zijn! Ten tweede: Hoe listig de duivel was in de keuze van de plaats zijner verzoekingen. Christus willende overhalen tot ene tentoonspreiding van Zijne eigene macht, met een verwaand, aanmatigend vertrouwen op Gods voorzienigheid, stelt hij Hem op ene openbare plaats in Jeruzalem, ene volkrijke stad, en die de vreugde der ganse aarde was, in den tempel, een van de wonderen der wereld, waarop immer de bewonderende blikken van den een of den ander gevestigd waren. Dáár kon Hij zich onderscheiden, door iedereen worden gezien, kon Hij zich betonen te zijn de Zoon van God, niet, zoals bij de vorige verzoeking in de afzondering ener woestijn, maar in tegenwoordigheid van grote volksmenigten, op het meest in het oog vallende punt van leven en bedrijvigheid.
Merk op:
1. Dat Jeruzalem hier de heilige stad wordt genoemd, want dit was zij in naam en belijdenis, en in haar was een heilig zaad, dat daarvan het steunsel was. Er is gene stad op aarde zo heilig, dat zij ons vrijwaart tegen den duivel en zijne verzoekingen. De eerste Adam werd verzocht in den heiligen hof, de tweede in de heilige stad. Laat ons dan in gene enkele plaats ophouden te waken. Ja meer, de heilige stad is de plaats, waar hij met het meeste succes de mensen verzoekt tot hoogmoed en aanmatiging, maar geloofd zij God, in het Jeruzalem hier Boven, die heilige stad, kan niets inkomen, dat onrein is, dáár zullen wij voor altijd vrij zijn van verzoeking.
2. Dat hij Hem stelde op de tinne des tempels, die (volgens de beschrijving van Josephus, Antiq. lib. XV, Cap. 14) zo hoog was, dat het iemand duizelig maakte om vandaar naar beneden te zien. Tinnen van den tempel zijn plaatsen van verzoeking, ik bedoel: a. hoge plaatsen zijn dit, het zijn glibberige plaatsen, bevordering in de wereld maakt den mens tot een mikpunt voor de vurige pijlen van Satan. God werpt neer om op te heffen, de duivel verheft, om neer te werpen, daarom moeten zij, die zich voor vallen willen hoeden, wèl toezien bij het klimmen.
b. Hoge plaatsen in de kerk zijn zeer bijzonder gevaarlijk. Zij, die uitmunten in gaven, ene hoge positie innemen, grote vermaardheid hebben verkregen, hebben het zeer nodig nederig te blijven, want Satan zal niet nalaten hen aan te vallen, hen op te blazen van hoogmoed, opdat zij in het oordeel des duivels vallen. Zij, die hoog staan, moeten er grote zorg voor dragen, dat zij ook vast staan. Hoe hij het voorstelde: "Indien Gij Gods Zoon zijt, zo toon U thans aan de wereld, en bewijs, dat Gij het zijt, werp Uzelven nederwaarts, en dan": Ten eerste, "Zult Gij bewonderd worden, als zijnde onder de bijzondere bescherming des hemels. Als zij zien, dat Gij door een val van zulk ene hoogte geen letsel bekomt, dan zullen zij zeggen" (wat de Barbaren van Paulus zeiden) "dat Gij een God zijt". De overlevering zegt, dat Simon de Tovenaar met diezelfde zaak beproefd heeft zich als een god voor te stellen, maar zijn beweren werd weerlegd, want hij viel en heeft zich ellendig bezeerd. "Wat meer is", ten tweede:" Gij zult ontvangen worden als komende met ene bijzondere boodschap van den hemel. Gans Jeruzalem zal zien en erkennen, dat Gij niet slechts meer dan mens zijt, maar dat Gij die Bode, die Engel des verbonds zijt, die snellijk tot den tempel zal komen, Maleachi 3:1 en vandaar neer zal dalen in de straten der heilige stad, en aldus zal het werk van de Joden te overtuigen snel en voorspoedig gaan." De duivel zei: Werp Uzelven nederwaarts. De duivel zou Hem niet neer hebben kunnen werpen, hoewel dit, van ene torenspits door ene kleinigheid had kunnen geschieden. De macht