Johannes 20:11-18
Markus zegt ons, dat Christus het eerst aan Maria Magdalena verschenen is, Markus 16:9, die verschijning wordt hier nu uitvoerig verhaald, en wij kunnen opmerken:
I. De standvastigheid en vurigheid van Maria Magdalena's genegenheid voor den Heere Jezus, vers 11.
1. Zij bleef bij het graf, ook nadat Petrus en Johannes weg waren gegaan, omdat haar Meester daar gelegen had, en zij dáár het waarschijnlijkst nadere tijdingen van Hem kon vernemen. Waar ene wezenlijke liefde tot Christus is, daar zal ook een voortdurend aankleven van Hem zijn, een vastberaden besluit des harten om bij Hem te blijven. Deze Godvruchtige vrouw zal, hoewel zij Hem verloren heeft, liever dan den schijn te hebben van Hem te verlaten, om Zijnentwil bij Zijn graf blijven, en in Zijne liefde blijven, ook wanneer zij er de vertroosting van mist. b, Waar ene ware begeerte is met Christus bekend te worden, daar zal men voortdurend en vlijtig gebruik maken van de middelen, om die kennis te verkrijgen, Hosea 6:2, 3. Op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen, en dan zullen wij de betekenis kennen van die opstanding, als wij, gelijk Maria hier, vervolgen om te kennen.
2. Zij bleef daar wenende, en die tranen spraken luide van hare liefde tot haren Meester. Zij, die Christus hebben verloren, hebben wel oorzaak tot wenen. Zij weende bij de herinnering aan Zijn bitter lijden, weende om Zijn dood, en het verlies, dat zij en hare vrienden en het land er door leden, zij weende bij de gedachte om zonder Hem naar huis te gaan, zij weende, omdat zij nu Zijn lichaam niet vond. Zij, die Christus zoeken, moeten Hem met angst en droefheid zoeken, Lukas 2:48, moeten wenen, niet om Hem, maar om hen zelven.
3. Als zij dan weende, bukte zij in het graf, opdat het gezicht harer ogen, haar hart zou aandoen. Als wij iets zoeken, dat wij verloren hebben, dan zien wij telkens en nogmaals op de plaats, waar wij het gelaten hebben, en verwachten het weer te vinden. Nog zeven maal zal zij zien, want wie weet, of zij ten laatste niet door het een of ander aangemoedigd zal worden. Het wenen moet het zoeken niet in den weg staan. Ofschoon zij weende, bukte zij om in het graf te zien. Diegenen zullen waarschijnlijk zoeken en vinden, die zoeken met liefde, die zoeken met tranen.
II. Haar gezicht van twee engelen in het graf, vers 12. Let hier op:
1. De beschrijving van de twee personen, die zij zag. Het waren twee engelen in witte klederen zittende (waarschijnlijk op banken, of richels in de rots uitgehouwen) enen aan het hoofd, en enen aan de voeten waar het lichaam van Jezus gelegen had. Hier hebben wij:
a. Hun aard. Zij waren engelen, boden van den hemel, met voordracht bij deze grote gelegenheid gezonden. a. Om den Zoon te eren, en aan de plechtigheid der opstanding luister bij te zetten. Nu de Zoon van God wederom in de wereld gebracht was hebben de engelen in last Hem te vergezellen, zoals zij Hem ook bij Zijne geboorte vergezeld hebben, Hebreeën 1:6. b. Om de heiligen te vertroosten: om goede woorden te spreken tot hen, die in droefheid zijn, door hun kennis te geven, dat de Heere was opgestaan, en hen er op voor te bereiden om Hem te zien. b. Hun aantal: twee, niet "ene menigte des hemelsen heirlegers" om lof te zingen, alleen maar twee, om getuigenis te geven, want uit den mond van twee getuigen zou dit woord bevestigd worden.
c. Hun gewaad. Zij waren in het wit, aanduidende: a. Hun reinheid en heiligheid. De besten der mensen, staande voor het aangezicht van engelen, en, bij hen vergeleken, zijn bekleed met vuile klederen Zacheria 3:3, maar engelen zijn vlekkeloos, en als de verheerlijkte heiligen gelijk de engelen worden, dan zullen zij met Christus wandelen in witte klederen. b. Hun heerlijkheid bij deze gelegenheid. De witte klederen, waarin zij verschenen, stelden den glans en de heerlijkheid voor van den staat, waartoe Christus thans was opgestaan.
