Psalm 9:12-21
I. David, zelf God geloofd hebbende, roept en nodigt in deze verzen anderen om Hem evenzo te loven, vers 11. Zij, die geloven dat God grotelijks geprezen moet worden, begeren niet slechts zelf dat werk beter te doen, maar wensen ook dat anderen zich daarin met hen zullen verenigen, en zij zouden gaarne het middel wezen om hen daartoe te brengen. Psalmzingt de Heere, die te Zion woont. Gelijk de bijzondere woning van Zijn heerlijkheid in de hemel is, zo is de bijzondere woning van Zijn genade in Zijn kerk, waarvan Zion een type was. Daar ontmoet Hij Zijn volk met Zijn beloften en genadegaven, en daar verwacht Hij dat wij Hem zullen tegenkomen met lof en dienst. In al onze lofzeggingen moeten wij het oog hebben op God als wonende in Zion, op bijzondere wijze tegenwoordig in de vergaderingen van Zijn volk als hun beschermer en begunstiger. Hij besloot zelf Gods wonderen te vertellen, vers 2, en hier roept hij anderen op om Zijn daden onder de volken te verkondigen, hij beveelt zijn eigen onderdanen dit te doen tot eer van God, van hun land en van hun heilige Godsdienst, hij wekt zijn naburen er toe op om de lof te zingen, niet zoals tot nu toe, van hun valse goden, maar van Jehovah, die in Zion woont, van de God Israels, en om onder de heidenen te erkennen dat de Heere "grote dingen voor Zijn volk Israël gedaan heeft,' Psalm 126:3. Laat hen inzonderheid nota nemen van de gerechtigheid Gods door het bloed van Zijn volk Israël te wreken op de Filistijnen en hun andere goddeloze naburen, die, als zij oorlog met hen voerden, hen wreedaardig behandelden en hun geen lijfsgenade schonken, vers 13. Als God komt om door Zijn oordelen op aarde de bloedstortingen te zoeken, eer Hij komt om het te doen door het oordeel op de grote dag, dan gedenkt Hij ze, gedenkt Hij iedere droppel van het onschuldig bloed, dat zij vergoten hebben, en zal het zevenvoudig op het hoofd van de bloeddorstigen doen wederkeren. Hij zal hun bloed te drinken geven, want zij zijn het waardig. Deze verzekerdheid kan hij wel bouwen op het woord in Deuteronomium 32:43. "Hij zal het bloed van Zijn knechten wreken." Er komt een dag, wanneer God de bloedstortingen zal zoeken en ontdekken zal het bloed, dat in het verborgen vergoten werd, en het bloed zal wreken, dat onrechtvaardig vergoten werd, zie Jesaja 26:21, Jeremia 51:35. Op die dag zal het blijken hoe dierbaar aan God het bloed Zijns volks is, Psalm 72:14, wanneer er rekenschap van gegeven zal moeten worden. Dan zal het blijken dat Hij het geroep van de ellendigen niet heeft vergeten, noch het geroep van hun bloed, noch het geroep van hun gebeden, maar dat beide verzekerd zijn in Zijn schatten.
II. David had God geloofd voor vroegere zegeningen en uitreddingen, en nu bidt hij vurig dat God ook nog verder voor hem wilde verschijnen, want hij ziet nog niet dat hem alle dingen onderworpen zijn. Hij bidt:
1. Dat God zich over hem zal ontfermen vers 14. Wees mij genadig, Heere! Alleen ellende, maar geen verdienste hebbende om op te pleiten, moet ik om hulp te verkrijgen, alleen steunen op genade.
