Psalm 4:7-9
I. Wij hebben hier de dwaze wens van wereldse lieden. Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Welk goed zij bedoelden wordt te kennen gegeven in vers 8. Het was de vermenigvuldiging van hun koren en hun most, al wat zij begeerden was overvloed van de rijkdom van deze wereld, ten einde volop de genietingen van de zinnen te smaken. Zij hebben in zoverre gelijk, dat zij begerig zijn naar goed, er naar streven, maar er is ook verkeerds in hun begeerte.
1. Zij vragen in het algemeen, "Wie zal ons gelukkig maken?" maar zij wenden zich er niet voor tot God, die het alleen kan, en zo tonen zij dat zij aan ieder ander liever verplicht willen zijn dan aan God, want zij zouden wel gaarne zonder Hem willen leven.
2. Zij vragen naar goed, dat gezien kan worden, goed dat met de zinnen waargenomen kan worden en tonen geen belangstelling voor het goede, dat buiten het gezicht is en slechts het voorwerp is van geloof. De oorsprong van de afgoderij was een begeerte naar goden, die gezien konden worden, en daarom aanbaden zij de zon maar gelijk ons geleerd moet worden een onzichtbare God te aanbidden, zo ook om een ongezien goed te zoeken, 2 Corinthiers 4:18. Met het oog des geloofs zien wij verder dan wij zien kunnen met het lichamelijk oog.
3. Zij vragen naar enigerlei goed, niet naar het voornaamste goed, al wat zij verlangen is uitwendig goed, tegenwoordig goed, eenzijdig goed, goede spijs en drank, een goed bedrijf een goede bezitting. En wat is van dat alles de waardij zonder een goede God en een goed hart? Enigerlei goed, goed van welke aard ook, zal de meeste mensen bevredigen, maar een Godvruchtige ziel zal er zich niet mee vergenoegen. Deze weg, deze wens van vleselijkgezinde wereldlingen is hun dwaasheid, en toch zijn er velen, die er mee instemmen, dienovereenkomstig zal hun oordeel zijn: "Kind, gedenk, dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven, de penning, waarvoor gij overeen zijt gekomen."
II. De verstandige keuze, die Godvruchtigen doen. David en de weinige vromen, die hem aanhingen, stemden niet in met die wens maar verenigden zich in dit gebed: Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere!
1. Hij is het oneens met de stem van velen. God had hem zich afgezonderd door onderscheidende gunsten en daarom zondert hij zich af door een onderscheidend karakter. "Zij zijn voor elk goed, waarin het ook besta, voor werelds goed, maar daar ben ik niet voor, ik zal niet zeggen wat zij zeggen, niet ieder goed kan mij bevredigen, de rijkdom van de wereld zal nooit het deel mijner ziel kunnen zijn en daarom kan ik er mij niet mee vergenoegen."
2. Hij en zijn vrienden komen overeen in de keus van Gods gunst als hun geluk, in hun schatting is die beter dan het leven en de gemakken en genoegens van het leven.
A. Dit is het wat zij ernstig begeren en zoeken, dit is de ademtocht hunner ziel. Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere, de meesten zijn voor andere dingen maar wij zijn hier voor. Evenals Godvruchtige mensen zich onderscheiden door hun practijken, zo onderscheiden zij zich ook door hun gebeden, niet door de lengte of door de bewoordingen ervan, maar door het geloof en de vurigheid van gemoed, die er uit spreken. Zij, die door God werden afgezonderd, hebben een gebed, dat hun eigen is, hetwelk, hoewel anderen de woorden ervan kunnen bezigen zij toch alleen in oprechtheid opzenden, en dit is een gebed, waarop zij allen Amen zeggen: "Heere, laat ons Uw gunst deelachtig zijn en laat ons daar de bewustheid van hebben, meer begeren wij niet, en dat is genoeg om ons gelukkig te maken. Heere, heb vrede met ons neem ons aan, openbaar U aan ons, laat ons verzadigd zijn van Uw goedertierenheid en wij zullen er mee tevreden zijn."
Merk op: hoewel David in het 8ste en de vers alleen van zichzelf spreekt, spreekt hij in dit gebed ook voor anderen, "over ons", zoals Christus ons geleerd heeft te bidden "Onze Vader." Al de heiligen komen met dezelfde boodschap tot de troon van de genade en hierin zijn zij een, allen begeren zij Gods gunst als hun hoogste goed. Wij moeten haar vragen voor anderen, zowel als voor onszelf, want in Gods gunst is genoeg voor allen en wij zullen er nooit minder om hebben als anderen delen in hetgeen wij hebben.
