Psalm 89:20-38
Er was tevoren melding gemaakt van het verbond, dat God met David en zijn zaad gemaakt had, vers 4, 5, maar in deze verzen wordt er over uitgeweid, wordt er bij God op gepleit om een gunst voor het koninklijke geslacht, dat nu geheel in het verderf was gestort. Maar het ziet gewis op Christus, en is in Hem veel meer vervuld dan in David, ja sommige passages hier kunnen nauwelijks op David toegepast worden, maar moeten alleen van Christus verstaan worden, die derhalve David onze koning genoemd wordt, Hosea 3:5, en zeer groot en dierbaar zijn de beloften, die hier aan de Verlosser gedaan zijn, welke een sterk fondament zijn voor het geloof en de hoop van de verlosten om op te bouwen. De vertroostingen onzer verlossing vloeien voort uit het verbond van de verlossing, al onze fonteinen zijn daarin, Jesaja 55:3. Ik zal met u een eeuwig verbond maken, en u geven de gewisse weldadigheden Davids, Handelingen 13:34. Nu hebben wij hier een bericht van deze gewisse weldadigheden.
Merk op:
I. Welke zekerheid wij hebben van de waarheid van de belofte, die ons kan aanmoedigen om er op te bouwen. Er wordt ons hier gezegd:
1. Hoe het gesproken was, vers 20. Gij hebt in een gezicht gesproken tot Uwen heilige, Gods belofte aan David, waar hier bijzonder naar verwezen wordt, werd gesproken in een gezicht tot Nathan de profeet, 2 Samuël 7:12-17. Toen, de heilige Israëls hun koning was, vers 19, toen heeft Hij David als Zijn onderkoning aangesteld. Maar tot alle profeten, deze heiligen, heeft Hij in een gezicht gesproken van Christus, en inzonderheid tot Hemzelf, die van eeuwigheid af in Zijn schoot was, en volkomen bekend was met het gehele plan van de verlossing, Mattheus 11:27.
2. Hoe zij gezworen en bekrachtigd werd vers 36. Ik heb eens gezworen bij Mijne heiligheid, deze kostelijke, dierbare eigenschap. Door te zweren bij Zijn heiligheid, zwoer Hij bij zichzelf, want Hij zou even spoedig ophouden te bestaan als ophouden heilig te zijn. Zijn eenmaal zweren is genoeg. Hij behoeft niet nogmaals te zweren, zoals David gedaan heeft 1 Samuël 20:17, want Zijn woord en eed zijn twee onveranderlijke dingen. Gelijk Christus priester gemaakt was, zo was Hij ook koning gemaakt "door een eed," Hebreeën 7:21, want Zijn koningschap en Zijn priesterschap zijn beide onveranderlijk.
II. De keus van de persoon, aan wie de belofte gegeven is, vers 20, 21. David was koning door Gods eigen verkiezing, en dat is ook Christus, en daarom worden beide Gods Koningen genoemd, Psalm 2:6. David was een held, een man van moed en geschikt voor zaken, hij was verkoren uit het volk, niet uit de vorsten, maar uit de herders. God vond hem, verhoogde hem, heeft hulp op hem gelegd en gebood Samuël hem te zalven. Maar dit moet inzonderheid toegepast worden op Christus.
1. Hij is een held, een machtige, in alle opzichten bevoegd en bekwaam voor het grote werk, dat Hij op zich ging nemen, instaat om volkomen te verlossen, volkomen zalig te maken, machtig in kracht, want Hij is de Zoon van God, machtig in liefde, want uit ervaring kan Hij medelijden hebben met hen, die verzocht worden. Hij is de sterke God. Jesaja 9:5. 2. Hij is verkoren uit het volk, een oneer been van ons been, ons vlees en bloed deelachtig geworden. Verordineerd voor mensen is Hij genomen van onder de mensen, opdat Zijn verschrikking ons niet zou beroeren.
3. God heeft Hem gevonden, Hij is een Zaligmaker ons door God zelf beschikt, want de zaligheid is van het begin tot het einde zuiver en alleen Gods doen. Hij heeft verzoening gevonden, Job 33:24. Wij zouden nooit iemand hebben kunnen vinden, die geschikt was voor dit grote werk, Openbaring 5:3, 4.
