Psalm 78:40-72
De stof en strekking van deze paragraaf zijn dezelfde als die van de vorige, aantonende welke grote gunsten en zegeningen God aan Israël had bewezen, hoe tergend zij geweest waren, welke oordelen Hij over hen had gebracht om hun zonden, en hoe Hij toch ten laatste in het oordeel gedacht aan ontferming en genade. Laat hen, die genade van God hebben ontvangen er niet door aangemoedigd worden om te zondigen, want de zegeningen die zij ontvangen, zullen hun zonden verzwaren, en er de straf voor verhaasten, maar laat hen, die onder de Goddelijke bestraffingen zijn wegens hun zonden, niet ontmoedigd zijn om berouw te hebben en zich te bekeren, want hun kastijdingen zijn middelen tot bekering en zullen de genade niet weerhouden, die God voor hen heeft weggelegd.
Merk op:
I. De zonden van Israël in de woestijn worden hier overdacht en besproken, omdat zij geschreven zijn tot onze waarschuwing, vers 40, 41. Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn! Niet eenmaal, of tweemaal, maar menigmaal, en de herhaling van de terging was, zowel als de plaats, vers 17, een verzwaring ervan. God hield er rekening van hoe dikwijls zij Hem hebben verbitterd, hoewel zij dat niet deden, "zij hebben Mij nu tienmaal verzocht", Numeri 14:22. Door Hem te verbitteren hebben zij Hem niet zozeer vertoornd, als wel smart aangedaan want Hij beschouwde hen als Zijn kinderen Israël is Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, en het ongehoorzame, oneerbiedige gedrag van kinderen grieft tedere ouders meer dan het hen vertoornt, zij trekken het zich aan als een grote onvriendelijkheid, Jesaja 1:2. Zij deden Hem smart aan, omdat zij Hem in de noodzakelijkheid brachten om hen te straffen, hen te beproeven, dat Hij niet gaarne, niet van harte deed. Nadat zij zich voor Hem verootmoedigd hadden, kwamen zij al weer en verzochten God zoals tevoren, en stelden de Heilige Israëls een perk, Hem voorschrijvende welke bewijzen Hij moest geven van Zijn macht en tegenwoordigheid onder hen, welke methoden Hij moest volgen om hen te leiden en voor hen te voorzien. Zij beperkten Hem tot hun wijze en hun tijd, alsof Hij niet opmerkte dat zij met Hem twistten. Het is verwaandheid in ons om de Heilige Israëls een perk te stellen, want de Heilige zijnde, zal Hij doen wat het meest strekt tot Zijn eer, en de Heilige Israëls zijnde, zal Hij doen wat het meest strekt tot hun welzijn, en wij zullen beide Zijn wijsheid aanklagen en onze eigen hoogmoed en dwaasheid aan de dag leggen, als wij het beproeven om Hem voor te schrijven. Wat hun stellen van een perk aan God voor de toekomst veroorzaakte, was hun vergeten van Zijn vroegere gunsten, vers 42. Zij dachten niet aan Zijn hand, hoe sterk zij is, en hoe zij voor hen uitgestrekt was aan de dag, toen Hij hen van de wederpartijder verloste, van Farao, de grote wederpartijder, die hun verderf zocht. Er zijn dagen die merkwaardig gemaakt zijn door grote verlossingen, welke nooit moeten vergeten worden, omdat de herinnering er aan ons in onze grootste ellende en benauwdheid een bemoediging zou zijn.
II. De zegeningen van God aan Israël geschonken, waaraan zij niet dachten toen zij God verzochten en Hem een perk stelden, deze lijst van de wonderen, die God voor hen gewrocht leeft, begint hoger en strekt zich verder uit in de latere tijd dan de vorige, vers 12 en verv.
1. Deze begint met hun verlossing uit Egypte, en de plagen door welke God de Egyptenaren genoodzaakt heeft om hen te laten trekken, dat waren de tekenen, die God gesteld heeft in Egypte, vers 43, Zijn wonderheden in het veld van Zoan, dat is: in het land van Zoan zoals wij zeggen: in zo'n land. Verscheidene plagen van Egypte worden hier gespecificeerd, die luide de macht verkondigen van God en Zijn gunst jegens Israël, zowel als verschrikking voor Zijn en hun vijanden. Zoals:
A. Het veranderen van de wateren in bloed. Zij hadden zich dronken gemaakt met het bloed van Gods volk, namelijk van de kinderkens, en nu gaf God hun bloed te drinken, want zij waren het waardig, vers 44.
