Mattheus 26:36-46
Totnutoe hebben wij de voorbereidingen gezien van Christus' lijden, thans krijgen wij het bloedig tafereel zelf voor ogen. In deze verzen wordt ons Zijne doodsbenauwdheid in den hof beschreven. Dit was het begin der smarten van onzen Heere Jezus. Thans begon het zwaard des Heeren te ontwaken tegen den man, die Zijn metgezel is, en hoe zou het zich stilhouden, daar de Heere het toch bevel heeft gegeven. Geruimen tijd hadden de wolken zich reeds saamgepakt, en hadden zij een dreigend aanzien. Enige dagen tevoren had Hij gezegd: Nu is Mijne ziel ontroerd, Johannes 12:27. Maar nu was de storm opgestoken. Hij kwam in deze zielsbenauwdheid, eer nog Zijne vijanden Hem benauwden, om aan te tonen dat Hij een vrijwillige offerande was, dat Zijn leven Hem niet afgedwongen was, maar dat Hij het van zich zelven heeft afgelegd, Johannes 10:18. Let op: l. De plaats, waar Hij die ontzettende benauwdheid leed: het was ene plaats, genaamd Gethsemane. De naam betekent, een olijfmolen, ene olijfpers, gelijk een wijnpers, waarin men olijven treedt, Micha 6:15. En dit was hier de geschikte plaats voor, aan den voet van den Olijfberg. Dáár is onze Heere Jezus ingegaan tot Zijn lijden, dáár heeft het den Heere behaagd Hem te verbrijzelen, zodat uit Hem verse olie zou afvloeien op alle gelovigen, en wij des wortels en der vettigheid deelachtig zouden worden. Dáár heeft Hij de wijnpers van Zijns Vaders toorn getreden, en haar alleen getreden.
II. Het gezelschap, dat bij Hem was, toen Hij zich in deze zielsbenauwdheid bevond.
1. Hij nam al de discipelen met zich naar den hof, behalve Judas, die toen aan iets anders bezig was. Hoewel het laat in den avond was, omtrent den tijd van zich ter ruste te begeven, bleven zij toch bij Hem, en deden die wandeling bij maanlicht met Hem, gelijk Elisa, die, toen hem gezegd werd dat zijn meester weldra van zijn hoofd weggenomen zou worden, verklaarde dat hij hem niet zou verlaten, en zo hebben ook dezen het Lam gevolgd, waar het ook heenging.
2. Slechts Petrus, Jakobus en Johannes nam Hij mede naar dien hoek van den hof, waar Hij die zielsbenauwdheid leed. De overigen liet Hij op een afstand, wellicht aan de deur van den hof, met dit bevel: Zit hier neer totdat Ik heenga, en aldaar zal gebeden hebben, gelijk het bevel van Abraham aan zijne jongens: Blijft gij hier, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar, en als wij aangebeden zullen hebben, zullen wij tot u wederkeren. Christus ging daar alleen om te bidden, hoewel Hij zo-even nog met Zijne discipelen had gebeden, Johannes 17:1. Ons bidden met ons gezin moet ons niet een reden zijn om niet ook in het verborgen te bidden. Hij beval hun om dáár neer te zitten. Wij moeten ons wachten van diegenen te storen of te hinderen, die zich terugtrekken om in het verborgen gemeenschap te oefenen met God. Hij nam deze drie met zich, omdat zij de getuigen waren geweest van Zijne verheerlijking op den berg, Hoofdstuk 17:1, 2, en dit hen toebereid had om nu de getuigen te zijn van Zijne zielsbenauwdheid. Diegenen zijn het best toebereid om met Christus te lijden, die door het geloof Zijne heerlijkheid hebben gezien en met de verheerlijkte heiligen op den heiligen berg hebben gesproken. Indien wij met Christus lijden, wij zullen ook met Hem heersen, en indien wij hopen met Hem te heersen, waarom zouden wij dan niet verwachten met Hem te lijden?
III. De benauwdheid zelf. Hij begon droevig en zeer beangst te worden. Het wordt een zware strijd genoemd, Lukas 22:24. Het was geen lichamelijke pijn of kwelling, er was niets dat Hem lichamelijk hinderde, maar wat het ook geweest zij, het was inwendig, Hij ontroerde zich zelven, Johannes 11:33. De woorden, die hier gebruikt zijn, zijn zeer sterk, Hij begon lupeisthai kai adêmonein. -bedroefd te worden en in ontsteltenis. Het laatste woord duidt ene droefheid aan, waardoor men ongeschikt wordt voor gezelschap en er ook niet naar verlangt. Het was of een loden gewicht op Zijne ziel drukte. Geneeskundigen gebruiken een woord, dat hier na aan verwant is. om de ongesteldheid aan te duiden van iemand, die een aanval van koorts heeft. Nu werd het woord vervuld van Psalm 22:15, Ik ben uitgestort als water, mijn hart is als was, het is gesmolten, en al die plaatsen in de Psalmen, waar David klaagt over de droefheid zijner ziel, Psalm 18:5-6, 42:8, 55:5-6, 69:2-4, 88:4, 116:3, en - Jona's klage, Jona 2:5, 6. Maar wat was de oorzaak van dit alles? Wat heeft Hem in dien toestand van zielsbenauwdheid gebracht? Waarom buigt Gij U neer, o gezegende Jezus, en waarom zijt Gij onrustig? Het was voorzeker geen wanhoop, geen mistrouwen van Zijn Vader, en nog veel minder innerlijke strijd of worsteling. Gelijk de Vader Hem liefhad, omdat Hij Zijn leven gaf voor de schapen, zo was Hij ook gans en al onderworpen aan den wil des Vaders. Maar:
1. Hij begaf zich in een strijd met de machten der duisternis. Dit geeft Hij te kennen, Lukas 22:53, Dit is uwe ure, en de macht der duisternis, en even tevoren sprak Hij daarvan, Johannes 14:30, 31, De overste dezer wereld komt. Ik zie hoe hij zijne strijdkrachten bijeen trekt, en zich tot een algemenen aanval bereidt, maar hij heeft aan Mij niets, geen garnizoen in zijn belang, niemand, die in het geheim gemeenschap met hem onderhoudt, en daarom zullen zijne pogingen, hoe heftig ook, vruchteloos blijven. Maar gelijkerwijs Mij de Vader geboden heeft, alzo doe Ik. Hoe dit zij, Ik moet met hem worstelen, de strijd moet behoorlijk gestreden worden, en daarom: staat op, laat ons van hier gaan, laat ons ons heen spoeden naar het slagveld, en den vijand ontmoeten. Nu heeft het gevecht plaats tussen Michael en den draak, man tegen man, nu is het oordeel dezer wereld. De grote zaak moet nu beslecht, de beslissende veldslag geleverd worden, waarin de overste dezer wereld verslagen en buiten geworpen zal worden, Johannes 12:31. Als Christus heil werkt, wordt Hij voorgesteld als een kampioen, die te velde trekt, Jesaja 59:16-18. Nu richt de Slang haar verwoedsten aanval op het Zaad der vrouw, en richt haar angel, den angel des doods, op Zijn hart-en de wonde is dodelijk.