4. God heeft hulp op Hem gelegd, heeft Hem niet alleen geholpen, maar hulp in Hem weggelegd voor ons, het als een last op Hem gelegd om de gevallen mens weer op te helpen het uitverkoren overblijfsel naar de hemel te helpen. "In Mij is uw hulp," Hosea 13:9.
5. Hij heeft Hem verhoogd door Hem te stellen tot profeet, priester en koning van Zijn kerk, Hem te bekleden met macht, Hem op te wekken van de doden en Hem aan Zijn rechterhand te stellen. Dien God verkiest en gebruikt, zal Hij verhogen,
6. Hij heeft Hem gezalfd, Hem bevoegd gemaakt voor Zijn ambt en er Hem aldus in bevestigd, door Hem de Geest te geven, niet met mate, maar zonder mate, oneindig ver boven Zijn medegenoten. Hij wordt Messias, of Christus, de Gezalfde genoemd.
7. In dit alles bestemde Hij Hem tot Zijn knecht ter vervulling van Zijn eeuwig voornemen en de bevordering van de belangen Zijns koninkrijks onder de mensen.
III. De beloften, gedaan aan deze verkorene, aan David in het type, en de Zone Davids in het antitype, waarin niet alleen genaderijke, maar heerlijke dingen van Hem gesproken zijn.
A. Dat God hem zal bijstaan en zal sterken in Zijn onderneming, vers 22. Met welke Mijne hand niet alleen zijn zal, maar vast zal blijven door de belofte, zo vast zal blijven, dat Hij er door bevestigd zal worden in al Zijn ambten, zodat geen er van teniet gedaan zal worden, hoewel zij door de mens van de zonde allen overweldigd en bestreden zullen worden. Christus had zeer veel zwaar werk te doen en harde behandeling te verduren, maar Hij, die Hem de opdracht gegeven had, gaf Hem genoegzame kracht voor de uitvoering ervan. Ook zal hem Mijn arm versterken, om onder al Zijn moeilijkheden staande te blijven. Geen goed werk kan mislukken in de handen van hen, die God zelf op zich neemt te versterken.
B. Dat Hij zal zegevieren over Zijn vijanden, zodat zij Hem niet zullen dringen, vers 23. De zoon van de ongerechtigheid zal hem niet onderdrukken. Hij, die in de beginne de vrede heeft verbroken, zal zich stellen tegen Hem, die het op zich heeft genomen om vrede te maken en zal doen wat hij kan om dit plan te doen mislukken, maar hij kon slechts Zijn verzenen vermorzelen, verder kon hij Hem niet dringen of onderdrukken. Christus is borg geworden voor onze schuld, en daardoor hebben Satan en de dood gedacht voordeel over Hem te behalen, maar Hij heeft aan de eis van Gods gerechtigheid voldaan, en toen konden zij Hem niet dringen, hadden zij niets van Hem te eisen. "De overste van deze wereld komt, en heeft aan Mij niets," Johannes 14:30. Ja, zij zullen niet alleen niet tegen Hem overmogen maar voor Zijn aangezicht vallen, vers 24. ik zal zijn wederpartijders verpletteren voor zijn aangezicht, de overste van deze wereld zal buitengeworpen worden, overheden en machten zullen uitgetogen worden, en van de dood zelf zal Hij de dood wezen, en van de hel, dat is het graf, het verderf, Hosea 13:14. Sommigen passen dit toe op het verderf, dat God over het Joodse volk heeft gehecht, dat Christus vervolgd en ter dood heeft gebracht. Maar al de vijanden van Christus, die Hem haten, en niet willen dat Hij koning over hen zal zijn, zullen voor Zijn aangezicht gedood worden, Lukas 19:27.