B. De vliegen en vorsen, een vermenging van ongedierte, zwermen van insecten, die hen verteerden, hen verdierven, vers 45. Want God kan de zwakste en verachtelijkste gedierten tot werktuigen maken van Zijn toorn, als dit Hem behaagt, wat hun ontbreekt in kracht, kan Hij vergoeden in aantal.
C. De plaag van de sprinkhanen, die hun gewas verslonden, hetgeen waarvoor zij gearbeid hadden, vers 46. Zij worden "het grote heir Gods" genoemd, Joël 2:25 :
D. De hagel, die hun bomen vernielde, inzonderheid hun wijnstokken, de zwakste van de bomen, vers 47, en hun vee, inzonderheid hun kudden schapen, die gedood werden door hete bliksemschichten, vers 48, en de vorst of bevroren regen zoals de betekenis is van het woord die zo hevig was, dat hij zelfs de wilde vijgeboom vernielde.
E. De dood van de eerstgeborenen was de laatste en zwaarste van de plagen van Egypte waardoor Israëls verlossing voltooid werd, zij was het eerst bedoeld, Exodus 4:23, maar het laatst volvoerd, want indien zachter middelen het werk hadden gedaan, dan zou die plaag voorkomen zijn, maar zij wordt hier uitvoerig beschreven, vers 49-51.
a. De toorn Gods was er de oorzaak van, toorn tot het uiterste kwam nu over de Egyptenaren. Farao's hart dikwijls verhard zijnde, nadat het door de mindere oordelen voor een wijle verzacht was geworden, heeft God nu al Zijn verbolgenheid opgewekt, want Hij zond onder hen de hittigheid Zijns toorns, toorn in de hoogste mate, toorn en verbolgenheid de oorzaak, verdrukking en benauwdheid de uitwerking Romeinen 2:8, 9. Die zond Hij onder hen van uit de hoogte en spaarde niet, en zij konden niet "vlieden van Zijn hand," Job 27:22. Hij woog een pad voor Zijn toorn, Hij wierp hem niet in onzekerheid of onbestemdheid onder hen, maar bij gewicht, Zijn toorn werd met de grootste nauwkeurigheid gewogen in de weegschaal van Zijn gerechtigheid, want ook in Zijn hevigst misnoegen heeft Hij nooit aan een van Zijn schepselen onrecht gedaan, en dit zal Hij ook nooit doen, het pad van Zijn toorn is altijd gewogen.
b. De engelen Gods waren de werktuigen, die voor deze executie gebruikt werden. Hij zond boze engelen onder hen, vers 49, zij waren niet boos in hun eigen natuur, maar in betrekking tot de boodschap, op welke zij uitgezonden waren, het waren verderfengelen, of engelen van de straf, die door het gehele land van Egypte trokken met orders in overeenstemming met de gewogen paden van Gods toorn, niet om allen te doden, maar alleen de eerstgeborenen. Goede engelen worden voor zondaren boze engelen- zij, die de hoge God tot hun vijand maken, moeten niet verwachten dat de heilige engelen hun vrienden zullen zijn.
c. De executie zelf was zeer streng: Hij onttrok hun ziel niet van de dood, maar liet de dood in triomf onder hen rijden, en gaf hun leven aan de pestilentie over, die de levensdraad onmiddellijk afsneed, Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, vers 51, Het beginsel van de krachten, de hoop hunner onderscheidene geslachten. Kinderen zijn de kracht hunner ouders, en de eerstgeborenen zijn het beginsel, of het voornaamste van hun kracht. Aldus heeft God, omdat Israël kostelijk was in Zijn ogen, "mensen in hun plaats gegeven en volken in plaats van hun ziel", Jesaja 43:4.
Door deze plagen over de Egyptenaren heeft God een weg bereid voor Zijn volk om uit te gaan als schapen, onderscheidende tussen hen en de Egyptenaren, zoals de herder onderscheidt tussen schapen en bokken, Zijn eigen merk op deze schapen getekend hebbende door het bloed des lams, dat op de posten hunner deuren gesprenkeld was. Hij voerde Zijn volk als schapen, die niet wisten waar zij gingen, en leidde hen als een kudde in de woestijn, zoals een herder zijn kudde leidt, met alle mogelijke zorg en tederheid, vers 52. Hij leidde hen zeker, of in veiligheid, hoewel langs gevaarlijke paden, zodat zij niet vreesden, dat is: niet behoefden te vrezen, want aan de Rode Zee waren zij voorzeker wel bevreesd, Exodus 14:1 maar er werd tot hen gezegd en voor hen gedaan wat hun vrees krachtdadig tot zwijgen bracht, want de zee had hun vijanden overdekt, die er zich in waagden om hen te vervolgen, vers 54. Het was een voetpad voor hen, maar een graf voor hun vervolgers.