2. Thans droeg Hij de ongerechtigheden, die de Vader op Hem gelegd had, en door Zijne droefheid en ontsteltenis schikte Hij zich tot Zijn werk. Het lijden, dat Hij tegemoet ging, was om onze zonden, die allen zijn op Hem gelegd, en Hij wist het. Gelijk wij bedroefd moeten zijn om onze bijzondere zonden, zo was Hij bedroefd om de zonden van ons allen. In het dal van Josafat, waar Christus nu was, vergaderde God alle natiën, en richtte ze in Zijn Zoon, Joël 3:2, 12. Hij kende de boosheid der zonden, die op Hem gelegd waren, hoe tergend zij zijn voor God, hoe verderf aanbrengend voor den mens, en deze allen ordentelijk voor Hem gesteld zijnde, was Hij bedroefd en zeer beangst. Nu was het, dat de ongerechtigheden Hem aangegrepen hebben zodat Hij niet heeft kunnen zien, gelijk van Hem voorzegd is in Psalm 40:13. 3. Hij had een volkomen en helder vooruitzicht van al het lijden, dat Hem te wachten stond. Hij voorzag het verraad van Judas, de onvriendelijkheid van Petrus, de boosaardigheid der Joden en hun lage ondankbaarheid. Hij wist, dat Hij binnen weinige uren gegeseld zou worden, bespogen, met doornen gekroond, aan het kruis genageld. Het was de dood in zijn schrikkelijksten vorm, die Hem in het aangezicht blikte, en dit maakte Hem droevig, inzonderheid omdat hij de bezoldiging was van onze zonde, waaraan Hij op zich genomen had te voldoen. Het is waar, de martelaars, die om Christus' wil geleden hebben, hebben de grootste pijniging verduurd en den schrikkelijksten dood ondergaan, zonder dat zij aldus droevig en zeer beangst waren. Zij hebben hun gevangenis hun lieflijken boomgaard genoemd, en een bed van vlammen een bed van rozen, maar:
a. Aan Christus was toen de vertroosting ontzegd, die zij mochten smaken, dat is: Hij heeft zelf haar zich ontzegd, Zijne ziel weigerde vertroost te worden, niet uit hartstocht of toorn, maar in gerechtigheid voor hetgeen Hij op zich genomen had. Hun blijmoedigheid onder het kruis waren zij verschuldigd aan de gunst van God, die, voor het ogenblik, van den Heere. Jezus was afgewend.
b. Zijn lijden was van een anderen aard dan het hun. Als Paulus tot een drankoffer geofferd wordt over de offerande en bediening van het geloof der heiligen, zo verblijdt hij zich met hen allen, maar als zondoffer geofferd te worden, verzoening te doen voor de zonde, dat is nog gans wat anders. Over het kruis der heiligen is een zegen uitgesproken, die hen in staat stelt er zich onder te verblijden, Hoofdstuk 5:10, 12, maar aan Christus' kruis was een vloek verbonden, die er Hem droevig en zeer beangst onder deed worden. En Zijne droefheid onder het kruis was de grond hunner blijdschap er onder.
IV. Zijne klacht over die droefheid en angst. Zich onder de macht bevindende van Zijn lijden, gaat Hij tot Zijne discipelen, vers 38, en :
1. Maakt hen bekend met Zijn toestand.
Mijne ziel is geheel bedroefd tot den dood toe. Het geeft ietwat verlichting aan een ontroerd gemoed, om aan een vriend zijn leed te klagen, zijn hart voor hem uit te storten. Christus zegt hun hier:
a. Waar te zetel was van Zijne droefheid, het was Zijne ziel, die nu in benauwdheid verkeerde. Dit bewijst, dat Christus een wezenlijke menselijke ziel had, want Hij leed niet slechts in Zijn lichaam, maar in Zijne ziel. Wij hadden gezondigd tegen ons lichaam en tegen onze ziel, beiden hebben wij gebruikt in dienst der zonde, en beiden zijn er door geschaad, en daarom heeft Christus geleden in Zijne ziel, zowel als in Zijn lichaam.
b. Wat de mate was Zijner droefheid. Hij was geheel bedroefd - periludes -van alle zijden door droefheid omgeven. Het was droefheid in de hoogste mate, tot den dood toe. Het was een dodelijke smart, ene smart, die geen sterflijke mens kon dragen en blijven leven. Hij was op het punt van te sterven van droefheid, het waren smarten des doods.
c. Den duur er van, zij zal wezen tot den dood toe.
Mijn ziel zal bedroefd zijn, zolang zij in het lichaam is, Ik zie geen anderen uitweg dan den dood. Nu begon Hij bedroefd te worden, en die droefheid hield niet op voor Hij zei: Het is volbracht, die droefheid, welke begon in den hof is nu ten einde. Het werd van Christus geprofeteerd, dat Hij een Man van smarten zou zijn, Jesaja 53:3. Dat is Hij altijd geweest, nooit lezen wij dat Hij gelachen heeft, maar al Zijne droefheid totnutoe was niets, vergeleken bij deze droefheid. 2. Hij vraagt om hun gezelschap, hun bijzijn, Blijft hier en waakt met Mij. Voorzeker was Hij wèl ontbloot van hulp, als Hij om de hun vraagt, daar zij, gelijk Hij wist, ellendige vertroosters zullen zijn, maar hiermede heeft Hij ons willen leren welk ene weldaad er is in de gemeenschap der heiligen. Het is goed om den bijstand onzer broederen te hebben, en dus ook goed om dien bijstand te zoeken, als wij ons in een toestand van zielsbenauwdheid bevinden, want twee zijn beter dan een. Wat Hij tot hen zei, zegt Hij tot allen: Waakt, Markus 13:37. Waakt niet slechts om uit te zien naar Zijne wederkomst, maar waakt met Hem, in en onder uw werk, zodat gij ten allen tijde wakende wordt bevonden.
V. Wat er voorviel tussen Hem en Zijn Vader, toen Hij in deze zielsbenauwdheid was.
In zwaren strijd zijnde, bad Hij. Het gebed is nooit ontijdig, maar het is zeer bijzonder tijdig in strijd en benauwdheid. Merk op:
1. De plaats, waar Hij bad. Een weinig voortgegaan zijnde, Hij ging een weinig van hen weg, opdat de Schrift zou vervuld worden: Ik heb de wijnpers alleen getreden. Hij trok zich terug om te bidden, een ontroerde ziel bevindt zich het best als zij alleen is met God, die de stamelende woorden verstaat, het zuchten en kermen. Calvijns godvruchtige opmerking hierover, is wel waardig om afgeschreven te worden: Het is nuttig om in de afzondering te bidden, want dan zal de gelovige ziel zich met meer vrijheid blootleggen, en met groter eenvoudigheid haar smekingen opzenden, haar zuchten en haar zorgen, haar vrees en haar hoop en haar blijdschap uitstorten voor haren God. Christus heeft ons hierin geleerd, dat het verborgen gebed ook in stilte moet geschieden. Sommigen zijn echter van mening, dat zelfs de discipelen, die Hij aan de deur van den hof had gelaten, Hem gehoord hebben, want er wordt gezegd, in Hebreeën 5:7, dat het sterke roepingen waren.
2. Zijne houding in het gebed: Hij viel op Zijn aangezicht. Dit neerliggen op het aangezicht duidt de zielsbenauwdheid aan, waarin Hij zich bevond, en Zijn uiterste droefheid. In zijn grote smart viel Job op de aarde, en zeer grote smart en benauwdheid wordt uitgedrukt door het zich wentelen in het stof, Micha 1:10. Ook Zijn ootmoed in het gebed wordt er door aangeduid. Deze houding was ene uitdrukking van Zijn eulabeia -Zijne eerbiedige vreze, (waarvan gesproken wordt in Hebreeën 5:7), waarmee Hij deze gebeden heeft opgezonden. En het was in de dagen Zijns vlezes, in Zijn staat van vernedering, waartoe Hij zich hierdoor geschikt heeft.
