Psalm 89:1-5
De psalmist heeft een zeer treurige klacht te doen over de jammerlijke toestand, waarin het geslacht van David zich toen bevond, en toch begint hij de psalm met lofliederen, want in alles, in iedere staat of toestand moeten wij God danken, en aldus de Heere eren in de valleien, Jesaja 24:15. Als wij in moeite en lijden zijn, denken wij verlichting te krijgen door klagen, maar wij doen meer, wij verkrijgen blijdschap door te loven. Laat onze klachten dan verkeerd worden in dankzeggingen, en in deze verzen vinden wij datgene, dat ons stof zal bieden tot lof en dank ook in de zwaarste, donkerste tijden, hetzij voor ons persoonlijk, of in het algemeen, voor land en volk.
1. Hoe het ook zij, de eeuwige God is goed en getrouw,. vers 2. Hoewel wij het moeilijk kunnen vinden om de tegenwoordige donkere, droevige beschikkingen van Gods voorzienigheid in overeenstemming te brengen met Zijn goedertierenheid en waarheid, moeten wij ons toch houden aan dit beginsel, dat Gods goedertierenheden onuitputtelijk zijn, en Zijn waarheid onaantastbaar is, en dit moet ons een oorzaak zijn van blijdschap en lofzegging. "lk zal de goedertierenheden des Heeren eeuwiglijk zingen, een loflied zingen tot Gods eer, een lieflijk lied tot mijn eigen vertroosting, en maschil, een onderwijzend lied, tot stichting van anderen." Wij kunnen Gods goedertierenheden eeuwiglijk zingen, zonder dat het onderwerp uitgeput raakt of vervelend wordt. Wij moeten zingen van Gods goedertierenheden, zolang wij leven, anderen er toe opleiden om er van te zingen als wij heengegaan zijn, en hopen er van te zingen in de hemel tot in alle eeuwigheid, en dit is: de goedertierenheden des Heeren eeuwiglijk zingen, met mijn mond, en met mijn pen, (want ook daardoor spreken wij) zal ik Uwe waarheid bekend maken van geslacht tot geslacht, uit mijn eigen ervaring en waarneming aan de nakomelingschap verzekerende dat God getrouw is aan ieder woord, dat Hij heeft gesproken, opdat zij leren "hun hoop op God te stellen," Psalm 78:7.
2. Hoe het ook zij, het eeuwig verbond is vast en zeker, vers 3-5. Hier hebben wij:
A. Het geloof en de hoop van de psalmist. "De dingen hebben thans een donker aanzien, het huis van David wordt met algehele uitroeiing bedreigd, maar ik heb gezegd en het woord van God machtigt mij om het te zeggen dat de goedertierenheid eeuwiglijk gebouwd zal worden." Daar Gods goedertierenheid, de goedheid van Zijn wezen, de stof moet zijn van ons lied, vers 2, zoveel te meer dan nog de goedertierenheid, die ons opgebouwd is in het verbond, zij neemt nog steeds toe, zoals een huis, waaraan men bezig is te bouwen, en zij zal tot in eeuwigheid onze rust blijven, zoals een huis, dat gebouwd is. Zij zal eeuwiglijk gebouwd worden, want de eeuwige woningen, waarop wij hopen in het Nieuwe Jeruzalem, zijn van die bouw. Indien de goedertierenheid voor eeuwig gebouwd zal worden, dan zal de tabernakel van David, die vervallen was, weer opgericht worden uit zijn puin, en wederom gebouwd worden als in de dagen vanouds Amos 9:11. De goedertierenheid zal eeuwiglijk gebouwd worden, omdat Gij in de hemelen zelf Uwe waarheid bevestigd hebt. Hoewel wij in onze verwachtingen in een bijzonder opzicht teleurgesteld zijn, zijn daarom Gods beloften niet teniet gedaan, zij zijn bevestigd in de hemelen zelf, dat is, in Zijn eeuwige raad, zij zijn verheven boven de veranderingen van dit lagere gebied en buiten het bereik van de tegenstand van hel en aarde. De vastheid van de materiëlen hemel is een zinnebeeld van de waarheid van Gods Woord, de hemel kan omfloerst zijn door dampen, die opstijgen uit de aarde, maar hij kan niet aangeraakt, niet veranderd worden. B. Een uittreksel van het verbond, waarop dit geloof en deze hoop gebouwd zijn. Ik heb het gezegd, zegt de psalmist, want God heeft het gezworen, opdat de erfgenamen van de belofte volkomen zeker zullen zijn van de onveranderlijkheid van Zijn raad. Hij voert God sprekende in, vers 4, erkennende tot vertroosting van Zijn volk: "lk heb een verbond gemaakt, en dus zal Ik het houden." Het verbond is gemaakt met David, het verbond van het koningschap is met hem gemaakt als de vader van zijn geslacht en met zijn zaad door hem, en om Zijnentwil, voorstellende het verbond van de genade, gemaakt met Christus als Hoofd van de kerk, en met alle gelovigen als Zijn geestelijk zaad. David wordt hier Gods uitverkorene en Zijn knecht geroemd, en gelijk God niet veranderlijk is om op Zijn eigen keuze terug te komen, zo is Hij ook niet onrechtvaardig om iemand te verstoten, die Hem heeft gediend. Er zijn twee dingen, die de psalmist aanmoedigen om zijn geloof te bouwen op dit verbond.
a. De bekrachtiging ervan, het werd bevestigd met een eed. De Heere heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen.
b. De bestendigheid ervan. De zegeningen van het verbond waren niet slechts aan David zelf verzekerd, maar gingen door erfrecht over in zijn geslacht, er was beloofd dat zijn geslacht bestendigd zou worden: "Ik zal Uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen zodat aan David geen zoon zal ontbreken om op zijn troon te regeren," Jeremia 33:20, 21, en dat het altijd een koninklijk geslacht zal blijven. Ik zal uw troon opbouwen van geslacht tot geslacht. Die belofte heeft haar vervulling alleen in Christus, van het zaad Davids, die leeft tot in eeuwigheid, aan wie God de troon van Zijn vader David gegeven heeft, en van de grootheid van Zijn heerschappij en Zijns vredes zal geen einde zijn. Van dit verbond zal de psalmist uitvoeriger spreken, vers 20 en verv.