Jesaja 11:1-9
De profeet had in deze leerrede tevoren gesproken van een Kind, dat geboren zou worden, een Zoon, die gegeven zou worden op wiens schouders de heerschappij zal zijn, dit bestemmende tot vertroosting van Gods volk in tijden van benauwdheid, zoals vele eeuwen tevoren de stervende Jakob het vooruitzicht op de Silo bedoelde tot vertroosting van zijn zaad in de verdrukking van Egypte. In Hoofdstuk 10:27 had hij gezegd dat het juk verdorven zal worden ter wille van de zalving, nu zegt hij ons hier op wie die zalving zal rusten. Hij voorzegt
I. Dat de Messias ter bestemder tijd voortkomen zal uit het huis van David, als die Spruit van de Heer, waarvan hij in Hoofdstuk 4:2 had gezegd, dat Hij voortreffelijk en heerlijk zou zijn. Het Hebreeuwse woord is Netzer, waarop, naar sommigen denken, gedoeld wordt in Mattheus 2:23, waar gezegd wordt dat door de profeten van de Messias gezegd is dat Hij Nazarener genoemd zal worden.
Merk hier op:
1. Van wie deze Spruit voortkomen zal namelijk van Isaï. Hij zal de Zone Davids wezen met wie het verbond van het koninkrijk was aangegaan, en aan wie met een eed beloofd was, dat uit de vrucht van Zijn lenden God de Christus zou verwekken, Handelingen 2:30. David wordt dikwijls de Zoon van Isaï genoemd, en Christus wordt zo genoemd, omdat Hij niet de zoon van David, maar David zelf moet wezen, Hosea 3:5.
2. Het geringe van Zijn verschijning.
a. Hij wordt een rijsje en een scheut genoemd, beide woorden, die hij gebruikt, betekenen een klein, zwak, teder product, een twijgje, een dun takje-zo worden die woorden door sommigen overgezet-dat gemakkelijk afgebroken kan worden. De vijanden van Gods kerk waren even tevoren vergeleken bij sterke statige takken, Hoofdstuk 10:33, die niet zonder zware arbeid afgehouwen kunnen worden, maar Christus wordt vergeleken bij een rijsje, Hoofdstuk 53:2, en toch zal Hij over hen zegevieren.
b. Hij wordt gezegd voort te komen uit Isaï, veeleer dan uit David, omdat Isaï geleefd heeft en gestorven is in geringheid en onbekendheid, zijn geslacht had geen groot aanzien, 1 Samuël 18:18, en het was in smaad en minachting, dat David soms de zoon van Isaï genoemd werd, 1 Samuël 22:7.
c. Hij komt voort uit de tronk van Isai, als de koninklijke familie, die als een ceder geweest is, afgehouwen was, verloren was in het gras Daniël 4:15, maar hij zal weer uitspruiten, Job 14:7. Ja het zal groeien uit zijn wortels die geheel begraven zijn in de aarde, en evenals de wortels van bloemen in de winter, geen stam of stengel hebben, die boven de grond gezien wordt. Het huis van David was zeer in verval gekomen ten tijde van Christus' geboorte, getuige de armoede en geringheid van Jozef en Maria. Aldus moest de Messias Zijn staat van vernedering beginnen, en omdat Hij er zich aan onderworpen heeft, zal Hij hogelijk verheven worden, en aldus wilde Hij er vroeg kennis van geven dat Zijn koninkrijk niet was van deze wereld. De Chaldeeuwse paraphrase geeft deze lezing van de tekst: Er zal een koning voortkomen uit de zonen van Isaï, en de Messias, (of Christus), zal uit zijn zonen gezalfd worden. II. Dat Hij in alle opzichten bekwaam zal zijn voor het grote werk, waartoe Hij bestemd is, dat deze tere scheut zo bewaterd zal worden, zo bevochtigd zal worden door de dauw van de hemels, dat zij tot een sterke scepter van de heerschappij zal worden, vers 2.
1. In het algemeen: de Geest van de Heer zal op hem rusten, de Heilige Geest zal met al Zijn gaven en genade niet alleen op Hem komen, maar op Hem rusten, op Hem blijven, Hij zal de Geest niet met mate hebben, maar zonder mate zal de volheid van de godheid in Hem wonen, Colossenzen 1:19, 2:9. Hiermede begon Hij Zijn prediking, Lukas 4:18, de Geest van de Heer is op Mij.
2. In het bijzonder: de geest van de heerschappij, door welke Hij in alle opzichten geschikt zal zijn voor het oordeel, dat de Vader Hem overgegeven heeft toen Hij Hem macht heeft gegeven om gericht te houden, Johannes 5:22, 27. En dat niet alleen, maar Hij zal de fontein en de schatkamer van alle genade zijn voor de gelovigen, opdat zij allen uit Zijn volheid de Geest van de genade zouden ontvangen, zoals alle leden van het lichaam levensgeesten ontvangen van het hoofd.
a. Hij zal de Geest van de wijsheid en van het verstand hebben, de Geest van de raad en van de kennis, Hij zal de zaak, waarvoor Hij gebruikt wordt, ten volle verstaan. Niemand kent de Vader dan de Zoon, Mattheus 11:27. Met hetgeen Hij aan de kinderen van de mensen bekend moet maken betreffende God en Zijn wil, zal Hij zelf volkomen bekend en vertrouwd zijn, Johannes 1:18. Hij zal Zijn geestelijk koninkrijk weten te besturen in alle takken en onderdelen ervan, zo dat Hij ten volle aan de twee grote bedoelingen ervan zal kunnen beantwoorden, namelijk de heerlijkheid Gods en het welzijn van de kinderen van de mensen. De voorwaarden van het verbond zullen door Hem vastgesteld worden, en verordeningen ingesteld worden in wijsheid, schatten van wijsheid zullen in Hem verborgen zijn. Hij zal onze raad wezen, en zal ons van God geworden zijn tot wijsheid.