3. Het gebed zelf, waarin wij drie dingen kunnen opmerken.
a. Den titel, dien Hij aan God geeft: Mijn Vader. Zwaar en dicht als de wolk was, kon Hij er toch doorheen zien op God als Vader. Wanneer wij ook spreken tot God, altijd moeten wij Hem beschouwen als Vader, als onzen Vader, en zeer bijzonder troostrijk is het om dit te doen als wij in zielsbenauwdheid zijn. Het is een lieflijke snaar om te tokkelen in zulk een tijd: Mijn Vader. Waar zal het kind anders heengaan, als het bedroefd is, dan tot zijn vader?
b. De gunst, waarom Hij vraagt: Indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan. Hij noemt Zijn lijden een drinkbeker, gene rivier, gene zee, maar een beker, waarvan wij spoedig den bodem zullen zien. Als wij in smart en moeite zijn, dan moeten wij ze van de lichtste zijde beschouwen en ze niet verzwaard voorstellen. Zijn lijden kon een beker genoemd worden, omdat het Hem was toebedeeld, zoals aan een maaltijd voor ieder aanzittend persoon een beker gezet wordt. Hij vraagt, dat die drinkbeker van Hem voorbij moge gaan, dat is: dat Hij het nu nabij zijnde lijden zou vermijden, of, dat het tenminste verkort mocht worden. Dit geeft niets meer te kennen, dan dat Hij wezenlijk en waarlijk mens was, en als mens kon Hij niet anders dan een weerzin hebben tegen pijn en lijden. Het is de eerste en eenvoudige daad van des mensen wil-terug te deinzen van hetgeen ons smartelijk is, het te willen voorkomen of uit den weg ruimen. De wet van het zelfbehoud is ingeschapen in de onschuldige natuur van den mens, en heerst er, totdat zij overheerst wordt door een andere wet, daarom heeft Christus dien weerzin van lijden in zich toegelaten en er uitdrukking aan gegeven, om te tonen, dat Hij genomen is uit de mensen, Hebreeën 5:1, aangedaan was door medelijden met onze zwakheden, Hebreeën 4:15, en verzocht is geweest, gelijk als wij, doch zonder zonde. Het gebed des geloofs tegen ene beproeving kan zeer goed samengaan met de lijdzaamheid der hope onder beproeving. Toen David gezegd had: Ik ben verstomd, ik heb mijn mond niet opengedaan, want Gij hebt het gedaan, liet hij er terstond op volgen: Neem Uwe plage van mij, Psalm 39:10-11. Doch let op het voorbehoud: Indien het mogelijk is. Indien God verheerlijkt, de mens verlost, en het doel Zijner onderneming bereikt kan worden, zonder dat Hij dien bitteren drinkbeker drinkt, dan begeert Hij er van verontschuldigd te worden, maar anders niet. Wat wij niet kunnen doen om het grote doel, dat wij ons hebben voorgesteld, te bereiken, moeten wij als iets onmogelijks beschouwen. Zo heeft Christus gedaan. Wij kunnen doen, wat wij wettig kunnen doen. Wij mogen niet slechts niets doen tegen de waarheid, wij kunnen niets tegen haar doen.
c. Zijn algehele onderwerping aan, en Zijne berusting in, den wil van God: doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt. Niet dat de menselijke wil van Christus tegenstrijdig was met, of afkerig van den Goddelijken wil, hij was er alleen in de eerste daad verschillend van, maar in de tweede daad van den wil, als hij vergelijkt en kiest, onderwerpt hij er zich aan, en dat wel vrijwillig. Hoewel onze Heere Jezus een levendig besef had van het uiterst-bittere van het lijden, dat Hij ondergaan moest, was Hij toch volkomen gewillig en bereid, om er zich ter onzer verlossing en zaligheid aan te onderwerpen, Hij heeft zich zelven opgeofferd en zich voor ons overgegeven. De reden waarom Christus zich onderworpen heeft aan Zijn lijden, was de wil Zijns Vaders: gelijk Gij wilt, vers 39. Hij grondt Zijne gewilligheid op den wil des Vaders. Hij deed wat Hij deed, en deed het met blijmoedigheid, omdat het de wil van God was, Psalm 40:9. Hierop had Hij dikwijls gewezen, als op hetgeen Hem bij Zijne onderneming gesteund heeft: Dit is de wil des Vaders, Johannes 6:39, 40. Dit zocht Hij, Johannes 5:30, het was Zijne spijs en drank, om hem te doen, Johannes 4:34. In gelijkvormigheid met dit voorbeeld van Christus moeten wij den bitteren drinkbeker drinken, dien God ons in handen geeft, al is hij ook nog zo bitter, hoewel de natuur zich verzet, zal de genade zich toch onderwerpen. Wij hebben de gezindheid van Christus, als onze wil in alles ineenvloeit met den wil van God, al gaat dit ook nog zo in tegen vlees en bloed. De wil des Heeren geschiede, Handelingen 21:14.
4. De herhaling der bede. Wederom ten tweeden male heengaande, bad Hij, vers 42, en nog eens ten derden male, vers 44, en steeds met gelijk doel, alleen maar, gelijk dit hier verhaald wordt, heeft Hij, toen Hij voor de tweede en derde maal bad, niet uitdrukkelijk gevraagd, dat de drinkbeker van Hem voorbij mocht gaan, gelijk Hij dit de eerste maal gevraagd had. Hoewel wij God mogen bidden ene beproeving te voorkomen of weg te nemen, moet toch onze voornaamste begeerte zijn, en die waarop wij het meest aandringen, dat Hij ons genade zal geven om de beproeving te dragen op ene wijze, die Hem verheerlijkt. Er moet ons meer aan gelegen zijn, dat onze moeite en wederwaardigheden aan ons geheiligd zullen worden, en ons hart er stil en tevreden onder zijn zal, dan dat zij ons afgenomen zullen worden. Hij bad, zeggende: Uw wil geschiede. Bidden is het offeren niet slechts van onze begeerten, maar ook van onze onderworpenheid aan God. Het is een Gode welbehaaglijk gebed, als wij onder benauwdheid ons aan God overgeven, ons zelven, evenals onzen weg en ons werk, Uw wil geschiede. De derde maal zei Hij dezelfde woorden-ton auton logon, hetzelfde woord, dat is: dezelfde zaak. Hij sprak met dezelfde strekking, tot hetzelfde doel. Wij hebben reden te denken, dat dit niet alles was, wat Hij gezegd heeft, want naar vers 40 te oordelen moet Hij een uur in deze zielsbenauwdheid en gebed hebben doorgebracht, maar wat Hij nu ook meer gezegd moge hebben, het was toch in dezelfden geest, met dezelfde strekking, het naderend lijden afbiddende, maar er zich toch in onderwerpende aan Gods wil. Maar welk een antwoord ontving Hij op dit gebed? Tevergeefs heeft Hij het voorzeker niet opgezonden, Hij, die Hem altijd hoorde, heeft Hem nu niet afgewezen. Het is waar, de drinkbeker is Hem niet voorbijgegaan, want Hij nam die bede terug en heeft er niet op aangedrongen, maar Zijne smeking bleef toch niet onbeantwoord, want:
a. Hij werd versterkt met kracht in Zijne ziel, Psalm 138:3, en dat was wezenlijke gebedsverhoring, Lukas 22:43.
b. Hij werd verlost van hetgeen Hij vreesde, namelijk dat Hij door ongeduld of wantrouwen Zijn Vader zou onteren, en aldus zich zelven onbekwaam zou maken om Zijne onderneming te volvoeren, Hebreeën 5:7. Als antwoord op dit gebed heeft God er in voorzien, dat Hij niet faalde of mismoedig werd.