d. Hun houding en plaats. Zij zaten, rustende, als het ware in Christus' graf, want hoewel engelen gene herstelling behoefden, waren zij Christus toch verplicht voor hun bestaan. Deze engelen gingen in het graf, om ons te leren er niet bevreesd voor te wezen, of te denken, dat ons verblijf aldaar voor ene wijle op enigerlei wijze te kort zal doen aan onze onsterfelijkheid, neen, de zaken zijn zo verordineerd, dat het graf niet veel buiten onzen weg naar den hemel ligt. Het geeft ook te kennen, dat engelen ten dienste gesteld zullen worden van de heiligen, niet slechts bij hun dood, om hun ziel in Abrahams schoot te dragen, maar op den groten dag hun lichaam op te wekken, Mattheus 24:31. Deze engelenwacht (en engelen worden wachters genoemd, Daniël 4:23) het graf in bezit nemende, na de wacht die door de vijanden daar geplaatst was, weggeschrikt te hebben, stelt Christus' zegepraal voor over de machten der duisternis, en hoe Hij die thans verslagen en op de vlucht gedreven heeft. Aldus zijn Michael en zijne engelen meer dan overwinnaars. Hun neerzitten met het aangezicht tot elkaar gewend, de een aan het hoofdeinde van het bed, en de ander aan het voeteneinde, duidt hun zorge aan voor geheel het lichaam van Christus, Zijn mystiek zowel als Zijn natuurlijk lichaam, van het hoofd tot de voeten. Het kan ons ook de twee cherubs voor den geest brengen, die aan weerszijden van het verzoendeksel geplaatst waren met hun aangezichten tegenover elkaar, Exodus 25:18-20. Christus gekruist was het grote verzoendeksel, aan het hoofd- en voeteneinde waarvan deze twee cherubs waren, niet met een vlammend zwaard om ons af te houden, maar als verwelkomende boden om ons den weg des levens te wijzen.
2. Hun medelijdend vragen naar de oorzaak van Maria Magdalena's smart, ver s 13. Vrouw! wat weent gij? Deze vraag was:
a. Ene bestraffing van haar wenen: "Wat weent gij, nu gij reden hebt om u te verblijden?" Velen van onze tranenvloeden zouden wegdragen voor zulk een onderzoek. Wat buigt gij u neer? Zij was ook bestemd om te tonen hoe engelen zich bekommeren om de droefheid der heiligen, daar zij in last hebben om hen te dienen ter hunner vertroosting. Ook Christenen behoren medegevoel te hebben met elkaar.
c. De vraag diende slechts om de gelegenheid te hebben om haar datgene mede te delen, waardoor haar treuren in verblijden zou verkeerd worden, haar zak ontbonden, en zij met blijdschap zal worden omgord.
3. Het treurig bericht dat zij geeft van hare smart en benauwdheid, "omdat zij het gezegend lichaam hebben weggenomen, dat ik heb willen balsemen, en ik weet niet, waar zij het gelegd hebben". Hetzelfde verhaal, dat zij al vroeger gedaan heeft, vers 2. Wij kunnen er in zien a. De zwakheid van haar geloof. Indien zij een geloof had gehad als een mostaardzaadje, dan zou deze berg verzet zijn, maar wij brengen ons zelven dikwijls onnodig in verlegenheid door ingebeelde moeilijkheden, die het geloof ons als werkelijke voordelen zou doen zien. Vele vrome mensen klagen over de wolken en donkerheid, waaronder zij zich bevinden, welke toch slechts de noodzakelijke methodes der genade zijn om hun ziel te verootmoedigen en hun zonden te doden, en hun Christus dierbaar te maken.