2. Dat God voor hem zou zorgen. Hij treedt niet in bijzonderheden in dit zijn gebed, want hij wil aan God niet voorschrijven wat hij doen moet, maar laat alles over aan de wijsheid en de wil van God, daar hij ootmoedig bidt: Zie mijn ellende aan, en doe voor mij wat Gij goed en geschikt voor mij acht. Hij wijst:
a. Op de boosaardigheid van zijn vijanden, de ellende, die hij leed door hen, die hem haatten en haat is wrede hartstocht. b. Op zijn ervaring die hij had van de Goddelijke hulp, en de verwachting, die hij nu koesterde van de voortduring ervan naar de nood het vereiste. "Gij die mij verhoogt, Gij, die dit kunt, die dit gedaan hebt, die het zult doen, wiens kroonrecht het is om Uw volk te verhogen uit de poorten des doods. Wij worden nooit zo naar de diepte gebracht, of zo nabij de dood, of God kan ons oprichten. Als Hij ons van de geestelijke en eeuwige dood heeft gered, dan kan dit ons aanmoedigen om te hopen, dat Hij krachtiglijk bevonden zal worden te zijn een hulp in al onze benauwdheden.
c. Op zijn oprecht voornemen om God te loven als zijn overwinningen voltooid zullen zijn, vers 15. "Heere, red mij, niet opdat ik er de troost en de eer van zal hebben, maar opdat Gij er eer en heerlijkheid door zult ontvangen, opdat ik Uw gehele lof vertelle, en dat wel in het openbaar in de poorten van de dochter van Zion". Daar werd God gezegd te wonen, vers 12, en daar wilde David tot Hem gaan, zich verheugende in Gods heil, het type van het grote heil, dat door de Zone Davids gewrocht zal worden.
III. Door het geloof voorziet en voorzegt David het gewisse verderf van alle goddelozen beide in deze en in de toekomende wereld.
1. In deze wereld, vers 16, 17. God voert als de mate hunner ongerechtigheid vol is oordelen over hen uit, en doet het zo
a. Dat zij te schande worden gemaakt, hun val roemloos is, want zij zinken neer in de groeve, die zij zelf gemaakt hebben, Psalm 7:16, zij worden gevangen in het net, dat zij zelf gespreid hebben om er Gods volk in te verstrikken, en zij worden verstrikt in het werk hunner eigen handen. In al de worstelingen van David met de Filistijnen waren zij de aanvallers 2 Samuël 5:17, 22. En andere volken werden onderworpen door de oorlogen, waarin zij zich verwikkeld hadden. De allesbesturende voorzienigheid Gods beschikt het dikwijls zo, dat de vervolgers en verdrukkers zelf ten verderve worden gebracht door dezelfde plannen, die zij beraamd hebben om het volk van God tenonder te brengen. Dronkaards berokkenen zichzelf de dood, verkwisters brengen zichzelf tot de bedelstaf, twistzoekers brengen kwaad over zichzelf, en zo kunnen zonden van de mensen gelezen worden in hun straf en wordt het zichtbaar voor ieder dat het verderf van de zondaren niet alleen verdiend is, maar dat zij het bepaald zelf over zich gebracht hebben, en dat zal hen ten uiterste beschaamd doen staan.
b. Dat Hijzelf er door verheerlijkt wordt. De Heere is bekend geworden, Hij maakt zich bekend door het recht, dat Hij gedaan heeft. Het is bekend dat er een God is, die recht doet op de aarde, dat Hij een rechtvaardig God is, die de zonde haat en haar zal straffen. In deze oordelen wordt de toorn Gods geopenbaard van de hemel tegen alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen. Daarom plaatst de psalmist hier een buitengewoon aandachtsteken, Higgajon! Dit is iets dat zeer bijzonder opgemerkt en bepeinsd moet worden. Wat wij zien van tegenwoordige oordelen en wat wij geloven van het toekomend oordeel moet het onderwerp wezen van menigvuldig en ernstig nadenken.