VI. Wat er toen voorviel tussen Hem en Zijne drie discipelen, en hier kunnen wij opmerken:
1. De fout, waaraan zij zich schuldig maakten, namelijk dat zij, toen Hij in doodsbenauwdheid was, bedroefd tot den dood toe, worstelende en biddende, terwijl Hem het bloedig zweet werd afgeperst, daar zo weinig in gedeeld hebben, dat zij niet eens wakker konden blijven. Hij komt, en vindt hen slapende, vers 40. Het vreemde, buitengewone, van de zaak had hun geest moeten opwekken, om zich "daarhenen te wenden, en dat grote gezicht te zien" -het braambos brandende en toch niet wordende verteerd. En nog veel meer had hun liefde voor hun Meester en hun bekommernis om Hem hen moeten dringen, om Hem meer van nabij en met zorg gade te slaan, maar toch waren zij zo dof en loom, dat zij hun ogen niet open konden houden. Wat zou er van ons geworden zijn, indien Christus toen even slaperig ware geweest als Zijne discipelen? Wel onzer, dat ons heil berust bij Enen, die noch sluimert, noch slaapt. Christus vroeg hun om met Hem te waken, alsof Hij enigerlei hulp of bijstand van hen verwachtte, en toch sliepen zij. Voorzeker! dit was wel uitermate onvriendelijk. Toen David op dezen Olijfberg geweend heeft, hebben al zijne volgelingen met hem geweend, 2 Samuël 15:30, maar toen de Zone David's aldaar in tranen was, hebben Zijne volgelingen allen geslapen. Zijne vijanden, die op de loer voor Hem waren, waren wakker genoeg, Markus 14:43, maar Zijne discipelen, die met Hem behoorden te waken, sliepen. Heere, wat is de mens! Wat zijn de besten der mensen, als God hen aan hen zelven overlaat! Zorgeloosheid en vleselijke gerustheid zijn, inzonderheid als Christus in doodsbenauwdheid is, grote gebreken in iedereen, maar wel zeer bijzonder in hen, die belijden in innige, nauwe betrekking tot Hem te staan. De kerk van Christus, die Zijn lichaam is, is dikwijls in grote benauwdheid, in strijd van buiten en vrees van binnen, en zullen wij dan slapen, gelijk Gallio, die zich geen van deze dingen aantrok, of gelijk zij, die zich niet bekommeren over de verbreking Jozefs? Amos 6:6. 2. Christus' gunst over hen, in weerwil hiervan. Mensen, die smart hebben en in kommer zijn, gedragen zich dikwijls gemelijk jegens hen, die hen omringen, en trekken het zich zeer aan indien zij ook maar schijnen hen te veronachtzamen, maar Christus is ook in Zijne doodsbenauwdheid even zachtmoedig als altijd, en is even geduldig jegens zijne volgers, als lijdzaam tegenover Zijn Vader. Hij is niet geneigd tot kwalijk nemen. Toen Christus' discipelen Hem deze onachtzaamheid betoonden, kwam Hij tot hen, alsof Hij verwachtte door hen vertroost te worden, en indien zij Hem indachtig hadden gemaakt aan hetgeen zij van Hem gehoord hadden betreffende Zijne opstanding en heerlijkheid, dan zou dit wellicht ene hulp voor Hem geweest zijn. In stede hiervan, doen zij droefenis tot Zijne smart. En toch kwam Hij tot hen, meer zorgzaam voor hen dan zij het voor zich zelven waren. Hij kwam tot hen, om naar hen te zien, want die Hem gegeven waren, gingen Hem ter harte, waren Hem in leven en in sterven op het hart gebonden. Hij gaf hun een zachte berisping, want die Hij liefheeft, bestraft Hij. Hij richtte die berisping tot Petrus, die gewoon was voor hen te spreken, laat hem dan nu voor hen horen. De bestraffing was vertederd: Kunt gij dan niet een uur met Mij waken? Hij spreekt als iemand, die verbaasd is hen zo versuft en verstompt te zien. Elk woord, als men er over nadenkt, toont hoe ergerlijk de zaak was. Bedenk: Wie zij waren, Kunt gij niet waken -gij, Mijne discipelen en volgelingen? Geen wonder, dat anderen Mij veronachtzamen, dat het land zit en stil is, Zacheria 1:11, maar van u had ik betere dingen verwacht. Wie Hij was. Kunt gij niet waken met Mij. Indien iemand van u ziek was en in benauwdheid, dan zou het zeer onvriendelijk zijn om niet bij hem te waken, maar het is oneerbiedig om niet te waken met uwen Meester, die zolang tot uw welzijn over u gewaakt heeft, u heeft geleid en gevoed, u heeft onderwezen en verdragen, en beloont gij Hem op zulk ene wijze? Hij is van Zijn slaap ontwaakt, om hen te helpen, toen zij in benauwdheid waren, Hoofdstuk 8:26, en konden zij niet wakker blijven, om Hem tenminste hun goeden wil te betonen, inzonderheid als zij bedachten, dat Hij voor hen, om hunnentwil, leed, om hunnentwil in doodsbenauwdheid was? Hoe klein ene zaak het was, die Hij van hen verwachtte-alleen maar om met Hem te waken. Zij dachten, dat zij, indien Hij hun een grote zaak had bevolen, hun had bevolen om met Hem in doodsbenauwdheid te zijn, of met Hem te sterven, dit zouden hebben kunnen doen, en toch konden zij het niet, als hij slechts van hen verlangde om met Hem te waken, 2 Koningen 5:13. Voor hoe kort een tijd het slechts was, dat Hij dit verwachtte-slechts een uur. Zij werden niet, gelijk de profeet, Jesaja 21:8, ganse nachten op hun hoede gezet, maar slechts een uur. Soms was Hij den gansen nacht overgebleven in het gebed tot God, maar toen heeft Hij niet verwacht dat Zijne discipelen met Hem zouden waken, slechts nu, nu Hij slechts een uur doorbracht in het gebed. Hij gaf hun goeden raad: Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt, vers 41. Er was ene ure der verzoeking, die nabij kwam, zeer nabij. De smarten van Christus waren voor Zijne volgelingen verzoekingen tot ongeloof en wantrouwen in Hem, verzoekingen om Hem te verloochenen en te verlaten, en alle betrekkingen tot Hem op te geven. Er was gevaar, dat zij in deze verzoeking zouden komen, zoals in een valstrik, dat zij er in onderhandeling mede zouden treden, er goede gedachten van zouden koesteren, onder den invloed er van zouden geraken, hetgeen de eerste stap is om er door te worden overwonnen. Daarom vermaant Hij hen te waken en te bidden, waakt met Mij, en bidt met Mij. Terwijl zij sliepen, verloren zij het voorrecht en de weldaad van met Christus verenigd te zijn in het gebed. Waakt zelven, en bidt zelven Waakt en bidt tegen deze tegenwoordige verzoeking van slaperigheid en gerustheid, bidt, dat gij moogt waken, vraagt aan God dat Hij door Zijne genade u wakker houde, nu dit zo nodig is. Als wij slaperig zijn in de aanbidding Gods, dan moeten wij bidden wat een goed Christen eens gebeden heeft: De Heere verlosse mij van dezen slaapduivel! Heere, maak mij levend door Uwe wegen. Of wel: Waakt en bidt tegen de verdere verzoeking, waardoor gij kunt aangevallen worden, waakt en bidt, opdat deze zonde niet de deur opene voor vele andere. Als wij bevinden dat wij in verzoeking komen, dan is het ons zeer nodig te waken en te bidden.
d. Met grote vriendelijkheid verontschuldigde Hij hen: De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak. Wij lezen niet, dat zij een enkel woord ter hunner verontschuldiging hebben aangevoerd-de bewustheid hunner zwakheid sloot hun den mond, -maar Hij had een vriendelijk, medelijdend woord voor hen en ten hunnen behoeve, want het is Zijn ambt om Voorspraak te zijn. Hierin geeft Hij ons een voorbeeld van die liefde, die menigte van zonden bedekt. Hij wist wat maaksel zij waren, Hij heeft hen niet scherp berispt, gedachtig zijnde dat zij slechts vlees waren, en het vlees is zwak, al is ook de geest gewillig, Psalm 78:38, 39. Christus' discipelen hebben, zolang zij in deze wereld zijn, een lichaam, zowel als ene ziel, en een beginsel van inwonend bederf, zowel als van heersende genade, gelijk Jakob en Ezau in dezelfden moederschoot, Kanaänieten en Israëlieten in hetzelfde land, Galaten 5:17, 24. Het is de smart en de last der discipelen van Christus, dat hun lichaam geen gelijken tred kan houden met hun ziel in werken van Godsvrucht, maar dat het hun zo menigmaal een beletsel is, en dat, als de geest vrij is, gezind en geneigd om het goede te doen, het vlees daarvan afkerig is. Dit is het wat Paulus betreurt: Ik dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde, Romeinen 7:26. Onze onmacht in den dienst van God is de grote ongerechtigheid en ontrouw van onze natuur, en zij komt voort uit die treurige overblijfselen van het bederf, die de voortdurende last en het verdriet uitmaken van Gods volk. Maar het is onze troost dat onze Meester dit genadiglijk in aanmerking neemt en de gewilligheid van den geest aanneemt, terwijl Hij met de zwakheid van ons vlees medelijden heeft en haar vergeeft, want wij zijn onder de genade en niet onder de wet. Hoewel zij dof en slaperig bleven, heeft Hij er hen niet verder om bestraft, want hoewel wij dagelijks zondigen, zal Hij toch niet altoos twisten. Toen Hij ten tweeden male tot hen kwam, bevinden wij niet, dat Hij iets tot hen zei, vers 43, Hij vond hen wederom slapende. Men zou gedacht hebben, dat, wat Hij tot hen gezegd had, genoeg was om hen wakker te houden, maar het is moeilijk om zich aan den geest des slaaps te ontworstelen. Als vleselijke gerustheid eens de overhand heeft, is zij niet gemakkelijk af te schudden. Hun ogen waren bezwaard, hetgeen aanduidt, dat zij er tegen geworsteld hebben zoveel zij konden, maar er door overmeesterd waren, gelijk de bruid in het Hooglied: Ik sliep, maar mijn hart waakte, Hooglied 5:2, en daarom beschouwt hun Meester hen met mededogen. Toen Hij voor de derde maal tot hen kwam, liet Hij hen om opgeschrikt te worden door het naderend gevaar, vers 45, 46. Slaapt nu voort, en rust. Dit is ironisch gesproken: Slaapt nu, indien gij kunt, slaapt, zo gij durft, Ik zou u niet storen, indien Judas en zijne bende het niet deden. Zie hier, hoe Christus handelt met hen, die zich door gerustheid laten beheersen, en er niet uit opgewekt willen worden. Ten eerste. Soms geeft Hij hen over in de macht er van, slaapt nu voort. Die wil slapen, dat hij nog slape. De vloek van den geestelijken slaap is de rechtvaardige straf voor die zonde, Romeinen 11:8, Hosea 4:17.
