1 Samuël 4:19-22
Wij hebben hier nog een treurig verhaal, waarin de verwoesting van Eli's huls nog verder wordt meegedeeld, en de smart, die door de tijding van het gevankelijk wegvoeren van de ark werd veroorzaakt. Het betreft de huisvrouw van Pinehas, een van de goddeloze zonen van Eli, die al dit kwaad over Israël hadden gebracht. Het kostte haar het leven, hoewel zij jong was, even goed als aan haar schoonvader die oud was, want menig nog jeugdig hoofdig, evenzeer als menig hoofd met grauwe haren, met droefenis ten grave gedaald.
Uit hetgeen hier verhaald wordt blijkt:
1. Dat zij een vrouw was van een zeer teder gemoed. Gods voorzienigheid had het zo beschikt, dat juist toen het einde van haar zwangerschap nabij was, en onze Heiland heeft gezegd: `Wee de bevruchte en de zogende vrouwen in zulke dagen", Mattheus 24:19. Zo weinig blijdschap zal er dan zijn in de geboorte, zelfs van een zoon, dat er gezegd zal worden: "Zalig zijn de onvruchtbaren en de buiken, die niet gebaard hebben", Lukas 23:29. De verpletterende tijding, juist in dat ogenblik gebracht, deed haar in barensnood komen, zoals dit soms door een groten schrik of andere sterk opgewekte hartstochten geschiedt. Toen zij hoorde van de dood haars schoonvaders die zij eerbiedigde, en haars echtgenote, die zij, slecht als hij was, liefhad, maar inzonderheid van het verlies van de ark, zo kromde zij zich en baarde, want haar weeën overvielen haar, vers 19, en op een tijd, toen zij allen mogelijken steun behoefde, grepen die tijdingen haar zo aan, dat zij, hoewel nog de kracht hebbende om het kind te baren, spoedig daarna bezweek en stierf, zeer gewillig zijnde om het leven te verlaten nu zij de grootste vertroosting van het leven had verloren. Zij, die tot deze ure naderen, hebben het zeer nodig, om zich schatten van vertroosting te vergaderen uit het verbond van de genade, als tegenwicht niet slechts van de gewone smarten, die er van vergezeld gaan, maar ook van het buitengewone, dat die smart nog kan vermeerderen en dat zij niet voorzien hebben. In zo'n tijd zal geloof ons voor bezwijken behoeden, Psalm 27:13.
II. Dat zij een vrouw was van een zeer Godvruchtig gemoed, hoewel zij aan een goddeloos man was gehuwd. Haar smart over de dood van haar echtgenoot en haar schoonvader was een blijk van haar natuurlijke genegenheid, maar haar nog veel diepere smart wegens het verlies van de ark was een blijk van haar oprechte, innige liefde tot God en de heilige zaken. Het eerste droeg er toe bij om de ure van haar barensnood te verhaasten, maar uit de woorden die zij stervende gesproken heeft, blijkt dat het laatste haar nader aan het hart lag, vers 22. Zij zei: de eer is gevankelijk weggevoerd van Israël, niet zozeer weeklagende over het tenietgaan van het bijzondere geslacht, waartoe zij behoorde, als wel over de algemene ramp, waardoor Israël was getroffen door het gevankelijk wegvoeren van de ark. Dat, dat was het, dat was haar smart, dat was haar dood!
1. Dat was het waarom zij het niet ter harte nam dat zij een zoon had gebaard, geen acht sloeg, als het ware, op haar kind. De vrouwen die bij haar waren, en waarschijnlijk tot de voornaamsten van de stad behoorden, spraken haar moed in en, denkende dat zij voornamelijk in zorg was nopens de gevolgen van haar smarten, zeiden zij, toen het kind geboren was, tot haar: Vrees niet, het ergste is nu voorbij, want gij hebt een zoon gebaard, -het was misschien haar eerstgeborene doch zij antwoordde niet en nam het niet ter harte. De smarten van haar barensnood zouden, als zij geen andere smarten had gehad, vergeten zijn, "om de blijdschap dat een mens ter wereld is gekomen", Johannes 16:21. Maar wat is deze blijdschap: a. Voor een vrouw, die zich voelt sterven? Geen andere blijdschap dan die, welke geestelijk en Goddelijk is, zal ons dan te stade komen, de dood is een te ernstige zaak om toe te laten dat men nog aardse vreugde smaakt, die is dan geheel en al zonder geur of kleur. Wat is zij voor een vrouw, die treurt om het verlies van de ark? Weinig troost kan zij hebben van een kind geboren in Israël, geboren in Silo, als de ark weg is, gevankelijk weggevoerd naar het land van de Filistijnen. Welk genoegen kunnen wij smaken in de genietingen van de aarde, als wij Gods Woord en inzettingen ontberen, inzonderheid als wij de vertroosting missen van Zijn genaderijke tegenwoordigheid, het licht van Zijn aangezicht? "Als edik op salpeter, zo is hij, die liedekens zingt bij een treurig hart".
2. Dit deed haar een naam geven aan het kind, die de herinnering aan de ramp en de smart, die zij er van had, zou bestendigen. Zij heeft niets te zeggen aan het kind, maar wijl, nu haar man dood is, op haar de verplichting rust, om hem een naam te geven, beveelt zij, dat hij Ikabod genoemd zal worden, Ikabod dat is: Waar is de eer? Of: helaas! de eer, of wel: Er is geen eer, vers 21, wat zij aldus met haar stervende lippen verklaart: De eer is gevankelijk weggevoerd uit Israël, want de ark Gods is genomen. Noem het kind: roemloos, of zonder eer, want dat is hij, de schoonheid van Israël is weg, en er schijnt geen hoop haar te zullen herkrijgen, laat er nooit meer eer zijn in de naam van een Israëliet, en nog veel minder in die van een priester, nu de ark genomen is. De reinheid en het overvloedige van Gods inzettingen, en de tekenen van Zijn tegenwoordigheid er in, zijn de roem en eer van een volk, veel meer dan zijn rijkdom, zijn handel, of zijn invloed op andere volken. Niets is voor een getrouw Israëliet meer hartbrekend dan het gebrek daaraan, of het verlies er van. Als God heengaat, is de eer weg, en daarmee alle goed. Wee ons, zo Hij van ons wijkt!