van Satan is beperkt: tot hiertoe zal hij komen en niet verder. Maar indien de duivel Hem had neergeworpen, dan zou hij ook zijn zin niet gekregen hebben, want dan zou Christus wel geleden, maar niet gezondigd hebben. Al het werkelijke kwaad, dat ons geschiedt, geschiedt door ons zelven, de duivel kan wel overreden, maar niet dwingen, hij kan slechts zeggen: Werp uzelven nederwaarts, maar hij kan ons niet neerwerpen. Iedereen wordt verzocht, als hij van zijne eigene begeerlijkheden wordt afgetrokken, hij wordt niet ge- dwongen, maar verlokt. Zo laten wij dus ons zelven geen kwaad doen, en, geloofd zij God, niemand anders kan ons kwaad doen, Prediker 9:12. Hoe hij zijn voorstel ondersteunde door een woord uit de Schrift: Want er is geschreven, dat Hij Zijnen engelen van u bevelen zal. Maar is Saul ook onder de profeten? Is Satan zo thuis in de Schrift, dat hij haar zo grif kon aanhalen? Het schijnt zo. Het is mogelijk, dat een mens zijn hoofd vol heeft van Schriftgedachten, en zijn mond vol van Schriftuitdrukkingen, terwijl zijn hart vol is van heersende vijandschap tegen God en al wat goed is. De kennis, die de duivelen hebben van de Schrift, vermeerdert zowel hun eigene boosaardigheid, als hun eigene kwelling. Nooit heeft de duivel met meer kwelling voor zich zelven gesproken, dan toen hij tot Christus zei: Ik weet wie Gij zijt. De duivel wilde Christus bewegen zich zelven nederwaarts te werpen, hopende, dat Hij Zijn eigen moordenaar zou zijn, en dat dit een einde zou maken aan Hem en aan het werk, dat Hij had ondernomen, en dat hij met een nijdig, afgunstig oor aanzag. Om Hem er toe aan te moedigen, zegt hij Hem, dat er geen gevaar bij is, daar de goede engelen Hem zullen beschermen, want aldus luidde de belofte, Psalm 91:11, Hij zal Zijne engelen van U bevelen. In die aanhaling was: Ten eerste, iets dat waar is. Het is waar, er is zulk ene belofte van den dienst der engelen ter bescherming der heiligen. De duivel weet het bij ervaring, want hij vindt zijne aanvallen tegen hen vruchteloos, en hij kwelt er zich om en woedt er tegen, zoals hij deed wegens de omtuining van Job, waarvan hij zo schrander spreekt, Job 1:10. Hij had ook gelijk in zijne toepassing er van op Christus, Hem behoren in de eerste en voornaamste plaats al de beloften van de bescherming der heiligen, en hun behoren zij alleen in en door Hem. De belofte, dat geen been van hen gebroken zal worden, Psalm 34:21, werd vervuld in Christus, Johannes 19:36. De engelen bewaren de heiligen om Christus' wil, Openbaring 7:5, 11. Ten tweede, er was zeer veel in dat onjuist was. Wellicht had de duivel ene bijzondere spijt tegen deze belofte, en heeft hij haar daarom verdorven, want zij stond hem in den weg, en deed zijne boosaardige plannen tegen de heiligen mislukken. Zie hier:
1. Hoe hij haar verkeerd aanhaalde, en dat was slecht. De belofte luidt: Zij zullen u bewaren, maar hoe? In al uwe wegen, niet anders. Indien wij uit onzen weg gaan, uit den weg van onzen plicht, dan verbeuren wij de belofte, en stellen wij ons buiten Gods bescherming. Nu was dit woord tegen den verzoeker, en daarom liet hij het weg. Indien Christus zich zelven had neergeworpen, dan zou Hij buiten Zijn weg geweest zijn, want Hij was er niet toe geroepen zich aan gevaar bloot te stellen. Het is goed voor ons, om bij alle gelegenheden de Schriften zelven te raadplegen, en niet de dingen zo maar op goed geloof aan te nemen, opdat wij niet misleid worden door hen, die het woord Gods verminken. Wij moeten doen wat de edele Bereërs gedaan hebben, die dagelijks de Schriften onderzochten.
