3. Eéne stem. De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan, ja de Heidenen hebben het terecht opgemerkt, dies zijn wij verblijd, want Gods genade is tot ons wedergekeerd.
De gevangenen Zions, dat zijn alle gelovigen, alle kinderen Gods, die in de genade des Heeren en onder de tucht Zijns Geestes staan. Zij zijn wel is waar, hier beneden reeds verlost, want zij zijn vrij gemaakt van hun zondenschuld, van den vloek der wet en van het geweld des satans. Zij zijn echter, omdat zij in dezen tabernakel zijn, ook aan de andere zijde nog met zo vele banden van zwakheid, van smart, van ijdelheid gebonden, en verlangen naar hun volkomene verlossing. Die zal dan ook eenmaal komen-voor ieder in `t bijzonder voorlopig, als de Heere hem een zalig einde geeft en hem in genade uit dit jammerdal tot Zich in den hemel neemt; voor de gehele gemeente in hare buitengewone volheid en heerlijkheid, wanneer Hij, de Verlosser, met een geroep en de stem des aartsengels en met de bazuin Gods nederdaalt van den hemel en de doden in Christus eerst zullen opstaan, daarna die dan nog op aarde en in hun lichamen zijn, en zij zullen met deze worden opgenomen in de wolken, den Heere tegemoet in de lucht. Dan zullen wij zijn als die dromen. Ja, reeds zullen wij als dromende en geheel van vreugde buiten ons zelven zijn, wanneer een zalige dood ons uit deze tegenwoordige boze wereld overvoert in ene andere betere wereld, wanneer de engelen op den Elia's-wagen onze ziel naar huis brengen in het ware vaderland; zij stijgt dan op de eeuwige bergen, naar welke zich hier beneden steeds haar oog verhief en van welke hare hulp kwam; zij bestijgt den koningsburg van Hem, die Davids Zoon en Davids Heer tegelijk is. Zij trekt in met den palmtak der overwinning in hare rechterhand, achter zich al de ellende van den tijd, vóór zich de opene heerlijkheid. Hoe zal het daar zijn? Vreugde en genot zullen haar met ene zalige kracht aangrijpen, van vreugde en genot overstelpt, zal zij niet weten, wat haar geschiedt. Er zullen zich voor haar wonderen Gods openen, die nog geen oog gezien en geen oor gehoord heeft, en die in geen mensenhart zijn opgeklommen; want wij zien hier beneden slechts het minste van Zijne wonderen. Maar het hoogste is: zij zal God zien, het ongeschapene Heilig-Heilig-Heilige Licht; dat zal in haar ene onuitsprekelijke vreugde ontsteken en ene onuitsprekelijke zaligheid in het hart storten. Alle ijdelheid daarentegen, alle plagen, alle ellenden van dezen tijd, die op aarde als met haar wezen schenen te zamen gegroeid te zijn, zodat zij zich zelf niet anders kende dan als ene gekwelde ziel, zij zijn voorbij; want smarten en zuchten kunnen toch niet meer daar zijn, waar eeuwige blijdschap en vredevolle sabbat Gods is..
Als degenen, die dromen, zullen wij echter eerst recht dan zijn, wanneer de laatste grote dag komt en de Heere Zijne uitverkorenen verzamelt van de vier winden, van het ene einde des hemels tot het andere einde. Dan zullen wij niet alleen diegenen wedervinden, en voor eeuwig weer bezitten in verheerlijkte gedaante en in hemelse natuur, die wij in dit leven gekend en bemind, en wier sterven wij zozeer bejammerd en betreurd hebben; wij zullen dan ook diegenen aanschouwen, die door alle tijden heen den Heere hebben gehoorzaamd en geloofd, en door wier woord wij zelf gelovig geworden zijn-de heilige aartsvaders, de geliefde profeten, de grote Apostelen, de getrouwe bloedgetuigen en martelaars de gehele gemeente der heiligen, zij zal voor onze ogen staan, en zij zal ons in haar midden opnemen, zodat wij in hare vriendschap en gemeenschap de bruiloft des Lams vieren. Dan zal onze mond vol lachen zijn en onze tong met gejuich. Hier onder het tegenwoordige kromme en verdraaide geslacht is onze mond zeer dikwijls vol van heilige verontwaardiging, wanneer wij Jacob zijne overtreding en Israël zijne zonden moeten aantonen. Hier is dikwijls onze tong vol klachten, wanneer er geen einde is aan het branden en vernielen, en de mensen met ziende ogen niet willen zien, noch met horende oren horen, maar zich zelven toorn vergaderen tegen den dag des toorns en de openbaring van het rechtvaardig oordeel. Op dien dag des Heeren zal Hij allen, die den gelove niet wilden gehoorzaam worden, buitenstoten en alle ergernis uit Zijn rijk te zamen vergaderen en in den vurigen oven werpen. Dan zal onze mond vol lachen zijn, want dan zijn wij degenen, die triomferen, die hun zaak zien zegepralen en hun vijanden onder hun voeten zien. Eertijds was het anders, eertijds waren wij een klein verdrukt hoopje, een vloek der wereld en een voetwis voor alle mensen; maar dan zal het zijn: "de rechterhand des Heeren is verhoogd, de rechterhand des Heeren doet krachtige daden." En gelijk onze mond vol lachen is, zo is onze tong vol gejuich over den Heere, die onze ziel van den dood heeft gered en onzen voet van aanstoot, die ons bekwaam heeft gemaakt tot de erve der heiligen in het licht, en geen berouw gehad heeft over Zijne genade en verkiezing. Dan zullen allen, die ons benijdden, die met ons tot het geloof werden geroepen, maar de genade Gods hebben verworpen, zich zelven moeten veroordelen en het eeuwige leven onwaardig achten. Dat zijn de heidenen, onder welke men omtrent ons zal zeggen: "De Heere heeft grote dingen bij hen gedaan." Ook zij die heden noch woeden en met elkaar beraadslagen tegen den Heere en Zijnen Gezalfde, zullen er eens enige gedachten van hebben, hoe zalig zij zouden hebben kunnen worden, zo zij de banden niet hadden verscheurd, waarmee de Heiland hen aan Zijn zacht juk had willen knopen, en de koorden Zijner liefde niet van zich hadden geworpen. Zij zullen ten minste begrijpen, welke kwelling en pijn zij zouden hebben kunnen ontgaan, wanneer zij zich hadden willen laten redden, en zullen degenen, die waarlijk gered zijn geworden, gelukkig prijzen.