2. Het verhaal loopt tot aan hun vestiging in Kanaän, vers 54. Hij bracht hen tot de landpale van Zijn heiligheid, tot het land, in het midden waarvan Hij Zijn heiligdom oprichtte, dat als het ware het middelpunt de kroon en roem ervan was, gelukkig het land, dat de landpale is van Gods heiligheid, het was het geluk van dat land dat God er bekend was, en dat daar Zijn heiligdom en Zijn woning was, Psalm 76:2, 3. Het gehele land in het algemeen, en Zion in het bijzonder, was de berg, die Zijn rechterhand verkreeg, die Hij zich door Zijn eigen macht had afgezonderd. Zie Psalm 44:4. "Hij deed hen rijden op de hoogten van de aarde," Jesaja 58:14, Deuteronomium 32:13. Zij vonden de Kanaänieten in het volle en rustige bezit van dat land, maar God verdreef voor hun aangezicht de heidenen, ontnam hun, als Heere van de gehele aarde niet alleen hun recht erop, maar voerde zelf de oordelen tegen hen uit, als de Heere van de heirscharen, verdreef hen, en deed Zijn volk Israël treden op hun hoogten, deed hen vallen in het snoer hunner erfenis, deed de stammen in hun tenten wonen, in de huizen van hen, die zij verdelgd hadden. God zou de onbewoonde, onbebouwde woestijn (die misschien van dezelfde uitgestrektheid was als Kanaän), tot vruchtbare grond hebben kunnen maken, en hen daar geplant kunnen hebben, maar het land, dat Hij voor hen bestemd had moest een type wezen van de hemel, en daarom moest het de roem zijn van alle landen, ook moest er strijd om gevoerd worden, want het koninkrijk van de hemelen wordt geweld aangedaan.
III. De zonden van Israël nadat zij in Kanaän gevestigd waren, vers 56-58. De kinderen waren gelijk hun vaderen, en brachten hun oud bederf in hun nieuwe woningen, hoewel God zoveel voor hen gedaan had. Nog verzochten en verbitterden zij God, de Allerhoogste. Hij gaf hun Zijn getuigenissen, maar zij onderhielden ze niet, zij begonnen zeer goed, maar zij weken terug, gaven aan God goede woorden, maar handelden trouwelooslijk, en waren als een bedrieglijke boog, die de pijl naar het wit schijnt te zullen schieten, maar breekt als hij gespannen wordt, breekt en de pijl aan des schutters voeten laat vallen, of hem misschien in zijn gelaat doet terugspringen. Er was geen vat op hen, er kon in hun beloften en betuigingen geen vertrouwen worden gesteld. Soms schenen ze toegewijd te zijn aan God, maar spoedig keerden zij zich ter zijde, en verwekten Hem tot toorn door hun hoogten, en verwekten Hem tot ijver door hun gesneden beelden. Afgoderij was de zonde, die hen zeer lichtelijk heeft omringd, en hoewel zij er dikwijls berouw over betuigden, zijn zij er toch even dikwijls weer in vervallen. Het was geestelijk overspel, hetzij om afgoden te aanbidden of om God te aanbidden door beelden, alsof Hij een afgod ware, en daarom wordt van hen gezegd dat "zij Hem er door tot ijver hebben verwekt," Deuteronomium 32:16, 2l.
IV. De oordelen Gods, die om deze zonden over hen gebracht werden. Hun plaats in Kanaän kon hen niet meer in een zondige weg beveiligen dan hun afstamming van Israël: "Uit alle geslachten des aardbodems heb ik ulieder alleen gekend, daarom zal Ik uw ongerechtigheden over ulieden bezoeken," Amos 3:2. Afgoderij wordt onder de heidenen voorbijgezien, maar niet onder Israël.
1. God was misnoegd op hen, vers 59. God hoorde het, Hij hoorde het geroep hunner ongerechtigheid, dat tot Hem opging, en werd verbolgen, Hij nam het zeer euvel op, Hij versmaadde Israël zeer, Hij verafschuwde hen, die Hij grotelijks had bemind, in wie Hij zich had verlustigd. Zij, die het volk waren geweest van Zijn keus, werden het geslacht Zijns toorns. Zonden met opgeheven hand, inzonderheid afgoderijen, maken zelfs Israëlieten verfoeilijk voor Gods heiligheid, en stellen hen bloot aan Zijn gerechtigheid.