2. Hoe hij haar verkeerd toepaste, en dat was slechter. De Schrift wordt misbruikt, wanneer zij aangehaald wordt om zonde in bescherming te nemen, en als de mensen haar verwringen ter hunner eigene verzoeking, dan doen zij het tot hun eigen verderf , 2 Petrus 3:16. Deze belofte is vast en houdt stand, maar de duivel maakte er een verkeerd gebruik van, toen hij haar aanwendde als ene aanmoediging om zich te verhovaardigen op de Goddelijke zorge. Het is gene nieuwe zaak, dat de genade Gods veranderd wordt in ontuchtigheden, en dat mensen zich aangemoedigd voelen om te zondigen door de ontdekking van Gods liefde voor de zondaren. Maar zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? ons zelven nederwaarts werpen, opdat de engelen ons op de handen zullen nemen? Dat zij verre.
a. Hoe Christus de verzoeking te boven kwam. Hij weerstond haar, evenals de vorige met: Er is geschreven. Des duivels misbruiken van de Schrift heeft Christus niet weerhouden van haar te gebruiken, maar Hij voert terstond Deuteronomium 6:16 aan: Gij zult den Heere, uwen God, niet verzoeken. De bedoeling hiervan is niet: Daarom moet gij Mij niet verzoeken, maar Daarom moet Ik Mijn Vader niet verzoeken. In de plaats, waaruit zij is aangehaald, staat het in het meervoud: Gij, dat is gijlieden, zult niet verzoeken. Hier staat het in het enkelvoud. Wij zullen waarschijnlijk dan goeds ontvangen door het woord Gods, als wij beloften, die in het algemeen zijn gegeven, horen en aannemen, als sprekende tot ons in het bijzonder. Satan zei: Er is geschreven, Christus zegt: Er is geschreven, niet alsof de ene Schriftuurplaats met de andere in strijd is. God is een, en Zijn woord is een, maar het ene is een belofte, en het andere is een gebod of voorschrift, en daarom moet het ene door het andere verklaard en toegepast worden, want de Schrift is de beste uitlegster van de Schrift, en zij, die profeteren en de Schrift verklaren, moeten dit doen naar de mate des geloofs (Romeinen 12:7) in overeenstemming met de praktische Godzaligheid. Indien Christus zich zelven nederwaarts had geworpen, dan zou dit een verzoeken van God zijn geweest. Daar het zou wezen een nadere bevestiging te eisen, van hetgeen reeds zo wèl bevestigd was. Christus was er reeds volkomen van overtuigd, dat God Zijn Vader was, en voor Hem zorgde, en Zijnen engelen van Hem bevolen had, om dit dus nogmaals aan ene proef te onderwerpen zou wezen Hem verzoeken, zoals de Farizeeën Christus verzochten, toen zij reeds zo vele tekenen hadden op aarde, nu nog een teken van den hemel begeerden. Dit is den Heilige Israël's te beperken, daar het ene bijzondere bewaring van Hem zou vereisen, als Hij deed wat Hij niet geroepen was te doen. Als wij, omdat God beloofd heeft ons niet te verlaten, verwachten, dat Hij ons ook buiten den weg van onzen plicht zal volgen, dat, wijl Hij beloofd heeft in onze behoeften te voorzien, Hij ons in al onze grillen zal toegeven, dat, wijl Hij beloofd heeft ons te zullen behoeden, wij ons nu ook maar moedwillig in gevaar mogen begeven, dat wij het begeerde doel mogen verwachten, zonder de aangewezene middelen te gebruiken, dat is aanmatiging, dat is God verzoeken. En het is ene verzwaring van de zonde, dat Hij de Heere, onze God is, het is misbruik maken van ons voorrecht om Hem tot onzen God te hebben. Daarmee heeft Hij ons aangemoedigd op Hem te betrouwen, maar wij zijn zeer ondankbaar, als wij Hem nu daarom gaan verzoeken, het strijdt met onzen plicht jegens Hem als onzen God. Het is Hem beledigen, dien wij behoren te eren. Nooit moeten wij ons zelven meer beloven dan God ons beloofd heeft.