b. De kracht van hare liefde. Zij, die ware genegenheid hebben voor Christus, kunnen niet anders dan in grote droefheid zijn, als zij de troostrijke tekenen Zijner liefde hebben verloren in hun ziel, of de liefelijke gelegenheden om tot Hem te spreken en Hem ere te bewijzen in Zijne inzettingen. Maria Magdalena wordt door de verrassing van het gezicht der engelen niet afgeleid van haar onderzoek, noch door de ere er van tevreden gesteld, maar komt altijd weer op hetzelfde onderwerp terug: Zij hebben mijn Heere weggenomen. Het gezicht van engelen, en hun vriendelijke, goedkeurende blikken, kan ons niet voldoen zonder het gezicht van Christus, en van Gods vriendelijk aanschijn in Hem. Ja meer, het gezicht der engelen is haar slechts ene gelegenheid om haar onderzoek voort te zetten naar Christus. Alle schepselen, ook de voortreffelijkste en dierbaarste, moeten als middelen- en niet anders dan als middelen-gebruikt worden, om ons, in Christus, met God bekend te maken. De engelen vroegen haar: wat weent gij? Ik heb reden genoeg om te wenen, antwoordt zij, want zij hebben mijn Heere weggenomen, en, gelijk Micha, kan zij zeggen: "Wat heb ik nu meer?" Vraagt gij waarom ik ween? Mijn liefste is geweken en is doorgegaan. Niemand dan zij, die het ervaren hebben, kent de smart ener verlatene ziel, die troostrijke blijken gehad heeft van Gods liefde in Christus en van hoop op den hemel, maar die nu verloren heeft, en in duisternis wandelt, wie kan zulk een verslagenen geest dragen?
III. Christus' verschijning aan haar terwijl zij met de engelen sprak en hun de oorzaak harer droefheid te kennen gaf. Eer zij haar nog enig antwoord gegeven hebben, komt Christus zelf om haar in te lichten, want thans spreekt God tot ons door Zijn Zoon, niemand dan Hij zelf kan ons den weg wijzen om tot Hem te komen. Maria zou gaarne willen weten, waar haar Heere is, en zie, Hij is aan hare rechterhand. Zij, die met niets minder tevreden willen zijn, dan met een gezicht van Christus, zullen ook met niets minder weggezonden worden. Nooit heeft Hij tot ene ziel, die Hem zocht, gezegd: Zoek Mij te vergeefs. Is het Christus, dien gij wilt hebben? Christus zult gij hebben. 2. Als Christus zich openbaart aan hen, die Hem zoeken, zal Hij dikwijls hun verwachtingen overtreffen. Maria verlangt het dode lichaam van Christus te zien, en klaagt over het verlies daarvan, en. zij ziet Hem levend. Aldus doet Hij voor Zijn biddend volk boven hetgeen zij kunnen bidden of denken. Zie in deze verschijning van Christus aan Maria:
a. Hoe Hij zich in het eerst voor haar verborgen houdt. a. Hij stond daar als een gewoon persoon, en als zodanig beschouwde zij Hem ook, vers 14. Zij verwachtte een antwoord op hare klacht van de engelen, en, hetzij de schaduw van een persoon bespeurende, of zijn voetstap achter zich horende, keerde zij zich achterwaarts van het spreken met de engelen, en ziet Jezus zelven staan, den Persoon zelven, dien zij zocht, maar wist niet, dat het Jezus was. De Heere is nabij de gebrokenen van harte, Psalm 34:19, meer nabij dan zij vermoeden. Zij, die Christus zoeken, kunnen er van verzekerd wezen, dat Hij, hoewel zij Hem niet zien, toch niet verre van hen is. Zij, die den Heere naarstiglijk zoeken, zullen in alle richtingen naar Hem uitzien. Maria keerde zich achterwaarts in de hoop van het een of ander te ontdekken. Velen van de oude schrijvers opperen het denkbeeld, dat de engelen Maria een wenk hebben gegeven, om achter zich te zien, daar zij opstonden en zich voor den Heere Jezus neerbogen, Hem ziende, voordat Maria Hem zag, en dat zij zich toen omkeerde om te zien aan wie zij zo groten eerbied betoonden. Maar indien dat zo is, dan zou zij Hem toch waarschijnlijk niet voor den hovenier hebben aangezien. Het was dus veeleer haar ijver in het zoeken, die haar naar alle kanten deed uitzien. Christus is dikwijls nabij Zijn volk, zonder dat zij Hem bemerken. Zij wist niet, dat het Jezus was, niet omdat Hij in ene andere gedaante verscheen, maar of zij had ene onverschilligen, vluchtigen blik op Hem geworpen, en hare ogen, beneveld zijnde door tranen, kon zij Hem niet goed onderscheiden, of wel, hare ogen werden gehouden, dat zij Hem niet kende, zoals dit met de twee discipelen op den weg naar Emmaus het geval was, Lukas 24:16. b. Hij deed haar ene gewone vraag, waarop zij Hem antwoordde, vers 15.