C. Dat Hij de grote borg en Middelaar zal zijn van het verbond tussen God en de mens, dat God Hem genadig en getrouw zal zijn, en in Hem ook ons genadig en getrouw zal wezen, vers 25 :Mijne getrouwheid en Mijne goedertierenheid zullen met hem zijn. Zij waren met David, God bleef hem genadig, en zo betoonde Hij zich getrouw, zij waren met Christus, God heeft al Zijn beloften aan Hem vervuld. Maar dat is niet alles: Gods genade en getrouwheid jegens ons zijn in Christus, het is in Hem dat al de beloften van God ja en amen zijn. Zodat, indien arme zondaren hopen op het voordeel van de getrouwheid en de genade van God, zo laat hen weten dat het is in Christus, het is in Zijn hand gegeven, en tot Hem moeten zij zich wenden om het te verkrijgen, vers 29. Ik zal hem Mijne goedertierenheid in eeuwigheid houden, opdat Hij er over beschikke, in het kanaal van Zijn middelaarschap zullen al de stromen van de Goddelijke goedheid blijven vloeien. "Daarom is het de barmhartigheid van onze Heere Jezus Christus, die wij verwachten ten eeuwigen leven," Judas: 21, Johannes 17:2. En gelijk door Hem de genade Gods tot ons vloeit, zo is het ook door Hem dat de belofte van God ons vast blijft, Mijn verbond zal hem vast blijven, beide het verbond van de verlossing gemaakt met Hem, en het verbond van de genade gemaakt met ons in Hem. Daarom is het nieuwe verbond altijd nieuw en bevestigd, wijl het in de handen van een Middelaar gelegd is, Hebreeën 8:6. Het verbond staat vast omdat het op die grondslag rust. En het is tot eeuwige eer van de Heere Jezus, dat de grote zaak tussen God en de mens Hem in handen is gegeven, dat de Vader al het oordeel aan Hem heeft overgegeven, opdat allen Hem zullen eren, Johannes 5:22,23. Daarom wordt hier gezegd, in Mijn naam zal zijn hoorn verhoogd worden, het zal Zijn heerlijkheid wezen, dat Gods naam in het binnenste van Hem is, Exodus 23:21, en dat Hij in de naam van God handelt. "Ik doe gelijkerwijs Mij de Vader geboden heeft."
D. Dat zijn koninkrijk grotelijks uitgebreid zal worden, vers 26. Ik zal zijn hand in de zee zetten, hij zal heerschappij hebben over de zeeën en over de eilanden van de zee, en zijn rechterhand in de rivieren. Davids koninkrijk strekte zich uit tot aan de Grote zee en de Rode zee, tot de rivier van Egypte en de Eufraat. Maar het is in het koninkrijk van Messias, dat dit zijn volledige vervulling heeft en meer en meer zal hebben, "als de koninkrijken van de wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijn Christus," Openbaring 11:15, en "de eilanden zullen wachten naar Zijn leer."
E. Dat hij God erkennen zal als zijn Vader, en God hem erkennen zal als Zijn Zoon Zijn, eerstgeborene, vers 27, 28. Dit is een verklaring van die woorden in Nathans boodschap betreffende Salomo, want ook hij was een type van Christus, zowel als David, "Ik zal hem zijn tot een vader, en hij zal Mij zijn tot een Zoon," 2 Samuël 7:14 en van weerszijden zal die betrekking erkend worden.
a. Hij zal tot Mij roepen: Gij zijt mijn Vader, vers 27. Het is waarschijnlijk dat Salomo dit gedaan heeft, maar wij zijn er zeker van dat Christus het gedaan heeft in de daden Zijns vleses, toen Hij sterke roepingen tot God geofferd heeft, en Hem "heilige Vader, rechtvaardige Vader" genoemd heeft, en ons geleerd heeft ons tot Hem te wenden, als "onze Vader, die in de hemelen is". Christus heeft in Zijn doodsbenauwdheid tot God geroepen: "Gij zijt Mijn Vader," Mattheus 26:39, 42. Mijn Vader! en aan het kruis: `Vader vergeef het hun, Vader, in Uwe handen beveel ik Mijn geest." Hij zag ook op Hem als zijn God, en daarom was Hij Hem volkomen gehoorzaam, en in geheel Zijn onderneming onderworpen aan Zijn wil Hij is "Mijn God en uw God," Johannes 20:17, en als de Rots Zijns heils, die Hem zal ondersteunen en doorhelpen in Zijn onderneming, en Hem meer dan overwinnaar zal doen zijn, namelijk een volkomen Zaligmaker. En daarom heeft Hij met onversaagde moed en vastberadenheid "het kruis verdragen en de schande veracht," Want Hij wist dat Hij beide gerechtvaardigd en verheer1ijkt zou worden.
b. Ik zal hem ten eerstgeboren zoon stellen.