3. Hij verzocht Hem tot de afschuwelijkste afgoderij met het aanbod van de koninkrijken der wereld en hun heerlijkheid. En hier kunnen wij opmerken:
a. Hoe de duivel dezen aanval op onzen Zaligmaker heeft gericht, vers 8, 9. De ergste verzoeking was voor het laatst bewaard. Soms is de laatste strijd der heiligen met de kinderen Enaks, en de laatste slag is het zwaarst, daarom moeten wij, door welke verzoekingen wij ook aangevallen zijn, ons nog voorbereiden op het ergste, gewapend zijn tegen elke aanval met de wapenrusting der gerechtigheid, ter rechter en ter linkerzijde. In deze verzoeking kunnen wij opmerken: Wat hij Hem toonde -al de koninkrijken der wereld. Om dit te doen, nam hij Hem mede op een zeer hogen berg, in de hoop van te zullen overmogen, zoals Balak met Bileam, veranderde hij van plaats. De tinne des tempels is niet hoog genoeg, de overste van de macht der lucht moet Hem nog verder in zijn gebied hebben. Sommigen denken, dat deze hoge berg aan gene zijde van de Jordaan was, omdat wij Christus dáár vinden na de verzoeking, Johannes 1:28, 29. Wellicht was het de berg Pisga, vanwaar Mozes, in gemeenschapsoefening met God, al de koninkrijken van Kanaän te zien kreeg. Daarheen werd de gezegende Jezus gebracht om een uitzicht te hebben, alsof de duivel Hem meer van de wereld kon tonen, dan Hij reeds kende, die haar gemaakt en bestuurd heeft. Vandaar zou Hij enigen van de koninkrijken kunnen zien, gelegen rondom Judea, hoewel niet hun heerlijkheid, maar er was ongetwijfeld ene begoocheling of misleiding van Satan in. Wat hij Hem toonde was waarschijnlijk slechts een landschap, een luchtverschijnsel in de wolken, zoals die grote bedrieger gemakkelijk kon doen ontstaan, in levendige kleuren de heerlijkheid en glans voorstellende van vorsten, hun gewaden en hun kronen, hun gevolg, hun lijfwacht, de pracht van tronen en hoven, en statige paleizen, de rijke gebouwen in steden, de hoven en velden rondom landhuizen, met allerlei proeven van hun rijkdom, hun genoegens en hun vrolijke feesten, wat het meest de verbeelding kon treffen, en bewondering kon opwekken. Dit was de vertoning, en dat hij Hem daartoe medenam op een hogen berg was slechts om kleur te geven aan de misleiding, waarmee Jezus zich echter niet liet bedriegen. Hij doorzag het bedrog, Hij liet Satan slechts zijn gang gaan, opdat Zijne overwinning over hem des te heerlijker zou zijn. Merk nu omtrent Satans verzoekingen op, ten eerste, dat zij dikwijls binnenkomen door het oog, dat blind wordt voor de dingen, die het moest zien, en verblind wordt door de ijdelheden, waarvan het zich behoorde af te wenden. De eerste zonde begon in het oog, Genesis 3:6. Daarom is het ons nodig een verbond te maken met onze ogen, en God te bidden, ze af te wenden, dat zij gene ijdelheid zien. Ten tweede: Dat verzoekingen gewoonlijk opkomen uit de wereld, en de dingen der wereld. De begeerlijkheid des