Ten tweede. Menigmaal zendt Hij een opschrikkend oordeel, om diegenen te doen ontwaken, bij wie het woord dit niet teweeg kon brengen, en zij, die door rede of bewijsvoering niet verschrikt willen worden, moeten dan maar verschrikt worden door zwaarden en stokken, veeleer dan hen te laten omkomen in hun gerustheid. Hen, die niet willen geloven, moet men laten voelen. Wat betreft de discipelen:
1. Hun Meester gaf hun kennis van het dichte naderen Zijner vijanden, die waarschijnlijk thans al binnen het gezicht en het gehoor waren, want zij kwamen met lantaarns en fakkelen, en hebben waarschijnlijk ook veel gedruis gemaakt. De Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren. En wederom: hij is nabij, die Mij verraadt. Christus' lijden was gene verrassing voor Hem, het kwam niet onverwacht, Hij wist wat en wanneer Hij moest lijden. Op dit ogenblik was het uiterste van Zijne zielsbenauwdheid tamelijk wel voorbij, of, tenminste afgeleid, terwijl Hij met onverschrokken moed zich tot die tweede ontmoeting begeeft, als een kampioen tot den strijd.
2. Hij zei hun op te staan en heen te gaan, niet: Staat op, en laat ons vluchten voor het gevaar, maar: Staat op, en laat ons het tegemoet gaan. Eer Hij had gebeden, vreesde Hij voor Zijn lijden, maar nu had Hij gene vrees. Maar:
3. Hij wijst hen op hun dwaasheid, door den tijd te verslapen, dien zij hadden moeten doorbrengen in voorbereiding. Nu vond de gebeurtenis hen onvoorbereid, en was dus ene verschrikking voor hen.
Mattheus 26:47-56
Hier wordt ons verhaald, hoe de gezegende Jezus gegrepen en gevangen werd genomen. Dit volgde onmiddellijk op Zijne zielsbenauwdheid, als Hij nog sprak, want van het begin van Zijn lijden tot aan het einde had Hij geen enkel ogenblik van verademing, de afgrond riep tot den afgrond. Totnutoe was Zijne ontroering inwendig geweest, thans verandert het toneel, en komen de Filistijnen over U, o gezegende Simson. De adem onzer neuzen, de Gezalfde des Heeren, is gevangen in hun groeven. Klaagliederen 4:20. Betreffende de gevangenneming van den Heere Jezus valt op te merken:
I. Wie de personen waren, die hiervoor gebruikt werden.
1. Judas, een der twaalven, was aan het hoofd van deze schandelijke wacht, hij was de leidsman dergenen, die Jezus vingen, Handelingen 1:16. Zonder zijne hulp zouden zij Hem in Zijne afzondering niet hebben kunnen vinden. Ziet en verwondert u, de eerste, die met Zijne vijanden verschijnt, is een Zijner eigen discipelen, die een paar uren tevoren brood met Hem had gegeten!
2. Met hem was een grote schare, opdat de Schrift zou vervuld worden: O Heere! hoe zijn mijne tegenpartijen vermenigvuldigd! Psalm 3:2. Deze schare bestond ten dele uit ene afdeling van de garde, die door den Romeinsen gouverneur in den toren van Antonia geposteerd was. Dezen waren heidenen, zondaren, zoals Christus hen noemde, vers 45. De overigen waren de dienaren en beambten van den hogepriester, en dezen waren Joden. Zij, die onder elkaar onenig waren, stemden samen tegen Christus.
II. Hoe zij gewapend waren:
1. Van welke wapenen zij zich hadden voorzien. Zij kwamen met zwaarden en stokken. De Romeinse soldaten hadden ongetwijfeld zwaarden, de dienaren van de priesters, diegenen van hen die gene zwaarden hadden, brachten stokken of knuppels. Hun woede voorzag hen van wapenen. Het waren geen geregelde troepen, maar een saamgeraapte hoop. Maar waartoe al die beweging? Al waren zij tienmaal zo talrijk geweest, zouden zij zich niet van Hem meester hebben kunnen maken, indien Hij zich niet had overgegeven. Maar Zijne ure gekomen zijnde om zich over te geven, was dit ganse machtsbetoon overbodig. Als een slachter naar de weide gaat om een lam ter slachting te nemen, brengt hij dan soldaten op de been, en komt hij gewapend? Neen, dat heeft hij niet nodig, toch wordt nu die ganse macht op de been gebracht, om het Lam Gods te grijpen.
2. De volmacht, waarmee zij gewapend waren. Zij waren gezonden van de overpriesters en ouderlingen des volks. Dezen hadden die gewapende menigte op deze boodschap uitgezonden. Hij werd gevangen genomen op ene volmacht van het grote sanhedrin, als een persoon, die hun aanstotelijk was. Pilatus, de Romeinse landvoogd, had hun gene volmacht gegeven om naar Hem te zoeken, hij was niet naijverig op Hem, neen, het waren mannen, die voorgaven Godsdienstig te zijn, voorgangers in kerkelijke aangelegenheden, die zo ijverig waren voor deze vervolging, en die de heftigste, boosaardigste vijanden waren van Christus. Het was een teken, dat Hij door een Goddelijke macht ondersteund werd, want door alle aardse machten werd Hij niet slechts verlaten, maar tegengestaan. Pilatus verweet het Hem: Uw volk en de overpriesters hebben u aan mij overgeleverd, Johannes 18:35.
III. De wijze waarop het geschiedde, en wat er toen voorviel.
1. Hoe Judas Hem verried, hij heeft zijn werk grondig verricht, en zijne vastberadenheid in de goddeloosheid kan ons wel beschamen, die falen in hetgeen goed is. Let op:
a. De instructie, die hij gaf aan de krijgslieden, vers 48. Hij had hun een teken gegeven. Als aanvoerder van den troep geeft hij het signaal. Hij gaf hun een teken, opdat zij niet bij vergissing een der discipelen zouden grijpen in plaats van Hem. De discipelen hadden zo kort tevoren in Judas' tegenwoordigheid gezegd, dat zij bereid waren voor Hem te sterven. Welk ene overmaat van omzichtigheid, om Hem toch vooral niet te missen! Dezelve is het, grijpt hem, en houdt Hem vast, want soms was Hij ontkomen uit de handen van hen, die Hem zochten te vangen, zoals in Lukas 4:30 vermeld wordt. Hoewel de Joden, die den tempel bezochten, Hem wel moesten kennen, hadden de Romeinse soldaten Hem wellicht nooit gezien, en het teken was voor hen bestemd, om hen te helpen, en Judas bedoelde met zijn kus niet slechts Hem aan te wijzen, maar Hem terug te houden totdat zij, die van achteren aan kwamen, Hem aangrepen.