2. In de andere wereld, vers 18. De goddelozen zullen terugkeren naar de hel toe, alle Godvergetende heidenen, als gevangenen naar het gevangenhuis. Vergeten van God is de oorzaak van al de goddeloosheid van de goddelozen. Er zijn gehele volken van hen, die God vergeten, menigten, die zonder God in de wereld leven, vele grote en machtige volken, die nooit acht op Hem slaan en Zijn wegen niet begeren te kennen. De hel zal ten laatste het deel wezen van de zodanigen, een toestand van eeuwige ellende en foltering, Scheol een kuil des verderfs, waarin zij voor altijd begraven zijn. Hoewel er gehele volken van hen zijn, zullen zij toch naar de hel toegekeerd worden als schapen naar het slachthuis, Psalm 4:9 , en dat zij zo talrijk zijn, zal hun noch tot bescherming en veiligheid, noch tot verlichting dienen, ook zal dit God generlei verlies veroorzaken noch een aanklacht kunnen zijn tegen Zijn goedheid.
IV. David moedigt het volk van God aan om te wachten op Zijn heil, Zijn verlossing al wordt die ook nog zo lang uitgesteld, vers 19. De nooddruftigen kunnen denken dat zij vergeten zijn, en anderen kunnen dit van hen denken, vergeten zijn voor een wijle, en hun verwachting van hulp van God kan schijnen verloren te zijn, voor altijd teleurgesteld, maar wie gelooft zal niet haasten, het gezicht is voor een bestemde tijd en aan het einde zal Hij het voortbrengen, wij kunnen er op bouwen en vertrouwen als ontwijfelbaar waar dat Gods volk, Gods uitverkorenen, niet altijd vergeten zullen zijn, noch teleurgesteld zullen worden in hun hoop op de belofte. God zal hen niet slechts gedenken -ten laatste, maar doen blijken dat Hij hen nooit vergeten heeft, het is niet mogelijk dat Hij hen vergeet al zou ook een vrouw haar zuigeling vergeten.
V. Hij besluit met een gebed dat God de hoogmoed zal vernederen van al de goddeloze vijanden van Zijn kerk, hun macht zal verbreken en hun plannen in duigen zal doen vallen. "Sta op, Heere! vers 20, wek Uzelf op, wend Uw macht aan, neem plaats op Uw troon en handel met al deze trotse, vermetele vijanden van Uw naam, van Uw zaak en van Uw volk."
1. "Heere, weerhoud hen, stel perken aan hun boosaardigheid, laat de mens zich niet versterken. Ga te rade met Uw eigen eer en laat de zwakke sterfelijke mens zich niet versterken tegen het koninkrijk en de belangen van de almachtige en onsterflijke God. Zal de "sterfelijke mens te machtig zijn voor God, te sterk voor zijn Maker?"
2. "Heere, reken af met hen laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden, laat hun duidelijk rekenschap gevraagd worden van al de oneer, die U aangedaan is, en het kwaad dat Uw volk is aangedaan." Onboetvaardige zondaren, zullen gestraft worden voor Gods aangezicht en als hun dag van genade voorbij is, dan zullen zelfs de ingewanden van de oneindige barmhartigheid niet over hen bewogen worden. Openbaring 14:10.
3. O Heere! jaag hun vrees aan, vers 21, verschrik hen, doe hen vrezen voor Uw oordelen. God kan de sterkste en vermetelste mensen doen sidderen, zodat zij vlieden als er geen vervolger is, en hiermede doet Hij hen weten en erkennen dat zij slechts mensen zijn, zij zijn slechts zwakke mensen, kunnen niet bestaan voor de heilige God, zondige mensen, wier schuldig geweten hen onderhevig maakt aan schrik en angst. Het is zeer wenselijk, zeer tot eer en heerlijkheid Gods en de vrede en het welzijn van het heelal dat de mensen weten slechts mensen te zijn en zich als zodanig beschouwen, afhankelijke sterfelijke en verantwoordelijke schepselen.
Bij het zingen hiervan moeten wij Gode de eer geven van Zijn gerechtigheid, daar Hij de zaak Zijns volks voorstaat en handhaaft tegen Zijn en hun vijanden, en onszelf aanmoedigen om te wachten op het jaar van de verlosten en het jaar van de vergeldingen om Zions twistzaak, de eindelijke verdelging namelijk van alle anti-christelijke machten en partijen, waarop velen van de ouden deze psalm toepassen.