vlezes, en de begeerlijkheid der ogen, en grootsheid des levens zijn de gemeenplaatsen, waaruit de duivel de meeste van zijne argumenten haalt. Ten derde: dat het een groot bedrog is, waarmee de duivel in zijne verzoekingen bij de arme zielen aankomt. Hij bedriegt, en aldus verderft hij, hij bedriegt de mensen met schaduwen en valse kleuren: toont de wereld en derzelver heerlijkheid, en verbergt voor der mensen ogen de zonde, en de smart, en den dood, die al den glans dier heerlijkheid bevlekken en benevelen, de zorgen en de rampen, die aan grote bezittingen verbonden zijn en de doornen, waarmee de kronen zelf gevoerd zijn. Ten vierde, dat de heerlijkheid der wereld voor onnadenkenden en onvoorzichtigen de verzoeking is, waardoor zij het meest bekoord worden, en hetgeen, waardoor de meeste mensen bedrogen worden. Labans zonen misgunden Jakob al die heerlijkheid, de grootsheid des levens is de gevaarlijkste strik. Wat hij tot Hem zei, vers 9 :Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, neervallende, mij zult aanbidden. Zie: Ten eerste: Hoe ijdel die belofte was. Al deze dingen zal ik U geven. Hij scheen het als erkend en aangenomen te beschouwen, dat hij in de vorige verzoekingen ten dele geslaagd was, en bewezen had, dat Christus niet de Zoon van God was. omdat Hij hem de blijken niet had gegeven, die hij had gevraagd, zodat hij Hem hier nu als een bloot mens aanziet. "Kom", zegt hij, "het schijnt wel, dat de God, wiens Zoon Gij denkt te zijn, U heeft verlaten, U laat verhongeren -een teken, dat Hij Uw Vader niet is, maar zo Gij U door mij wilt laten leiden, zal ik beter voor U zorgen, erken mij als Uw vader, en vraag om mijn zegen, en ik zal U dit alles geven." Satan maakt de mensen gemakkelijk tot zijne prooi, als hij hen er toe kan brengen te denken, dat zij van God verlaten zijn. Het bedrog ligt in dit: Dit alles zal ik U geven. En wat was dat alles? Het was slechts ene landkaart, ene schilderij, ene blote hersenschim, waarin niets wezenlijks, niets degelijks was, en dit wilde hij Hem geven! een fraaie prijs! Toch zijn dit de aanbiedingen van Satan. Ene menigte van mensen verliezen hetgeen is uit het oog, doordat zij hun blikken richten op hetgeen niet is. Het lokaas van den duivel is een en al schijn, vertoningen en schaduwen, waarmee hij hen bedriegt, of liever, waar zij zich zelven mede bedriegen. De volken der aarde waren reeds lang te voren aan den Messias beloofd, indien Hij de Zone Gods is, dan behoren zij Hem. Nu doet Satan zich voor als een goede engel, -waarschijnlijk een van hen, die over koninkrijken gesteld zijn, -en als opdracht te hebben ontvangen om Hem het bezit er van over te leveren overeenkomstig de belofte. Wij moeten er ons wel voor wachten, om, zelfs hetgeen God beloofd heeft, uit des duivels hand te ontvangen. Dat doen wij als wij de vervulling der belofte verhaasten door haar op ene zondige wijze aan te grijpen.