1. Ik zie niet hoe dit op David toegepast kan worden, het is Christus' kroonrecht om de "eerstgeborene aller creatuur" te zijn, en als zodanig erfgenaam van alles," Colossenzen 1:15, Hebreeën 1:2, 6. Toen aan Christus "alle macht werd gegeven in hemel en op aarde," en "Hem alle dingen van Zijn Vader overgegeven waren," heeft Hij Hem tot Zijn Eerstgeborene gesteld, en Hem verreweg hoger, groter en achtbaarder gemaakt dan de koningen van de aarde want Hij is de Koning van de koningen, "engelen, machten en krachten zijn Hem onderdanig gemaakt," 1 Petrus 3:22.
2. Met betrekking tot zijn zaad. Gods verbonden hebben altijd het zaad van hen, met wie het verbond gemaakt werd, opgenomen, ook met dit verbond is dit zo, vers 30, 37, zijn zaad zal in eeuwigheid zijn, en daarmee zijn troon. Dit nu zal onderscheidenlijk verstaan worden, naar wij het toepassen op Christus of op David.
A. Als wij het toepassen op David, dan hebben wij onder zijn zaad zijn opvolgers te verstaan, Salomo en de volgende koningen van Juda, die uit Davids lenden zijn voortgekomen. Er wordt ondersteld dat zij kunnen ontaarden, niet zullen wandelen in de geest en de voetstappen van hun vader David. In dat geval moeten zij verwachten onder de Goddelijke bestraffingen te komen, zoals die, waaronder het huis van David zich toen bevond, vers 39. Maar laat dit hen bemoedigen, dat zij, hoewel getuchtigd wordende toch niet verstoten of onterfd zouden worden. Dit verwijst naar dat deel van Nathans boodschap: "als hij misdoet zal Ik hem met een menschenroede en met plagen van de mensenkinderen straffen, maar Mijne goedertierenheid zal van hem niet wijken", 2 Samuël 7:14,15. In zover zijn Davids zaad en zijn troon in eeuwigheid gezet, dat zijn geslacht, in weerwil van de goddeloosheid van velen van zijn nakomelingen, die de schande waren van zijn huis toch lang in stand bleef, de koninklijke waardigheid heeft behouden, zolang Juda een koninkrijk bleef, waren Davids nakomelingen er koning van, en het koningschap over dat rijk is nooit in een ander geslacht overgegaan, zoals dat van de tien stammen eerst in Jerobeams handen was, toen in die van Baesa enz., en dat het geslacht van David in aanzien bleef, totdat die Zoon van David kwam, wiens troon tot in eeuwigheid zal zijn, Lukas 1:27, 32, 2:4,11. Indien Davids nakomelingen in latere tijden God en hun plicht gingen verlaten, zich tot de wegen van de zonde zouden keren, dan zou God verwoestende oordelen over hen brengen en verderf over hun geslacht, maar toch zou Hij Zijn goedertierenheid niet wegnemen van David noch Zijn verbond met hem verbreken, want in de Messias, die uit zijn lenden zou voortkomen, zullen alle deze beloften ten volle vervuld worden. Zo heeft de apostel, toen de Joden verworpen waren, aangetoond dat Gods verbond met Abraham niet verbroken was, omdat het vervuld was in zijn geestelijk zaad, de erfgenamen van de gerechtigheid des geloofs, Romeinen 11:7. B. Indien wij Het toepassen op Christus, dan hebben wij onder Zijn zaad Zijn onderdanen te verstaan, alle gelovigen, Zijn geestelijk zaad, de kinderen, die God Hem heeft gegeven, Hebreeën 2:13. Dat is het zaad, dat in eeuwigheid gezet zal worden, en Zijn troon in het midden ervan, in de kerk, in het hart, als de dagen van de hemelen. Tot het einde toe zal Christus een volk in de wereld hebben om Hem te dienen en te eren. Hij zal zaad zien, Hij zal de dagen verlengen. Dit heilig zaad zal in eeuwigheid gezet zijn in de verheerlijkte staat, als de tijd en de dagen niet meer zijn zullen, en Christus' troon en koninkrijk bestendigd zullen zijn, het koninkrijk van Zijn genade zal de eeuwen verduren van de tijd, en het koninkrijk van Zijn heerlijkheid zal zijn tot in de eindeloze eeuwen van de eeuwigheid.
a. De duur van Christus koninkrijk wordt hier twijfelachtig gemaakt door de zonden en beproevingen van Zijn onderdanen, hun ongerechtigheden en rampen bedreigen het met de ondergang. Dit geval wordt hier gesteld, opdat wij er niet aan geërgerd worden als het een feit zal zijn, maar wij kunnen het in overeenstemming brengen met de vastheid van het verbond, en ons in weerwil daarvan er toch van verzekerd houden.