Terwijl echter de door den nood ontperste belijdenis: "De Heere heeft grote dingen aan hen gedaan," den heidenen zelven niet meer baat, nemen de zaligen en volmaakten, de verlosten des Heeren het hun van den mond weg, en maken het tot hun eigen lofzang, die door den hemel weergalmt en in alle eeuwigheid voortklinkt: "de Heere heeft grote dingen aan ons gedaan, dies zijn wij verblijd!" O, wie nog tijd heeft over het heil zijner ziel na te denken, de hel naar beneden te vermijden en den weg des levens, die naar boven gaat, te verkiezen, die bedenke zich niet lang, opdat het niet te laat worde; hij sta af van ongerechtigheid, verlate den breden weg, waarop zo velen wandelen, en ga over op den smaden weg, aan de zijde van hen, die uit Babel zijn uitgegaan en naar Jeruzalem heentrekken. Zij, deze teruggeleidenen wedergekeerden, bidden nu nog, in den tijd der genade, voor hen, en omvatten hen in het gebed, dat wij in de vier volgende verzen lezen; want allen, die zelf de kennis der zaligheid hebben ontvangen, hebben geen sterker verlangen, dan dat de Heere er velen bekere en hen nazende op den weg der gerechtigheid. Zij behoren ook eigenlijk tot ons, tot de kinderen Zions, de nog achtergeblevenen in Babel; zij zijn toch in den naam des Heeren Jezus gedoopt, terwijl het dierbaar en heilig bloed des Heeren voor hen vergoten is: zo denken de bekeerden, en zij zouden zo gaarne allen met zich medetrekken.
Sommige Christenen hebben ene droevige geneigdheid, om bij alles op de donkere zijde te zien, en om meer te blijven stilstaan bij hetgeen zij doorgegaan zijn dan bij hetgeen God voor hen deed. Vraag naar hun indruk van het Christelijk leven, en zij zullen spreken over hun gedurigen strijd hun zware beproevingen, hun smartelijke wederwaardigheden en de zondigheid hunner harten, terwijl zij bijna geen melding maken van de genade en hulp, die God hun geschonken heeft. Een Christen daarentegen, wiens ziel in een gezonden toestand is, zal blijmoedig te voorschijn treden en zeggen: Ik wil niet van mij zelven, maar tot verheerlijking van mijnen God spreken. Hij heeft mij uit een ruisende kuil, uit modderig slijk opgehaald en heeft mijne voeten op een rotssteen gesteld. Hij heeft mijne gangen vastgemaakt, en Hij heeft een nieuw lied in mijnen mond gegeven, een lofzang onzen God. De Heere heeft grote dingen bij mij gedaan, dies ben ik verblijd. Zulk een uittreksel van onze ondervinding is het allerbeste wat een kind van God hun kan aanbieden. Het is ene waarheid, dat wij beproevingen ondervinden; doch het is even waar, dat wij er uit gered worden. Het is waar, dat wij onze verdorvenheden hebben en met smart weten wij dit; maar het is ook even waar, dat wij een algenoegzamen Zaligmaker hebben, die deze verdorvenheden overwint en ons van hare heerschappij verlost. Op het verledene terugziende, ware het verkeerd te loochenen, dat wij in den poel Mistrouwen geweest en in de vallei van Verootmoediging gegaan zijn; doch het zou even verkeerd zijn te vergeten, dat wij deze veilig en tot ons nut doorgegaan zijn; wij zijn er niet in gebleven, dank zij onzen almachtigen Helper en Leidsman, die ons in een vruchtbaar land gebracht heeft. Hoe zwaarder onze beproevingen waren, des te inniger zal onze dank jegens God zijn, die ons in alles doorgeholpen en tot hiertoe bewaard heeft. Onze smarten kunnen de melodie van onze dankzeggingen niet verhinderen, wij rekenen deze te behoren tot het gedeelte van den bas van ons levenslied: Hij heeft grote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd..
4.
II. Vers 4-6. Met de dankbare vreugde over haar wederkeren naar haar land, waarvan zij te voren melding maakte, verenigt hierop de gemeente van de naar Jeruzalem terugkerenden de bede, dat dit werk van zegen volbracht worde. Zulk ene voltooiing is wel, zoals de omstandigheden nu zijn, nog buiten het gezicht, maar zij kan niet altijd uitblijven, op het onder tranen uitgestrooide zaad zal een heerlijke blijde oogsttijd volgen.