b. Den geveinsden groet aan zijn Meester. Hij naderde dicht tot Jezus. Voorzeker, indien ooit, dan zal thans zijn boos hart bewogen worden, en zal hij nu tot inkeer komen. Voorzeker, als hij Hem in het gelaat ziet, dan zal hij of overstelpt worden van ontzag voor zijne majesteit, of bekoord en verrukt door zijne schoonheid. Durft hij Hem onder de ogen komen om Hem te verraden? Petrus heeft Christus verloochend, maar toen de Heere, zich omkerende, hem aanzag, was hij terstond bewogen, maar Judas nadert zijn Meester, nadert tot Zijn aangezicht, en verraadt Hem. Wees gegroet, Rabbi, zei hij, en kuste Hem. Het schijnt wel, dat onze Heere Jezus gewoon was Zijne discipelen deze gemeenzaamheid met Hem te veroorloven, om zich op de wang te laten kussen na ene wijle afwezig te zijn geweest, hetgeen door Judas schandelijk misbruikt werd om er zijn verraad door te vergemakkelijken. Een kus is een teken van trouw en van vriendschap, Psalm 2:12. Maar Judas heeft, toen hij al de wetten van liefde en plicht met voeten trad, dit heilige vriendschapsteken ontwijd ter bevordering van zijn eigen doeleinden. Er zijn velen, die Christus verraden met een kus en een: Wees gegroet, Meester, die, onder voorgeven van Hem te eren, de belangen Zijns koninkrijks verraden en ondermijnen. Honing in den mond, gal in het hart. Omhelzen is een ding, liefhebben is wat anders Joabs kus en Judas' kus waren zo tamelijk van dezelfde soort. c. Hoe zijn Meester hem ontving, vers 50. Hij noemt hem vriend. Indien Hij hem booswicht en verrader, raca, gij dwaas, en kind des duivels had genoemd, dan zou Hij hem niet verkeerd genoemd hebben, maar Hij wilde ons leren, om ook onder de grootste terging ons te onthouden van bitterheid en boze woorden, en alle zachtmoedigheid te betonen. Vriend, want een vriend is hij geweest, en had hij moeten zijn, en scheen hij te zijn. Hij noemt hem vriend, omdat hij Zijn lijden bevorderde en Hem dus hielp, terwijl Hij Petrus Satan genoemd heeft wegens zijne poging om Hem in Zijn lijden te hinderen. Hij vraagt hem: Waartoe zijt gij hier? Is het vrede, Judas? Verklaar u. Indien gij komt als vijand, waartoe dan die kus? Indien als vriend, wat betekenen dan deze zwaarden en stokken? Waartoe zijt gij hier? Welk leed heb Ik u gedaan? Waarin heb Ik u vermoeid? Waartoe zijt gij hier? Is er niet zoveel schaamtegevoel in u overgebleven, om uit Mijne ogen te blijven, dat gij toch gekund had, daar gij dan toch ook aan de beambten had kunnen zeggen waar Ik te vinden was? Het was een sterk blijk van verregaande schaamteloosheid om zijn boze daad zo openlijk ten uitvoer te brengen. Maar het is iets gans gewoons dat afvalligen van den Godsdienst er de grootste vijanden van worden, getuige Julianus de Afvallige.
2. Hoe de beambten en krijgslieden zich van Hem meester maakten. Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus, en grepen Hem. Hoe hebben zij niet gevreesd hun hand uit te strekken tegen den Gezalfde des Heeren? Wij kunnen ons voorstellen hoe ruw en wreed deze handen waren, die deze barbaarse scharen aan Christus geslagen hebben, en waarschijnlijk zijn ze nu met des te meer ruwheid te werk gegaan, omdat zij zo dikwijls teleurgesteld waren, toen zij de handen aan Hem wilden slaan. Zij zouden Hem niet hebben kunnen grijpen, indien Hij zich niet had overgegeven, niet door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven was, Handelingen 2:23. Hij, die van Zijn gezalfde dienstknechten gezegd heeft: Tast hen niet aan, en doet hun geen kwaad, Psalm 105:14, 15, heeft Zijn gezalfden Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgegeven. En wederom: Hij gaf Zijne sterkte in de gevangenis, en Zijne heerlijkheid in de hand des wederpartijders, Psalm 78:61. Zie wat de klacht was van Job Hoofdstuk 16:11, God heeft mij den verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen der goddelozen, en beschouw dit en nog andere plaatsen in het boek van Job als typisch van Christus gesproken. Onze Heere werd tot een gevangene gemaakt, omdat Hij in alle dingen als een kwaaddoener behandeld wilde zijn, gestraft om onze misdaad, en als borg in arrest genomen voor onze schuld. Het juk onzer overtredingen was door de hand des Vaders den Heere Jezus op de schouders gelegd. Klaagliederen 1:14. Hij werd gevangen om ons in vrijheid te stellen, want Hij zei: Indien gij Mij zoekt, zo laat dezen heengaan. Johannes 18:8, en diegenen zijn waarlijk vrij, die door Hem vrijgemaakt zijn.
3. Hoe Petrus streed voor Christus, en voor dezen ijver niet gedankt, maar wel bestraft werd. Hier wordt slechts gezegd, dat het een van degenen was, die met Jezus in den hof waren, maar in Johannes 18:10 wordt ons meegedeeld, dat het Petrus was, die zich toen op die wijze heeft onderscheiden. Merk op:
a. Petrus' onbezonnenheid. Hij trok zijn zwaard uit. Zij hadden met hun allen slechts twee zwaarden, Lukas 22:38, een daarvan schijnt in het bezit van Petrus geweest te zijn, en nu dacht hij dat het tijd was om het te trekken, en hij sloeg om zich heen, alsof hij iets groots, ene heldendaad wilde doen, maar het enige wat hij deed was, dat hij aan een dienaar van den hogepriester het oor afhieuw. waarschijnlijk wel bedoelende hem het hoofd af te slaan, omdat hij hem meer in de weer zag dan de anderen, om aan Christus de handen te slaan. Maar als hij met zijn zwaard iemand wilde treffen, dan komt het mij voor, dat hij veeleer Judas daartoe had moeten uitkiezen. Petrus had hoog opgegeven van hetgeen hij voor zijn Meester zou willen doen, hij wilde zelfs voor Hem sterven. Ja, dat wilde hij ook, en nu wilde hij tonen, dat het hem daarmee ernst was, en wilde hij dus zijn leven in de waagschaal stellen om zijn Meester te redden. In zover was hij dus prijzenswaardig, dat hij een groten ijver had voor Christus, voor Zijne eer en Zijne veiligheid, maar het was een ijver zonder verstand, overleg of bescheidenheid, want hij deed het zonder er toe gemachtigd te zijn. Sommigen van de discipelen hebben wel gevraagd: Zullen wij met het zwaard slaan? Lukas 22:49, maar Petrus sloeg voordat zij een antwoord op hun vraag hadden. Wij moeten niet slechts weten, dat het een goede zaak is, waarvoor wij het zwaard trekken, maar ook of wij er het recht toe hebben, of het onze plicht is, wij moeten tonen op wiens gezag wij dit doen, en wie ons de macht er toe gegeven heeft. Hij heeft onberaden zich zelven en zijne medediscipelen blootgesteld aan de woede der menigte, immers, wat konden zij met hun twee zwaarden tegen zulk ene bende?