Ten eerste. Er wordt ondersteld dat er veel verkeerds zal zijn in de onderdanen van Christus koninkrijk. Zijn kinderen kunnen Gods wet verlaten, vers 31, door verzuim of nalaten en Zijn inzettingen ontheiligen, vers 32, door bedrijf of doen. Er zijn vlekken, die vlekken zijn van Gods kinderen, Deuteronomium 32:5. Er is veel bederf in de ingewanden van de kerk, zowel als in het hart van hen, die er de leden van zijn, en dit bederf breekt uit.
Ten tweede. Er wordt hun hier gezegd dat zij er voor te lijden zullen hebben, vers 33. Ik zal hun overtredingen met de roede bezoeken hun overtredingen spoediger dan die van anderen. "Ulieden alleen heb Ik gekend daarom zal Ik uw ongerechtigheden over ulieden bezoeken", Amos 3:2. Hun betrekking tot Christus zal hen er niet van vrijstellen om ter verantwoording te worden geroepen. Doch merk op wat voor Gods kinderen beproeving is.
1. Het is slechts een roede, geen bijl, geen zwaard, het is ter tuchtiging, niet ter verwoesting. Dit geeft zachtheid te kennen in de beproeving, het is een mensenroede, een roede zoals de mensen gebruiken om hun kinderen te kastijden, en het geeft een bedoeling ten goede te kennen in en door de beproeving, het is een roede, die een vreedzame vrucht van de gerechtigheid van zich geeft.
2. Het is een roede in de hand van God, Ik zal hen bezoeken Hij, die wijs is, en weet wat Hij doet, genadig is en doen zal wat het beste is.
3. Het is een roede, die zij nooit zullen gevoelen dan wanneer het zeer nodig is. Indien zij Mijne inzettingen ontheiligen, zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, maar anders niet. Dan is het nodig om Gods eer te handhaven en hen te verootmoedigen en tot onderwerping te brengen.
4. De voortduring van Christus' koninkrijk wordt stellig en zeker gemaakt door de onverbreekbare belofte en de eed van God in weerwil van dit alles, vers 34. Maar Mijne goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, niet geheel, niet voor altijd van hem wegnemen. Ten eerste. "Niettegenstaande hun tergingen, zal Mijn verbond niet verbroken worden." Beproevingen zijn niet alleen bestaanbaar met verbondsliefde, maar voor het volk van God vloeien zij er uit voort. Davids zaad wordt gekastijd, maar daar volgt niet uit dat ze onterfd worden, zij kunnen ternedergeworpen worden, maar zij zijn niet verstoten. Gods gunst blijft over Zijn volk.
1. Om Christus wil, in Hem is de genade voor ons weggelegd, en God zegt: Ik zal haar van hem niet wegnemen, vers 34. Ik zal aan David niet liegen, vers 36. Wij zijn onwaardig, maar Hij is waardig.
2. Om de wille des verbonds. In Mijne getrouwheid zal Ik niet feilen, Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen. Het was ondersteld dat zij Gods inzettingen hadden ontheiligd, maar, zegt God, Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen. Wat gezegd en gezworen is, is dat God een kerk in de wereld zal hebben zolang de zon en de maan zijn zullen, vers 37, 38. De zon en de maan zijn getrouwe getuigen aan de hemel van de wijsheid, macht en goedheid van de Schepper, en zullen dit blijven zolang de tijd duurt, waarvan zij de maten zijn, maar het zaad van Christus zal voor eeuwig bevestigd zijn, als lichten van de wereld, terwijl de wereld bestaat, om er in te schijnen, en als zij ten einde is, dan zullen zij lichten zijn, schijnende in de hemel bij God.