2. Hij verliet Zijn tabernakel onder hen, en nam de sterkte weg, die op die heerlijkheid was, vers 60, 61. God verlaat ons nooit voordat wij Hem verlaten, trekt zich nooit van ons terug, voordat wij Hem van ons verdreven hebben. Hij is een ijverig God, geen wonder dus dat een volk, hetwelk Hij zich had ondertrouwd, verafschuwd en verworpen wordt, dat Hij weigert langer met hen saam te wonen, als zij de boezem eens vreemden hebben omhelsd. De tabernakel te Silo was de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen, waarin God waarlijk bij de mensen op de aarde wilde wonen, maar toen Zijn volk Hem trouwelooslijk verliet, heeft Hij hen rechtvaardiglijk verlaten, en toen was de eer weggegaan. Israël heeft weinig vreugde in de tabernakel zonder de tegenwoordigheid Gods erin.
3. Hij gaf het alles in de handen des vijands. Zij, die door God worden verlaten, worden een gemakkelijke prooi voor de verdervende. Filistijnen zijn de gezworen vijanden van het Israël Gods, en niet minder van Israëls God, en toch zal God gebruik van hen maken om een gesel te zijn voor Zijn volk.
a. God laat hun toe om de ark gevankelijk weg te voeren, haar mee te voeren als een trofee van hun overwinning, om te tonen dat Hij niet alleen de tabernakel, maar zelfs de ark had verlaten, die nu niet langer een teken zal zijn van Zijn tegenwoordigheid, vers 61. Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, alsof zij verzwakt en overwonnen was, en Zijn eer viel onder de smaad van in des vijands hand te zijn gelaten. Wij hebben de geschiedenis hiervan in 1 Samuël 4:11. Toen de ark tot een vreemde was geworden onder de Israëlieten, was het niet te verwonderen dat zij gevangen werd gemaakt door de Filistijnen.
b. Hij laat toe dat de heirscharen Israëls verslagen worden door de Filistijnen vers 62, 63. Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, ten zwaarde Zijner eigen gerechtigheid en van des vijands woede, want Hij werd verbolgen tegen Zijn erfenis, en deze Zijn verbolgenheid was het vuur, dat hun jongelingen verteerde in de bloei hunner jaren door het zwaard, of door ziekte, en zo'n verwoesting onder hen aanrichtte dat hun jonge dochters niet werden geprezen, niet ten huwelijk werden gegeven, dat eerlijk is onder allen, omdat er geen jonge mannen voor haar waren, aan wie zij gegeven konden worden, en vanwege de benauwdheid en de rampen, waaronder Israël gebukt ging, en die zo zwaar waren, dat de vreugde van huwelijksplechtigheden en feesten ontijdig en ongepast werden geoordeeld, en er gezegd werd: Zalig zijn de buiken, die niet gebaard hebben. Algemene verwoestingen brengen schaarsheid van mannen teweeg, "Ik zal maken dat een man dierbaarder zal zijn dan dicht goud," Jesaja 13:12, zodat "zeven vrouwen een man zullen aangrijpen", Jesaja 4:1, 3:25. Maar dit was nog niet het ergste,
c. Zelfs de priesters die de ark droegen, Hofni en Pinehas, vielen door het zwaard, rechtvaardig was het dat zij vielen, want zij hadden zich vervloekt gemaakt en grotelijks tegen de Heere gezondigd. En hun priesterschap was zo weinig hun bescherming, dat het hun zonde heeft verzwaard en hun val heeft verhaast, rechtvaardiglijk zijn zij gevallen door het zwaard, omdat zij zonder er toe geroepen of gemachtigd te zijn naar het slagveld waren gegaan. Wij stellen ons buiten Gods bescherming als wij buiten onze plaats en roeping gaan, buiten de weg van onze plicht. Toen de priesters vielen, hebben hun weduwen niet geweend, vers 64. Al de plechtigheden van de rouw waren verloren en begraven in wezenlijke, degelijke smart, de weduwe van Pinehas is, inplaats van de dood haars mans te bewenen, zelf gestorven toen zij haar zoon Ikabod had genoemd, 1 Samuël 4:19 en verv.