b. De bestraffing, die onze Heere Jezus hem gaf, vers 52. Keer uw zwaard weer in zijne plaats! Hij beveelt de beambten en krijgslieden niet om het zwaard, dat zij tegen Hem hadden getrokken, in de schede te doen wederkeren, hen liet Hij over aan het oordeel van God, maar aan Petrus gebiedt Hij zijn zwaard in de schede te steken, Híj bestraft hem niet voor wat hij gedaan had, omdat hij het met goeden wil en bedoeling gedaan had, maar Hij laat den strijd met zulke wapenen niet voortgaan, en voorkomt dat dit tot een precedent gesteld wordt. Christus' roeping was het om vrede te maken in de wereld. De wapenen van onzen krijg zijn niet vleselijk, maar geestelijk, 2 Corinthiërs 10:3, 4, en hoewel Christus' dienstknechten Zijne krijgsknechten zijn, voeren zij den krijg niet naar het vlees. Niet, alsof de wet van Christus de wet der natuur of de wet der natiën tenietdoet, in zoverre deze aan onderdanen de bevoegdheid geeft om voor hun burgerlijke rechten en vrijheden op te komen en voor hun Godsdienst, als deze in die rechten begrepen is, maar zij voorziet voor de handhaving van den openbaren vrede en de orde, door aan particulieren als zodanig te verbieden de gestelde machten te weerstaan, ja wij hebben zelfs een algemeen voorschrift, den boze niet te weerstaan, Hoofdstuk 5:39. En evenmin wil Christus, dat Zijne dienstknechten Zijn Godsdienst door geweld van wapenen zullen uitbreiden. De Godsdienst kan niet gedwongen worden, hij moet verdedigd worden, niet door te doden, maar door te sterven. Gelijk Christus aan Zijne discipelen het zwaard der gerechtigheid ontzei, zo verbiedt Hij hier het zwaard van den krijg. Christus gebood aan Petrus het zwaard in de schede te steken, en nooit heeft Hij hem geboden het zwaard weer te trekken. Maar waarom Petrus hier gelaakt wordt, is, dat hij het ontijdig heeft gedaan, de ure was voor Christus gekomen om te lijden en te sterven, Hij wist dat Petrus dit wist. Het zwaard des Heeren was tegen Hem uitgetrokken, Zacheria 13:7, en als Petrus nu zijn zwaard voor Hem trekt, was dit gelijk aan zijn: Meester, wees U genadig, dit zal U geenszins geschieden. Drie redenen geeft Christus aan Petrus voor deze bestraffing. Zijn trekken van het zwaard zou gevaarlijk zijn voor hem en zijn medediscipelen. Allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. Die geweld gebruiken, vallen door geweld, en door driftige, bloedige methodes van zelfverdediging verhaasten en vermeerderen de mensen slechts hun kwellingen. Zij, die het zwaard nemen, voor het hun gegeven is, die het gebruiken zonder er toe gerechtigd of geroepen te zijn, stellen zich bloot aan het zwaard van den krijg, of aan de openbare gerechtigheid. Ware het niet om de bijzondere zorg en voorzienigheid van den Heere Jezus, Petrus en de overigen van hen zouden waarschijnlijk terstond in stukken gehouwen zijn. Grotius geeft een andere en waarschijnlijke betekenis hieraan, namelijk dat met hen, die het zwaard nemen, niet Petrus, maar de beambten en soldaten bedoeld werden, die met zwaarden gekomen zijn om Christus gevangen te nemen, zij zullen door het zwaard vergaan. Petrus, gij behoeft het zwaard niet te trekken om hen te straffen. God zal gewisselijk, en binnenkort, streng afrekening met hen houden. Zij namen het Romeinse zwaard om Christus te grijpen, en niet lang daarna zijn zij, hun plaats en hun volk door het Romeinse zwaard verwoest en vernietigd. Daarom moeten wij ons zelven niet wreken, God zal het vergelden, Romeinen 12:19, en daarom moeten wij lijden met geloof en geduld, want de vervolgers zullen wel met hun eigen munt betaald worden, Openbaring 13:10. Het was onnodig, dat hij ter verdediging zijns Meesters het zwaard zou trekken, die, indien het Hem behaagde, het ganse heir des hemels tot Zijn dienst kon oproepen, vers 53. Meent gij, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij van den hemel afdoende hulp zenden? Petrus, indien Ik dit lijden wilde afweren, zou Ik het gemakkelijk kunnen zonder uwe hand, en zonder uw zwaard. God heeft ons niet nodig, en nog veel minder heeft Hij onze zonden nodig, om Zijne doeleinden tot stand te brengen, en het toont ons wantrouwen van en ongeloof aan de macht van Christus, als wij om Zijne belangen te dienen uit den weg des plichts gaan. God kan Zijn werk doen zonder ons, als wij een blik werpen op den hemel en zien hoe Hij daar gediend wordt, dan kunnen wij gemakkelijk tot de slotsom komen, dat, al zouden wij rechtvaardig zijn, Hij ons toch niet verplicht is, Job 35:5, 7. Hoewel Christus gekruisigd werd door zwakheid, was die zwakheid toch vrijwillig. Hij onderwierp zich aan den dood, niet omdat Hij er niet mede kon, maar omdat Hij er niet mede wilde strijden. Dit neemt de ergernis weg van het kruis, en toont Christus gekruisigd als de kracht Gods. Zelfs nu Hij in de diepte is van Zijn lijden, kan Hij de hulp inroepen van legioenen van engelen. Nu -arti alsnog. Hoewel de zaak al zo ver is, zou Ik toch door slechts een woord te spreken, de balans laten doorslaan. Christus laat ons hier weten: Ten eerste. Wat Hij bij den Vader vermocht.
Ik kan Mijn Vader bidden, en Hij zal Mij hulp zenden uit het heiligdom. Ik kan-parakelesai deze hulp eisen van Mijn Vader. Christus bad als gezaghebbende. Het is een grote vertroosting voor Gods volk, als zij van alle zijden omringd zijn door vijanden, dat de weg naar den hemel open voor hen is. Als zij niets anders kunnen doen, kunnen zij bidden tot Hem, die alles doen kan. En zij, die op andere tijden veel in het gebed zijn, smaken de meeste vertroosting in het gebed in tijden van benauwdheid en beroering. Merk op, dat Christus zegt, niet slechts dat God hem zulk een aantal van engelen zou kunnen zenden, maar dat Hij, zo Hij-Christus-er op aandrong, ze ook zou zenden. Hoewel Hij het werk onzer verlossing op zich had genomen, zou toch de Vader-naar hetgeen hieruit blijkt-Hem er niet aan gehouden hebben, indien Hij er van ontslagen had willen zijn. Hij zou nog vrij van dien dienst hebben kunnen uitgaan, maar Hij wilde niet, want Hij had hem lief, zodat Hij slechts door de koorden Zijner eigen liefde aan het altaar was gebonden.
Ten tweede. Wat Hij vermocht bij de hemelse heirscharen, Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten, een getal dus van boven de twee en zeventig duizend. Merk hier op:
1. Er is een talloos gezelschap van engelen, Hebreeën 12:22. Ene afdeling van meer dan twaalf legioenen zou gemist kunnen worden tot onzen dienst, zonder dat dit een gemis zou veroorzaken rondom den troon. Daniël 7:10. Zij worden gerangschikt en geleid in nauwkeurige orde, zoals de goed-gedisciplineerde legioenen, geen verwarde hoop, maar geregelde troepen, allen kennen zij hun post en letten op het woord van bevel.
2. Deze talloze engelen zijn allen ter beschikking van onzen hemelsen Vader, en doen Zijn welbehagen, Psalm 103:20, 21. 3. Dit heir van engelen was bereid onzen Heere Jezus te hulp te komen in Zijn lijden, indien Hij dit nodig had of begeerde, Hebreeën 1:6, 14. Zij zouden voor Hem geweest zijn wat zij voor Elisa waren, vurige wagens en vurige paarden, niet slechts om Hem te beveiligen, maar om hen te verteren, die Hem aanvielen.
4. Onze hemelse Vader moet gezien en erkend worden in al de diensten van de hemelse heirscharen. Hij zal ze Mij bijzetten, daarom moeten de engelen niet aangebeden worden, maar wel de Heer der engelen, Psalm 91:11.