Ten eerste. De vraag, die Hij haar deed, was gans natuurlijk, ene vraag, die iedereen haar gedaan zou hebben. Vrouw! wat weent gij? wie zoekt gij? Wat brengt u zo vroeg in den morgen hier in den hof? En waartoe al die beweging en dat geraas? Wellicht werd dit met ietwat ruwheid gezegd, zoals Jozef tot zijne broeders sprak, zich vreemd houdende, eer hij zich aan hen bekend maakte. Het schijnt wel het eerste woord te zijn, dat Christus na Zijne opstanding gesproken heeft: Wat weent gij? Ik ben opgestaan. Er is in de opstanding van Christus genoeg om onze smarten te lenigen, en de stromen van tranen, die wij schreien te weerhouden, en er de bron van te doen opdrogen. Merk hier op, dat Christus kennis neemt:
1. Van de smarten Zijns volks, en vraagt: Waarom weent gij? Hij vergadert hun tranen in Zijne fles, en schrijft ze in Zijn register.
2. Van de zorgen Zijns volks, en Hij vraagt: Wie zoekt gij, en wat wenst gij? Als Hij weet, dat zij Hem zoeken, wil Hij het toch van hen weten, zij moeten Hem zeggen, wie zij zoeken.
Ten tweede. Het antwoord, dat zij Hem geeft, is gans natuurlijk. Zij geeft Hem geen direct antwoord, maar, alsof zij zei: "Waarom bespot gij mij, en verwijt mij mijne tranen? Gij weet wel, waarom ik ween, en wie ik zoek": en daarom, menende dat het de hovenier was, de persoon, dien Jozef gebruikte om zijn hof in orde te houden en te bewaren, en die, naar zij dacht, zo vroeg kwam om aan zijn werk te gaan, zei zij: Heere! zo gij Hem weggedragen hebt, zeg mij waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen. Zie hier:
1. De dwaling van het verstand. Zij meende, dat onze Heere Jezus de hovenier was, misschien wel omdat Hij vroeg met wiens verlof zij zich daar bevond. In den dag der wolke en der donkerheid zullen ontroerde zielen allicht geneigd zijn zich van Christus zelven ene verkeerde voorstelling te maken, en aan de methode van Zijne voorzienigheid en genade ene verkeerde uitlegging te geven.
2. De oprechtheid harer genegenheid. Zie, hoe zij er haar hart op gezet heeft, om Christus vinden. Aan ieder, dien zij ontmoet, vraagt zij naar Hem, zoals de bruid: Hebt gij dien gezien, dien mijne ziel liefheeft? Zij spreekt eerbiedig tot den hovenier, en noemt hem Heere, in de hoop tijding door hem te krijgen van haren Welbeminde. Als zij van Christus spreekt, noemt zij Hem niet, maar zo gij Hem weggedragen hebt, gans in de veronderstelling, dat deze hovenier even goed als zij vervuld was van gedachten omtrent dezen Jezus, en dus wel moest weten wie zij bedoelde. Een ander blijk van de kracht harer genegenheid was, dat zij, wáár men Hem ook gelegd zou hebben. het op zich zou nemen om Hem weg te nemen, Zulk een lichaam, met zulk een gewicht van specerijen bezwaard, was veel meer dan zij kon dragen, maar ware liefde denkt meer te kunnen doen dan zij kan, en telt gene moeilijkheden. Zij onderstelde, dat het dezen hovenier tegen den zin was, dat het lichaam van een schandelijken gekruiste in zijns meesters nieuw graf zou liggen, en dat hij het daarom weggedragen had naar de ene of andere schamele plaats, die hij er geschikter voor vond. En Maria dreigt hem niet met het aan zijn meester te zullen zeggen, en te bewerken, dat hij er zijne betrekking door zou verliezen, maar zij neemt op zich om een ander graf te vinden, waarin het lichaam zou mogen blijven. Christus behoeft niet te blijven, waar Hij als een last wordt beschouwd.