V. Gods wederkeren tot hen in genade, en Zijn genaderijke verschijningen voor hen. Wij lezen niet van hun berouw en hun wederkeren tot God, maar God "werd verdrietig over de arbeid van Israël," Richteren 10:16, en dacht aan Zijn eigen eer, "Hij schroomde de toorn des vijands, dat hun tegenpartijen zich vreemd zouden houden," Deuteronomium 32:27. En daarom ontwaakte de Heere toen als een slapende, vers 65 als een held, die juicht van de wijn, niet alleen als iemand, die uit de slaap wordt opgewekt en zich herstelt uit de sluimering, waardoor hij door te drinken overvallen was, en dan opmerkt wat hij geheel en al veronachtzaamd scheen te hebben, maar als een die reeds verkwikt is door de slaap, en wiens hart vrolijk is door het sober en matig gebruik van wijn, en daarom des te meer levendig en krachtig is en geschikt voor het werk. Toen God de ark van Zijn sterkte in gevangenschap had overgegeven, heeft Hij spoedig daarna de arm van Zijn sterkte uitgestrekt om haar te verlossen, Zijn kracht opgewekt om grote dingen te doen voor Zijn volk.
1. Hij plaagde de Filistijnen, die de ark in gevangenschap hielden, vers 66. Hij sloeg hen met spenen in de achterste delen, woedde hen van achteren, alsof zij voor Hem vluchtten, zelfs toen zij dachten meer dan overwinnaars te zijn. Hij deed hun smaadheid aan, en zij zelf droegen er toe bij om het tot een eeuwige schande en versmaadheid te maken, door de gouden beelden van hun spenen, die zij met de ark zonden als een schuldoffer, 1 Samuël 6:5, als "in perpetuam rei memoriam als een eeuwig gedenkteken." Vroeg of laat zal God zich verheerlijken door versmaadheid te brengen over Zijn vijanden, wanneer zij zich het meest verheffen op hun voorspoed.
2. Hij voorzag in een nieuwe vestiging voor Zijn ark, nadat zij enige maanden in gevangenschap was geweest en sommige jaren in afzondering. Hij verwierp inderdaad de tent van Jozef, Hij heeft de ark nooit naar Silo in de stam van Efraïm teruggezonden, vers 67. De ruinen van die plaats waren een blijvend gedenkteken van de Goddelijke gerechtigheid. "Gaat nu henen naar Mijne plaats, die te Silo was, en ziet wat Ik daaraan gedaan heb," Jeremia 12:7. Maar Hij heeft de eer van Israël niet ganselijk weggenomen, het verplaatsen van de ark is niet haar wegneming. Silo heeft haar verloren, maar niet Israël. God zal een kerk in de wereld hebben en een koninkrijk onder de mensen hoewel van deze of die plaats de kandelaar geweerd kan worden, ja meer, de verwerping van Silo is de verkiezing van Zion, gelijk lang daarna de val van de Joden de rijkdom was van de heidenen, Romeinen 11:12. Toen God de stam van Efraïm niet verkoos, van welke stam Jozua was, verkoos Hij de stam van Juda, vers 68, omdat van die stam Jezus moest zijn, die groter is dan Jozua. Kirjath Jearim, de plaats waarheen de ark gebracht werd na haar verlossing uit de handen van de Filistijnen, was in de stam van Juda, daar nam zij bezit van die stam, maar vandaar werd zij naar Zion gebracht, de berg, die Hij liefhad, vers 68, die schoon van gelegenheid, een vreugde van de gehele aarde was-daar bouwde Hij Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde. Wel heeft David slechts een tent voor de ark gespannen, maar voor de tempel was het plan reeds beraamd, en er werden toebereidselen voor gemaakt, en door zijn zoon werd hij voleindigd. En dat was:
a. Een zeer statige plaats. Hij werd gebouwd als de paleizen van vorsten en de groten van de aarde, ja hij overtrof die alle in glans en pracht. Salomo heeft hem gebouwd, en toch wordt hier gezegd: God heeft hem gebouwd want zijn vader had hem geleerd, misschien wel met het oog op deze onderneming, dat, "zo de Heere het huis niet bouwt, deszelfs bouwlieden tevergeefs arbeiden" Psalm 127:1, die een psalm is voor Salomo.
b. Een vaste plaats, zoals de aarde, hoewel zij niet zolang moest duren als de aarde, was zij toch, zolang als zij duurde, even vast als de aarde, die God draagt door het woord van Zijn kracht, en zij werd niet voor altijd vernietigd voordat de Evangelietempel was opgericht, die duren zal zolang de zon en de maan zijn zullen Psalm 89:37, 38, en waartegen de "poorten van de hel niet zullen overmogen."