B. Dat is het, waarin zij zich bovenal verblijden, vers 8. Gij hebt dikwijls hierdoor vreugde in mijn hart gegeven, mij niet slechts ondersteund en verkwikt, maar vervuld met onuitsprekelijke vreugde, en daarom is dit het wat ik zal zoeken al de dagen van mijn leven. Als God genade in het hart geeft, dan geeft Hij blijdschap in het hart, en geen blijdschap is te vergelijken bij die, welke Godvruchtige zielen smaken in de mededeling van Gods gunst, neen, niet de blijdschap van de oogst, van een overvloedige oogst, als het koren en de most vermenigvuldigd worden. Dit is blijdschap in het hart, innerlijke, degelijke, duurzame blijdschap. De vrolijkheid van wereldlingen is slechts een flikkering, een schaduw, "het hart zal ook in het lachen smart hebben, en het laatste van die blijdschap is droefheid," Spreuken 14:13. Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven. Ware vreugde is Gods gave, niet gelijkerwijs de wereld geeft, Johannes 14:27. De heiligen hebben geen reden om aan wereldlingen hun vrolijkheid te benijden, maar moeten veeleer medelijden met hen hebben, want zij kunnen beter weten, maar willen niet.
C. Die gunst is het, waarin zij een algeheel vertrouwen stellen en in dit vertrouwen zijn zij altijd gerust, vers 9. Hij had. zich neergelegd en geslapen, Psalm 3:6, en dat zal hij nog doen. De verzekering hebbende van Uw gunst, zal ik in vrede tezamen nederliggen er slapen, met evenveel genoegen en voldoening als degenen wier koren en most vermenigvuldigd zijn en die, evenals Boaz op zijn dorsvloer toen zijn hart vrolijk was, nederliggen aan het uiterste eens korenhoops, Ruth 3:7, want Gij, o Heere! alleen zult mij doen zeker wonen. Ofschoon ik alleen ben, ben ik toch niet alleen, want God is met mij, hoewel ik geen wachter om mij heen heb, is de Heere toch voldoende om mij te beschermen, Hij kan het als alle andere bescherming faalt. Als hij het licht heeft van Gods aanschijn:
a. Kan hij zich verlustigen. Zijn ziel keert weer tot God en rust in Hem en zo legt hij zich neer en slaapt in vrede. Hij heeft wat hij wilde hebben, en is er zeker van dat hem geen kwaad kan overkomen.
b. Hij vreest geen stoornis van zijn vijanden, slaapt gerust en is zeer veilig, omdat God zelf het op zich heeft genomen om voor zijn veiligheid te zorgen. Als hij er toe komt om de slaap des doods te slapen en neer te liggen in het graf, om zijn bed te spreiden in de duisternis dat zal hij met de ouden vromen Simeon henengaan in vrede, Lukas 2:29, verzekerd zijnde dat God zijn ziel zal ontvangen om veilig bij Hem te zijn en dat ook zich lichaam veilig zal rusten in het graf. c. Hij beveelt Gode al zijn zaken en is tevreden om Hem de uitslag ervan over te laten. Van de landman wordt gezegd dat hij, het zaad in de aarde geworpen hebbende, voorts sliep en opstond, nacht en dag, en het zaad sproot uit en werd lang, hij zelf wist niet hoe, Markus 4:26, Z7. Zo zal een Godvruchtige, door geloof en gebed zijn zorg op God geworpen hebbende, slapen en rusten nacht en dag en zeer gerust zijn, het aan God overlatende om alles voor hem te volbrengen, en geheel bereid zijnde om in Zijn heilige wil te berusten en er zich naar te gedragen.
Laat ons bij het zingen en biddend overdenken van deze psalm, met een heilige minachting van de rijkdom en de genoegens van deze wereld, als zijnde ongenoegzaam om ons gelukkig te maken, ernstig de gunst zoeken van God en vertroosting er in smaken, en laat ons met heilige onbekommerdheid omtrent het verloop van al onze wereldse zaken, ons en alles wat ons betreft overgeven in de bewaring van de Goddelijke voorzienigheid en overtuigd zijn dat zo wij ons bewaren in de liefde van God Hij alle dingen zal doen medewerken ons ten goede.