b. Hoe Christus zich eindelijk aan haar bekend maakte, en haar, door ene liefelijke verrassing de onfeilbare zekerheid gaf van Zijne opstanding. Eindelijk zei Jozef tot zijne broeders: Ik ben Jozef. Zo ook Christus hier tot Maria Magdalena, nu Hij ingegaan is tot Zijn verhoogden staat. Merk op: a. Hoe Christus zich aan deze Godvruchtige vrouw, die Hem met tranen zocht, ontdekt heeft, vers 16: Jezus zei tot haar: Maria! Het werd met nadruk gezegd, en met die vriendelijkheid en vrijheid, waarmee Hij gewoon was tot haar te spreken. Nu veranderde Hij Zijne stem, en sprak weer zoals Hij was, niet zoals de hovenier. Christus' wijze om zich aan Zijn volk bekend te maken is door Zijn woord, Zijn woord, toegepast op hun ziel, sprekende tot hen in het bijzonder. Wanneer zij, die God bij name heeft gekend in den raad Zijner liefde, Exodus 33:12, bij name geroepen worden in de kracht Zijner genade, dan openbaart Hij Zijn Zoon in hen, zoals in Paulus, Galaten 1:16, toen Christus hem bij name riep: Saul. Saul. Christus' schapen kennen Zijne stem, Hoofdstuk 10:4. Dit ene woord, Maria, was gelijk aan dat tot de discipelen in den storm: Ik ben het. Dan zal het woord van Christus ons goed doen, als wij onze namen brengen in de geboden en beloften: "Hierin spreekt Christus tot mij, hierin roept Christus m ij. b. Hoe geredelijk zij die ontdekking aannam. Toen Christus zei: "Maria, kent gij Mij niet, zijn gij en Ik zo vreemd voor elkaar geworden?" bemerkte zij terstond wie Hij was, zoals de bruid, Hooglied 2:8. Dat is de stem mijns liefsten. Zij, zich omkerende, zei tot Hem: Rabbouni, mijn Meester. Het zou gevoeglijk als vraag gelezen kunnen worden: Rabbouni? "Is het mijn Meester? Ja waarlijk, Hij is het". Merk op: Ten eerste. Den titel van eerbied, dien zij Hem geeft: Mijn Meester, didaskale -een onderwijzende meester. De Joden noemden hun geleerden Rabbijnen, grote mannen. Sommigen van hen zeggen, dat Rabbon een hogere titel was dan Rabbi, en daarom koos Maria dien, en voegt er het bezittelijk voornaamwoord aan toe: Mijn grote Meester. Niettegenstaande het vrije der gemeenschapsoefening, dat Christus ons toestaat in onzen omgang met Hem, moeten wij gedenken, dat Hij onze Meester is, en dat wij Hem met Godvruchtige vreze behoren te naderen.
Ten tweede. Met welk ene levendige genegenheid zij Christus dien titel geeft. Zij keerde zich af van de engelen, die zij voor hare ogen had, om Jezus aan te zien. Wij moeten onzen blik afwenden van alle schepselen, ook van de schitterendsten en besten, om hem op Christus te vestigen, van wie wij door niets afgeleid moeten worden, en wie niets in den weg moet treden. Toen zij meende, dat het de hovenier was, zag zij, terwijl zij tot Hem sprak, een anderen kant uit, maar nu zij de stem van Christus hoorde, keerde zij zich om. De ziel, die Christus' stem hoort, en tot Hem gewend is, noemt Hem juichend en met blijdschap: Mijn Meester. Zie, met hoe groot genoegen, dat zij, die Christus liefhebben, spreken van Zijn gezag over hen. Mijn Meester, mijn grote Meester.
c. De nadere instructies, die Christus haar gaf, vers 17. Raak Mij niet aan. maar ga heen en breng de tijding aan Mijne discipelen. Ten eerste. Hij leidt haar af van de verwachting van gemeenzamen omgang en gesprek met Hem voor ditmaal. Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren. Maria was zo vervoerd van blijdschap op het zien van haren Meester, dat zij zich vergat, den staat van heerlijkheid vergat, waartoe Hij nu was ingegaan, en zo was zij op het punt van uitdrukking te geven aan hare blijdschap door ene liefdevolle omhelzing, hetgeen Christus nu verbiedt.