Ten tweede. Hoe goddeloos de voorwaarde was: indien Gij, neervallende, mij zult aanbidden. De duivel wil zeer gaarne aangebeden zijn. Al de aanbidding, die de Heidenen hunnen goden brachten, was geleid door den duivel, Deuteronomium 32:17, die daarom de God dezer eeuw of dezer wereld, genoemd wordt, 2 Corinthiërs 4:4, 1 Corinthiërs 10:20, en gaarne zou hij Christus tot zijne partij hebben willen overhalen, en Hem hebben willen bewegen, om, nu Hij als leraar is opgetreden, de Heidense afgoderij te prediken, en haar wederom in te voeren onder de Joden, want dan zullen de volken der aarde wel spoedig tot hem komen. Welke verzoeking kan afzichtelijker zijn dan deze? De besten der heiligen kunnen inzonderheid als zij onder de macht zijn van neerslachtigheid, verzocht worden om de gruwelijkste zonden te bedrijven, bijvoorbeeld tot atheïsme, godslastering, moord, zelfmoord, en wat niet al! Dit is hun beproeving, maar zo lang er niet met deze verzoeking ingestemd wordt, zolang er niet aan wordt toegegeven, is de zonde niet voor hun rekening, Christus was verzocht om Satan te aanbidden.
b. Zie hoe Christus den aanval afweerde en overwinnaar bleef. Hij verwierp het voorstel. Met afschuw en verfoeiing, Ga weg Satan. In de twee vorige verzoekingen was nog enige schijn van goed, waardoor zij nog in overweging genomen konden worden, maar deze was zo grof, dat zij voor gene bespreking vatbaar was, reeds op den eersten aanblik lijkt zij afschuwelijk, en daarom wordt zij onmiddellijk verworpen. Indien de beste vriend, dien wij in de wereld hebben, ons iets dergelijks zou voorstellen, zoals: Ga heen, dien andere goden, dan moet hij niet geduldig worden aangehoord. Deuteronomium 13:6, 8. Van sommige verzoekingen springt de goddeloosheid terstond in het oog, over dezen wordt niet geredeneerd, die moeten terstond verworpen worden: "Ga weg, Satan. Weg er mede! Ik kan er het denkbeeld niet van verdragen! Toen Satan Christus verzocht zich zelven kwaad te doen door zich nederwaarts te werpen, heeft Hij, hoewel Hij er niet aan toegaf, hem toch aangehoord, maar nu de verzoeking tegen God ingaat, nu kan Hij haar niet verdragen, Ga weg, Satan. Het is ene rechtvaardige toorn, die opkomt bij het voorstel van iets, dat de ere Gods te na komt, en Hem naar de kroon steekt. Ja, alles wat verfoeilijk is, alles waarvan wij weten, dat God het haat, moeten wij verafschuwen, het zij verre van ons er iets mede van doen te hebben. Het is goed om beslist te zijn in het weerstaan van verzoeking, en onze oren te stoppen voor Satans bekoring. Met een argument, ontleend aan de Schrift. Teneinde ons besluit tegen de zonde te versterken is het goed om te zien, hoeveel redenen er zijn voor dit besluit. Het argument is zeer gepast ontleend aan Deuteronomium 6:13 en 10:20.
Den Heere, uwen God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen. Christus twist er niet over, of hij een engel des lichts was, gelijk hij voorwendde, maar al was hij dit ook, toch moet hij niet aangebeden worden, omdat dit ene ere is, die alleen aan God toekomt. Het is goed om ons antwoord op verzoekingen zo kort en volledig mogelijk te maken, zo dat er gene plaats voor tegenspraak overblijft. Onze Heiland wendt zich voor dit geval tot de grondwet, die onafwijsbaar en algemeen verplichtend is. Godsdienstige aanbidding komt alleen aan God toe, en moet aan geen schepsel gebracht worden, het is ene bloem aan de kroon, die niet kan vervreemd worden, een tak van Gods eer en heerlijkheid, die Hij aan geen ander wil afstaan, en die Hij niet eens Zijn eigen Zoon zou gegeven hebben, door alle mensen onder de verplichting te stellen van den Zoon te eren, gelijk zij den Vader eren, indien Hij niet God geweest ware, Hem gelijk, en een met Hem. Christus haalt deze wet aan betreffende de Godsdienstige aanbidding, en Hij haalt haar aan met toepassing op zich zelven, Ten eerste, om aan te tonen, dat Hij in Zijn staat van vernedering zelf onder deze wet geworden is, hoewel Hij, als God, aangebeden is, heeft Hij als Mens in het openbaar en in het verborgen God aangebeden. Hij verplicht ons tot niets meer dan tot hetgeen waartoe het Hem behaagde, in de eerste plaats zich zelven te verplichten. Aldus betaamde het Hem alle gerechtigheid te vervullen. Ten tweede: Om aan te tonen, dat de wet der Godsdienstige aanbidding eeuwig verplichtend is. Hoewel Hij vele inzettingen van den eredienst opgeheven of gewijzigd heeft, is Hij toch deze fundamentele wet der natuur-Dat God alleen aangebeden moet worden-komen bevestigen en verplichtend voor ons stellen.