5. Het is ene reden van vertroosting voor allen, die het goede wensen voor het koninkrijk van Christus, dat er altijd ene wereld van engelen is, die den Heere Jezus ten dienste staat en wonderen kan doen. Hij, die de heirscharen des hemels tot Zijn dienst heeft, kan doen wat Hem behaagt met de inwoners der aarde. Hij zal ze Mij bijzetten. Zie, hoe bereid Zijn Vader was om Zijn gebed te verhoren, en hoe bereid de engelen zijn om Zijne bevelen op te volgen. Zij zijn gewillige dienaren, snelle boden, zij komen snellijk gevlogen. Dit is zeer bemoedigend voor hen, aan wie de eer van Christus en het welzijn Zijner kerk zeer ter harte gaan. Denken zij, dat zij meer zorg hebben voor Christus en Zijne kerk, dan God en de heilige engelen? Het was geen tijd voor enigerlei verdediging, of om den slag te willen afweren, want hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen dat het alzo geschieden moet? vers 54. Er was geschreven, dat Christus als een lam ter slachting zou geleid worden, Jesaja 53:7. Riep Hij de engelen op ter Zijner hulp, dan zou Hij in het geheel niet ter slachting geleid worden. Indien Hij Zijne discipelen veroorloofde te strijden, Hij zou niet als een lam worden geleid, stil en zonder weerstand te bieden, daarom moet Hij en moeten ook de discipelen berusten, opdat de Schriften vervuld worden. In alle moeilijke gevallen moet het woord van God beslissen tegen onze eigen raadslagen of bedenkingen, en niets moet gedaan, niets moet beproefd worden tegen de vervulling der Schriften. Indien de verlichting van onze pijn, het verbreken van onze boeien, de redding van ons leven, niet bestaanbaar is met de vervulling der Schrift, dan behoren wij te zeggen: Laat Gods woord en wil geschieden, laat Zijne wet verheerlijkt en groot gemaakt worden, wat er dan ook verder van ons moge worden. 4. Vervolgens wordt ons gezegd hoe Christus de zaak besprak met hen, die gekomen waren om Hem gevangen te nemen, vers 55. Het is zeer wel bestaanbaar met Christelijk geduld onder lijden, om tegenover onze vijanden en vervolgers een kalm, doch ernstig beklag in te dienen, zoals David tegenover Saul gedaan heeft, 1 Samuël 24:14, 26:18. Gij zijt uitgegaan:
a. Met woede en vijandschap, als tegen een moordenaar, alsof Ik een vijand was van de openbare veiligheid, en welverdiend dit lijden onderging. Moordenaars maken zich bij ieder gehaat, iedereen zal er de hand toe lenen om een moordenaar te vangen, en zo vielen zij dan op Christus aan, alsof Hij het uitvaagsel der wereld was. Indien Hij de gesel Zijns lands ware geweest, Hij zou met niet meer heftigheid en woede vervolgd zijn kunnen worden.
b. Met al die kracht en macht, als tegen de ergste moordenaars, die de wet trotseren, de publieke gerechtigheid uittarten, en tot hun zonde nog rebellie toedoen. Gij zijt gekomen als tegen een moordenaar met zwaarden en stokken, alsof er enigerlei gevaar was van tegenstand, terwijl gij den rechtvaardige hebt gedood, en Hij wederstaat u niet, Jakobus 5:6. Indien Hij niet gewillig ware om te lijden, het zou dwaasheid zijn geweest om met zwaarden en stokken te komen, want zij zouden Hem niet kunnen overweldigen. Indien Hij geneigd ware weerstand te bieden, Hij zou hun ijzer als stro hebben geacht, en hun zwaarden en stokken zouden als doornen voor een verterend vuur zijn geweest, maar, daar Hij gewillig was om te lijden, was het dwaasheid om aldus gewapend te komen, want Hij zal niet met hen strijden. Voorts herinnert Hij hen hoe totnutoe Zijn gedrag was geweest tegenover hen, en het hun tegenover Hem. Hij wijst hen op Zijne verschijning in het openbaar: Dagelijks zat Ik bij u, lerende in den tempel. Hun openlijke toelating daarvan: Gij hebt Mij niet gegrepen. Vanwaar nu deze verandering? Zij waren onredelijk door Hem aldus te behandelen. Ten eerste. Hij had hun geen reden gegeven om Hem als een dief of moordenaar te beschouwen, want Hij had geleerd in den tempel. Daarbij was de inhoud van Zijne leringen, en de wijze waarop Hij ze voordroeg, van zulk een aard, dat allen, die Hem hoorden, wel moesten getuigen, dat Hij geen slecht mens kon zijn. Zulke genaderijke woorden als uit Zijn mond kwamen, waren niet de woorden van een moordenaar, noch van iemand, die een duivel had.
Ten tweede. Hij had hun ook evenmin reden gegeven te denken, dat Hij iemand was, die zich verborg of de gerechtigheid wilde ontvluchten, dat zij dus in den nacht moesten komen om Hem te grijpen. Hadden zij Hem iets te zeggen, zij konden Hem dagelijks vinden in den tempel, bereid om op alle aanklachten of beschuldigingen te antwoorden, en dáár konden zij dan met Hem doen wat hun behaagde, want de overpriesters hadden de wacht over den tempel en voerden het bevel over de wachters, maar aldus tersluiks komende om Hem te overvallen in deze eenzame plaats was laf en laaghartig. Op die wijze kan de grootste held schandelijk in een hoek worden vermoord door iemand, die in het open veld sidderen zou om hem aan te zien.
Doch dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten zouden vervuld worden, vers 56. Het is moeilijk uit te maken, of dit woorden zijn van den gewijden geschiedschrijver, als ene verklaring van het herhaalde en ene heen wijzing aan den Christelijken lezer om het te vergelijken met de Schriften des Ouden Testaments, die hierop doelden, of dat het de woorden zijn van Christus zelven, als ene reden waarom Hij, hoewel zeer gevoelig voor de lage belediging, die Hem aangedaan werd, er zich toch aan onderwierp, opdat de Schriften der profeten vervuld zouden worden, waarop Hij zelf zo-even nog gewezen had, vers 54. De Schriften worden dagelijks vervuld, en alle Schriften, die van den Messias spreken, zijn ten volle vervuld in onzen Heere Jezus. 5. Hoe Hij temidden van deze ellende schandelijk door Zijne discipelen werd verlaten, Toen vluchtten al de discipelen, Hem verlatende.
a. Dit was hun zonde, en het was een grote zonde in hen, die alles hadden verlaten om Hem te volgen, om Hem nu te verlaten voor- zij zelven wisten niet wat. Er was onvriendelijkheid in, in aanmerking genomen hun verhouding tot Hem, de gunsten, die zij van Hem hadden ontvangen, en de treurige omstandigheden, waarin Hij zich thans bevond. Er was ontrouw in, want zij hadden plechtig beloofd Hem te zullen aanhangen, en Hem nimmer te verlaten. Hij had hun vrijgeleide bedongen, Johannes 18:8, toch konden zij zich daarop niet verlaten, maar gingen zelven voor hun veiligheid zorgen door een schandelijke vlucht. Welk ene dwaasheid! Uit vrees voor den dood weg te vluchten van Hem, dien zij kenden en erkend hadden als de Fontein des levens! Johannes 6:68, 69. Heere, wat is de mens!
b. Het maakte een deel uit van Christus' lijden, het heeft verdrukking toegebracht aan Zijne banden om aldus verlaten te worden, zoals dit ook met Job geweest is, Job 19:13 :Mijne broeders heeft Hij verre van mij gedaan, en met David: Mijne liefhebbers en mijne vrienden staan van tegenover mijne plage en mijne nabestaanden staan van verre, Psalm 38:12. Zij hadden bij Hem behoren te blijven, om Hem te dienen, Hem te steunen en te bemoedigen, en, zo het nodig was, voor Hem te getuigen voor het gerecht, maar zij hebben Hem verraderlijk verlaten, evenals ook in Paulus' eerste verantwoording niemand bij hem geweest is. Maar hierin was ene verborgenheid. Christus is als zoenoffer voor de zonde aldus verlaten geweest. Het hert, dat door den pijl des jachtopzieners getekend en aangewezen is om gejaagd te worden, wordt terstond door de ganse kudde verlaten. Hierin is Hij een vloek voor ons gemaakt, verlaten zijnde als iemand die afgezonderd is voor het kwaad. Het was als Zaligmaker der zielen, dat Christus daar alleen stond, daar Hij niemands hulp nodig had om onze zaligheid te werken, zo heeft Hij dan ook niemands hulp of steun daarbij gehad, Hij heeft alles gedragen en alles zelf gedaan. Hij heeft de pers alleen getreden, en toen er niemand was om Hem te ondersteunen of te helpen, toen heeft Zijn arm heil beschikt, Jesaja 63:3, 5. Zo heeft de Heere alleen Israël geleid, en zij staan stil en ziel het heil des Heeren.