1. Raak Mij op deze wijze niet aan, want Ik moet opvaren naar den hemel. Hij heeft den discipelen gezegd Hem aan te raken, ter bevestiging van hun geloof, Hij vergunde aan de vrouwen Zijne voeten te grijpen en Hem te aanbidden, Mattheus 28:9. Maar Maria, menende, dat Hij was opgestaan, op de wijze zoals Lazarus was opgestaan, om nu voortaan onder hen te leven, en even vrijelijk met hen om te gaan als te voren, was zij op het punt van Hem even gemeenzaam bij de hand te grijpen. Christus herstelde deze vergissing, zij moet in Hem geloven en Hem aanbidden als verhoogd zijnde, maar niet de vroegere gemeenzaamheid met Hem verwachten. Zie 2 Corinthiërs 5:16. Hij verbiedt haar, om haar hart te stellen op Zijne lichamelijke tegenwoordigheid, of te verwachten, dat die blijvend zal zijn, en leidt haar tot de geestelijke gemeenschapsoefening, die zij met Hem smaken zal, nadat Hij opgevaren zal zijn tot Zijn Vader, want de grootste blijdschap Zijner opstanding was, dat zij een stap was tot Zijne hemelvaart. Maria dacht, dat haar Meester, nu Hij was opgestaan, terstond een aards koninkrijk zou oprichten, zoals zij zich dit lang hadden beloofd en voorgesteld. "Neen," zegt Christus, "raak Mij niet aan met zulke denkbeelden, denk er niet aan Mij aan te grijpen, ten einde Mij hier terug te houden, want hoewel Ik nog niet ben opgevaren, ga heen tot Mijne broeders, en zeg hun, dat ik zal opvaren". Evenals voor Zijn dood, zo blijft Hij ook na Zijne opstanding hetzelfde woord herhalen, dat Hij heenging, en niet meer in de wereld was. Daarom moeten zij hoger zien dan naar Zijne lichamelijke tegenwoordigheid, verder zien dan den tegenwoordigen staat van zaken.
2. "Raak Mij niet aan, blijf nu niet hier om Mij nu aan te raken, blijf nu niet hier om nog verdere vragen te doen, of om nog meer uitdrukking te geven aan uwe blijdschap, want Ik ben nog niet opgevaren, Ik zal niet onmiddellijk heengaan, het kan een andermaal geschieden. Het beste wat gij nu doen kunt is de tijding te brengen aan de discipelen, verlies dus geen tijd, maar ga zo spoedig gij kunt". De openbare dienst gaat voor eigene voldoening. Het is zaliger te geven dan te ontvangen. Als de dag aanbreekt, moet Jakob een engel laten gaan, want dan is het tijd om naar zijn gezin om te zien. Maria moet niet blijven, om met haren Meester te spreken, zij moet Zijne boodschap gaan verrichten, want het is een dag van goede boodschap, waarvan zij de vertroosting niet voor zich alleen moet houden, maar haar moet mededelen aan anderen. Zie het verhaal in 2 Koningen 7:9.
Ten tweede. Hij zegt haar welke boodschap zij aan Zijne discipelen moet brengen: Maar ga heen tot Mijne broeders, en zeg hun, niet slechts, dat Ik ben opgestaan (dat zou zij hun uit haar zelf hebben kunnen zeggen, want zij had Hem gezien), maar, dat Ik opvare. Merk op:
A. Aan wie de boodschap wordt gezonden: Ga er mede tot Mijne broeders, want Hij schaamt zich niet hen aldus te noemen.
a. Hij ging nu in tot Zijne heerlijkheid, en was nu meer krachtelijk dan ooit te voren bewezen de Zoon van God te zijn, toch erkent Hij Zijne discipelen als Zijne broeders, en drukt zich met meer tedere genegenheid voor hen uit dan te voren, Hij had hen vrienden genoemd, maar nooit te voren heeft Hij hen broeders genoemd. Christus is wel hoog, maar niet hoogmoedig. Niettegenstaande Zijne verheffing, versmaadt Hij het niet Zijne arme bloedverwanten te erkennen. b. Zijne discipelen hadden zich in de laatste dagen weinig oprecht jegens Hem betoond, Hij had hen nooit meer te zamen gezien, sedert zij Hem allen verlaten hadden en gevlucht waren, toen Hij gevangen werd genomen. Hij zou hun nu met recht ene toornige boodschap hebben kunnen zenden: "Ga heen tot gindse verraderlijke deserteurs, en zeg hun, dat Ik hen nooit meer zal vertrouwen, en nooit meer iets met hen van doen wil hebben". Neen, Hij vergeeft, Hij vergeet, en verwijt niet.
B. Door wie zij gezonden wordt: door Maria Magdalena, uit wie Hij zeven duivelen had uitgeworpen, maar die nu aldus bevoorrecht werd. Dit was haar loon voor haar standvastig aankleven van Christus, en haar zoeken en vragen naar Hem, en ene stilzwijgende bestraffing aan de apostelen, die niet zo dicht bij den stervenden Jezus gebleven waren, noch zo vroeg waren uitgegaan als zij om den verrezen Jezus te ontmoeten, zij wordt een apostel tot de apostelen.
C. Wat de boodschap zelf is: Ik vare op tot Mijn Vader. Er zijn in deze woorden twee rijke vertroostingen gelegen:
a. Onze medebetrekking tot God, voortvloeiende uit onze eenheid met Christus, is ene onuitsprekelijke vertroosting. Van deze onuitputtelijke bron van licht, leven en zaligheid sprekende, zegt Hij is Mijn Vader en uw Vader, Mijn God en uw God. Dit drukt ten volle de innige, nauwe betrekking uit tussen Christus en de gelovigen, En Hij, die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit een, Hebreeën 2:11. Hier hebben wij zulk ene verhoging van Christenen, en zulk ene neerbuiging van Christus, als waardoor zij zeer dicht tot elkaar worden gebracht. Het is de grote waardigheid voor de gelovigen, dat de Vader van onzen Heere Jezus Christus, in Hem, hun Vader is. Er is voorzeker een groot verschil tussen de wederzijdse grondslagen dier betrekking, Hij is Christus' Vader door eeuwige generatie, de onze door ene genadige aanneming, en toch geeft ons dit het recht om Hem, evenals Christus gedaan heeft, Abba, Vader te noemen. Dit geeft ene reden, waarom Christus hen broeders noemt, het is omdat Zijn Vader hun Vader is. Christus zal nu opvaren om onze Voorspraak bij den Vader te wezen-bij Zijn' Vader, en daarom kunnen wij hopen, dat Hij voor alles zal overmogen-bij onzen Vader, en daarom kunnen wij hopen, dat Hij voor ons zal overmogen. Het is de grote neerbuigendheid van Christus, dat het Hem behaagt den God der gelovigen als Zijn God te erkennen: Mijn God, en uwen God, de Mijne, opdat Hij de uwe moge zijn, de God van den Verlosser om Hem te ondersteunen, Psalm 89:27, opdat Hij de God moge zijn van de verlosten, om hen te behouden. De hoofdsom van het Nieuwe Testament is, dat God ons tot een God zal wezen. En daar nu Christus de Borg en het Hoofd is van het verbond, met wie in de eerste plaats gehandeld wordt, en met de gelovigen slechts door Hem als Zijn geestelijk zaad, is deze verbondsbetrekking ook het eerst in Hem gevestigd. God wordt Zijn God, en aldus ook de onze, en daar wij der Goddelijke natuur deelachtig zijn geworden, is Christus' Vader onze Vader, en daar Hij de menselijke natuur heeft aangenomen, is onze God Zijn God.