V. Wij hebben hier het einde en den uitslag van den strijd, vers 11. Hoewel de kinderen Gods door vele en zware verzoekingen gekweld kunnen worden, zal God hen toch niet laten verzocht worden boven hetgeen zij vermogen, want zij zullen er of de kracht toe hebben, of Hij zal hun de kracht er toe geven, 1 Corinthiërs 10:13. Het is slechts voor een weinig tijds, dat zij beproefd zijn door menigerlei verzoekingen. De uitslag nu was heerlijk, en zeer tot ere van Christus, want,
1. De duivel was verslagen en moest het veld ruimen, Toen liet de duivel van Hem af, hiertoe genoodzaakt door de kracht, die het woord van bevel had vergezeld: Ga weg, Satan. Hij maakte een schandelijken aftocht, en hoe stoutmoediger zijne aanvallen waren geweest, hoe vernederender zijne nederlaag was. Magnis tamen excidit ausis -Maar de poging, waarin hij faalde, was toch stoutmoedig. Toen, nadat hij het ergste had gedaan, nadat hij Hem verzocht had met al de koninkrijken der wereld en derzelver heerlijkheid, en had bevonden, dat dit lokaas geen invloed op Hem had, dat hij met die verzoeking, waarmee hij vele duizenden van de kinderen der mensen had verdorven, bij Hem niet overmocht, verliet hij Hem. Toen gaf hij Hem over als meer dan mens. Daar dit Hem niet kon bewegen, wanhoopt hij er aan Hem met iets, wat het ook zij te bewegen, en begint tot de gevolgtrekking te komen, dat Hij de Zone Gods is, en dat het te vergeefs zal zijn Hem nog verder te verzoeken. Als wij den duivel weerstaan, dan zal hij van ons vlieden. Als wij standvastig blijven, zal hij loslaten, zoals toen Naomi zag, dat Ruth vastelijk voorgenomen had met haar te gaan, zo hield zij op tot haar te spreken. Toen de duivel onzen Zaligmaker verliet, erkende hij zich hiermede verslagen te zijn. Zijn kop was vermorzeld door de poging, die hij gedaan had om Christus' verzenen te vermorzelen. Hij verliet Hem, omdat hij aan Hem niets had, niets in Hem vond, om aan te grijpen, hij zag, dat het doelloos was, en zo gaf hij het op. Hoewel de duivel een vijand is van al de heiligen, is hij toch een overwonnen vijand. De Overste Leidsman onzer zaligheid heeft hem verslagen en ontwapend, wij hebben niets te doen dan de overwinning voort te zetten.