3. Hij stelde een goede regering over hen aan, en een monarch naar Zijn hart. Hij verkoos Zijn knecht David uit al de duizenden van Israël, en gaf de scepter in zijn hand uit wiens lenden Christus zou voortkomen, en die een type van Hem was, vers 70. Merk betreffende David hier op:
A. De geringheid van zijn begin. Wel was hij van hoge afkomst, want hij stamde af van de vorst van de stam van Juda, maar zijn opvoeding was gering, hij was niet opgeleid om een geleerde of een krijgsman te zijn, maar om een schaapherder te wezen, hij was van de schaapskooien genomen, evenals Mozes, want God schept er behagen in om de nederigen en naarstigen te eren, de armen op te heffen uit het stof, om hen onder de vorsten te doen zitten, en soms vindt Hij diegenen het meest geschikt voor een openbaar handelen, die het begin van hun tijd in eenzaamheid en overpeinzing hebben doorgebracht. Aan de Zone Davids werd Zijn geringe afkomst verweten: "Is deze niet de timmerman?" David werd genomen hij zegt niet van het leiden van de rammen, maar van het volgen van de lammeren, vers 71, inzonderheid van de dragende schapen, hetgeen te kennen gaf dat hij onder alle goede hoedanigheden van een herder het merkwaardigst was wegens zijn tederheid en ontferming voor diegenen van zijn kudde, die haar het meest nodig hadden. Deze gemoedsgesteldheid maakte hem geschikt voor de regering en maakte hem tot een type van Christus, die, als Hij "Zijn kudde weidt gelijk een herder, met zeer bijzondere zorg de zogenden zachtkens leidt," Jesaja 40:11.
B. De grootheid van zijn verhoging. God verhoogde hem om te weiden Jakob, Zijn volk, vers 71. Het was een grote eer, die God hem aandeed door hem te verhogen om koning te zijn, inzonderheid om koning te zijn over Jakob en Israël, Gods bijzonder volk, dat Hem dierbaar was, maar daarbij was het een groot vertrouwen, dat in hem gesteld werd toen hij belast werd met de regering over hen die Gods eigen erfdeel waren. God verhoogde hem op de troon, opdat hij hen zou weiden, niet om zichzelf te verrijken, om goed te doen, niet om zijn eigen familie te bevorderen. Het is de last, die aan alle onderherders, zowel magistraten als leraren gegeven is, om de kudde Gods te weiden.
C. Het geluk van zijn bestuur. Zo groot een ambt aan David opgedragen zijnde, heeft hij genade van de Heere verkregen om zowel bekwaam als getrouw te worden bevonden in de uitoefening ervan, vers 72. Ook heeft hij hen geweid, hij regeerde en onderwees hen, bestuurde en beschermde hen:
a. Op zeer eerlijke wijze, hij deed het naar de oprechtheid zijns harten, niets anders bedoelende dan de eer Gods en het welzijn des volks, dat aan zijn zorg was toevertrouwd. De beginselen van zijn godsdienst waren de grondstellingen van zijn regering, die hij voerde, niet naar vleselijke staatkunde, maar naar godvruchtige oprechtheid, door Gods genade. In alles wat hij deed had hij goede bedoelingen, zonder bijoogmerken.
b. Zeer omzichtig, hij deed het met een zeer verstandig beleid van zijn handen, hij was niet slechts zeer oprecht in wat hij beraamde maar zeer verstandig in hetgeen hij deed, en hij koos de geschiktste middelen om zijn doeleinden tot stand te brengen, want zijn God onderrichtte hem van de wijze. Gelukkig het volk, dat onder zo'n regering is! Met goede redenen maakt de psalmist dit tot het voleindigende, kronende voorbeeld van Gods gunst jegens Israël, want David was een type van Christus, de grote en goede herder die eerst vernederd en daarna verhoogd werd, en van wie voorzegd was dat Hij vervuld zou zijn van "de Geest van de wijsheid en des verstands, " en dat Hij "met gerechtigheid zou richten en met rechtmatigheid zou bestraffen," Jesaja 11:2-4. Op de oprechtheid Zijns harten en het beleid van Zijn handen kunnen al Zijn onderdanen volkomen vertrouwen, en "van de grootheid van Zijn heerschappij en Zijns volks zal geen einde zijn."