b. Christus' hemelvaart ter voortzetting van Zijne onderneming voor ons, is mede ene onuitsprekelijke vertroosting. "Zeg hun, dat Ik weldra op zal varen: dat is de volgende stap, dien Ik doen zal". Dit nu was bedoeld: a. als een woord van waarschuwing voor de discipelen, om niet te verwachten, dat Zijne lichamelijke tegenwoordigheid op aarde blijvend zal zijn, noch dat Hij Zijn aards koninkrijk onder de mensen zal oprichten, waarvan zij altijd het denkbeeld hebben gekoesterd. "Neen, zeg hun, dat Ik ben opgestaan, niet om bij hen te blijven, maar om op hun belangen uit te gaan in den hemel". Aldus moeten zij, die opgewekt zijn tot een geestelijk leven in overeenstemming met Christus' opstanding het er voor houden, dat zij opgewekt zijn om op te varen, zij zijn levend gemaakt met Christus, om met Hem mede gezet te worden in den hemel. Efeze 2:5, 6. Laten zij niet denken, dat deze aarde hun te huis, hun vaderland en hun ruste zal zijn, neen, van den hemel geboren zijnde, zijn zij bestemd voor den hemel, hun oog moet op ene andere wereld gericht zijn, en steeds moet het in hun hart gegraveerd zijn: ik vare op, en daarom moet ik de dingen zoeken, die Boven zijn. b. Een woord van vertroosting voor hen, en voor allen, die door hun woord in Hem zullen geloven. Toen stond Hij op het punt van op te varen, nu is Hij opgevaren tot Zijn Vader en onzen Vader. Dit was Zijne bevordering, Zijne verhoging, Hij is opgevaren, om die ere en macht te ontvangen, die het loon zouden zijn van Zijne vernedering, Hij zegt dit juichend, opdat zij, die Hem liefhebben, zich zullen verblijden. Dit is ons voordeel, want Hij is opgevaren als overwinnaar, de gevangenis gevankelijk voerende, Psalm 68:19. Hij is opgevaren als onze Voorloper, om ons ene plaats te bereiden, en gereed te zijn om ons te ontvangen. Deze boodschap was gelijk aan die, welke de broeders van Jozef hem betreffende aan Jakob hebben gebracht, Genesis 45:26, "Jozef leeft nog", en dat niet alleen, maar vivit imo et in senatum venit -hij leeft, en komt ook in den senaat, ja ook is hij regeerder in gans Egypteland, hij heeft alle macht". Sommigen menen, dat in die woorden: Ik vare op tot mijn God en uwen God" ene belofte ligt opgesloten van onze opstanding in de kracht van Christus' opstanding, want Christus had de opstanding der doden bewezen uit de woorden: Ik ben de God van Abraham, Mattheus 22:32. Zodat Christus hier te kennen geeft: "Gelijk Hij Mijn God is, en Mij daarom opgewekt heeft, zo is Hij uw God, en zal daarom ook u opwekken en uw God zijn, Openbaring 21:3. Omdat Ik leef, zult ook gij leven. Ik vare nu op, om Mijn God te eren, en gij zult tot Hem opvaren als uwen God.
IV. Hier is Maria Magdalena's getrouw bericht aan de discipelen van hetgeen zij gezien en gehoord had, vers 18. Zij ging en boodschapte den discipelen -die zij te zamen vergaderd vond-dat zij den Heere gezien had. Petrus en Johannes hadden haar verlaten, terwijl zij Hem ijverig en met tranen zocht, en zij hadden niet willen blijven om met haar Hem te zoeken. En nu komt zij om hun te zeggen, dat zij Hem gevonden had, en om de vergissing of dwaling te herstellen, waarin zij hen geleid had door te zoeken naar een dood lichaam, want zij had nu bevonden, dat het een levend en verheerlijkt lichaam was, zo dat zij, wat zij zocht, had gevonden, en, wat oneindig beter was, zij had zelf blijdschap door het zien van den Meester, en was bereid hare blijdschap mede te delen, want zij wist, dat het ene blijde tijding voor hen wezen zal. Als God ons vertroost, dan bedoelt Hij er mede, dat wij anderen zullen vertroosten. En gelijk zij hun zei wat zij gezien had, zo zei zij hun ook wat zij gehoord had. Zij had den Heere levend gezien, waarvan dit het teken was (en een kostelijk teken was het) dat Hij haar dit gezegd had, als ene boodschap, die zij hun moest brengen, en zij heeft haar hun getrouwelijk overgebracht. Zij, die zelven met het woord van Christus bekend zijn, behoren hun kennis tot welzijn van anderen mede te delen, en er niet rouwig om te zijn, dat anderen evenveel weten als zij.