2. De heilige engelen zijn toegekomen en hebben onzen zegevierenden Verlosser gediend: ziet, de engelen zijn toegekomen en dienden Hem. Zij kwamen in zichtbare gestalte, zoals de duivel in zichtbare gestalte gekomen was voor zijne verzoeking. Terwijl de duivel zijne aanvallen op onzen Heiland richtte, stonden de engelen op een afstand, en hun onmiddellijke wacht en dienst waren geschorst, opdat het zou blijken, dat Hij in Zijne eigene kracht Satan overwonnen heeft, en Zijn zegepraal er te heerlijker om zijn zou, en opdat later, als Michael gebruik maakt van zijne engelen om te krijgen tegen den draak en zijne engelen, zou blijken, dat het niet is, omdat Hij hen nodig heeft, of Zijn werk niet zonder hen zou kunnen doen, maar omdat het Hem behaagt, hen te eren door hen te gebruiken. Een engel zou hebben kunnen dienen om Hem voedsel te brengen, maar hier zijn velen, die Hem dienen, om hun eerbied voor Hem te betuigen, en hun bereidwilligheid om Zijne bevelen te ontvangen. Ziet dit, het is wel waardig om opgemerkt te worden:
a. Dat gelijk er ene wereld is van boze geesten, die tegen Christus en Zijne kerk strijden, en tegen alle afzonderlijke gelovigen, zo is er ook ene wereld, van heilige, zalige geesten, die tot hun dienst gebruikt worden. Met betrekking tot onzen krijg met duivelen kunnen wij overvloedige vertroosting putten uit onze gemeenschap met engelen.
b. Dat Christus' overwinningen de triomf zijn der engelen. De engelen kwamen om Christus toe te juichen wegens Zijne zegepraal, om zich met Hem te verblijden, en Hem de ere te geven Zijns naams, want die werd met "grote stem" gezongen in den hemel, toen de grote draak werd geworpen, Openbaring 12:9, 10. Nu is de zaligheid en de kracht geworden.
c. Dat de engelen den Heere Jezus dienden, niet slechts met voedsel, maar met alles, waaraan Hij na deze grote vermoeienis behoefte had. Zie, hoe de voorbeelden van Christus' vernedering opgewogen werden door tekenen van Zijne heerlijkheid. Evenals Hij gekruist is door zwakheid en nochtans leeft door de kracht Gods, zo heeft Hij ook na in zwakheid verzocht te zijn, nadat Hem hongerde en Hij vermoeid was, toch door Zijne Goddelijke kracht den dienst der engelen geboden. Aldus heeft de Zoon des mensen engelen-voedsel gegeten, en, gelijk Elia, werd Hij door een engel in de woestijn gespijzigd, 1 Koningen 19:4, 7. God kan Zijn volk wel in nood en benauwdheid laten komen, maar toch zal Hij er afdoende voor zorgen, dat in hun nood voorzien wordt, en Hij zou veeleer engelen zenden om hen te voeden, dan hen te zien omkomen. Vertrouw op den Heere, en gij zult voorzeker gevoed worden. Christus werd na de verzoeking dus ondersteund: Ter Zijner bemoediging om voort te gaan met hetgeen Hij ondernomen heeft, opdat Hij zou zien hoe de machten des hemels aan Zijne zijde waren, toen Hij de machten der hel tegen zich zag. Ter onzer bemoediging om op Hem te vertrouwen, want, gelijk Hij bij ervaring wist, wat het was te lijden, verzocht zijnde, en hoe zwaar dit is, zo wist Hij ook wat het was ondersteund te worden, verzocht zijnde, en hoe troostrijk dit is, en daarom kunnen wij verwachten, niet slechts, dat Hij medegevoel zal hebben met Zijn verzocht volk, maar dat Hij met tijdige hulp tot hen zal komen, als onze grote Melchizedek, die Abraham tegemoet ging, toen hij wederkeerde uit den strijd, en gelijk hier de engelen, hem diende.
Eindelijk. Christus aldus aangewezen zijnde en groot gemaakt in de onzichtbare wereld door de stem des Vaders, de nederdaling des Geestes, Zijne overwinning over duivelen, en Zijne heerschappij over engelen, was nu ook ongetwijfeld geschikt om te verschijnen in de zichtbare wereld als de Middelaar tussen God en den mens, want aanmerkt, hoe groot deze geweest zij!.