b. De Geest van de kloekmoedigheid, of van de sterkte, de onderneming was zeer groot, door zeer vele en grote moeilijkheden zal heengegaan moeten worden en daarom was het nodig dat Hij zo begiftigd en toegerust zou zijn, dat Hij niet zal bezwijkt en niet ontmoedigd zal zijn, Jesaja 42:4. Hij was vermaard om Zijn kloekmoedigheid in Zijn onderwijzen van de weg Gods in waarheid zonder enige mens te vrezen, Mattheus 22:16.
c. De Geest van de godsdienst, of van de vreze van de Heer. Niet alleen zal Hij zelf een eerbiedige liefde hebben voor de Vader, als Zijn knecht, Hoofdstuk 42:1, en werd Hij verhoord uit de vrees, Hebreeën 5:7, maar Hij zal ijver hebben voor de godsdienst en in geheel Zijn onderneming de bevordering daarvan op het oog hebben. Ons geloof in Christus was nooit bestemd of bedoeld om onze vreze van de Heer te vervangen of te verdringen, maar wel om haar te ondersteunen en te vermeerderen.
III. Dat Hij zeer juist en nauwkeurig zal zijn in het bestuur van Zijn regering en in de uitoefening van de macht, die Hem is toevertrouwd, vers 3. De Geest, waarmee Hij bekleed zal zijn zal Hem schrander of scherpzinnig maken in de vreze van de Heer, Hem scherp van ruiken doen zijn-dat is de betekenis van het woord-want de beschouwingen van de geest worden dikwijls uitgedrukt door de gewaarwordingen van het lichaam. Diegenen zijn waarlijk verstandig, die het zijn in de vreze van de Heer, in de zaken van de godsdienst, want deze is beide het fundament en de hoofdsteen van de wijsheid. Hieruit zal blijken dat wij de Geest van God hebben, als onze geestelijke zintuigen geoefend zijn, zodat wij schrander, vlug van bevatting zijn in de vreze van de Heer, diegenen hebben goddelijke verlichting, die hun plicht kennen en hem weten te volbrengen. Daarom heeft Jezus Christus de Geest gehad zonder mate, opdat Hij Zijn onderneming volkomen zou verstaan, en Hij heeft haar verstaan, zoals blijkt, niet alleen uit de bewonderenswaardige antwoorden, die Hij gaf aan allen, die Hem ondervroegen, waardoor bewezen werd dat Hij schrander, vlug van bevatting was in de vreze van de Heer, maar ook in het beleid van geheel Zijn onderneming. Hij heeft de grote zaak van de godsdienst zo uitnemend goed geregeld en vastgesteld, beide tot eer van God, en tot gelukzaligheid van de mens, dat het erkend moet worden dat Hij haar volkomen verstaan heeft.
IV. Dat Hij recht en billijk zal handelen in al de daden van Zijn regering, dat er evenveel rechtmatigheid als wijsheid in zal gezien worden. Hij zal -zoals Hij het zelf uitdrukt-oordelen zoals Hij geoordeeld wil worden, Johannes 7:24.
1. Niet naar de uiterlijke schijn, vers 3. Hij zal naar het gezicht van Zijn ogen niet richten, ten opzichte van personen, Job 34:19, en naar de uiterlijke schijn, Hij zal ook naar het gehoor van Zijn oren niet bestraffen, niet naar algemeen verspreide geruchten en de voorstellingen van anderen, zoals de mensen dikwijls doen. Hij beoordeelt de mensen ook niet naar de schone woorden, die zij spreken, Hem Heer, Jahweh noemende, noch naar hun schoonschijnende daden in het oog van de wereld, die zij doen om van de mensen gezien te worden, maar Hij zal oordelen naar de verborgen mens van de harten en naar de innerlijke beginselen, waardoor de mensen zich laten regeren en waarvan Hij een onfeilbaar getuigenis. Christus zal de geheimen van de mensen oordelen, Romeinen 2:16, Hij zal er over beslissen niet naar hun voorgeven en naar de schijn-dat zou zijn te oordelen naar het gezicht van de ogen, niet naar de mening, die anderen van hen koesteren dat zou wezen te oordelen naar het gehoor van Zijn oren, neen, wij zijn er zeker van dat Zijn oordeel naar waarheid is.
2. Hij zal rechtvaardig richten, vers 5. Gerechtigheid zal de gordel van Zijn lenden zijn. Hij zal rechtvaardig wezen in het bestuur van Zijn regering, en Zijn gerechtigheid zal Zijn gordel wezen, zij zal Hem voortdurend omgeven, Hem aankleven, zij zal Zijn sieraad wezen en Zijn eer, Hij zal er zich mee gorden voor iedere daad, Hij zal Zijn zwaard aangorden ten krijg in gerechtigheid, Zijn gerechtigheid zal Zijn sterkte wezen en Hem voorspoedig maken in Zijn ondernemingen, zoals een man, wiens lenden omgord zijn. In gelijkvormigheid met Christus, moeten Zijn volgelingen hun lenden omgord hebben met de waarheid, Efeziers 6:14, om hen standvastig te maken in hun belijdenis en hun godzalig leven. In het bijzonder,
A. Hij zal in rechtmatigheid de zaak bepleiten van de armen en verdrukten, Hij zal hun beschermer wezen, vers 4, Hij zal de armen met gerechtigheid richten, Hij zal richten ten gunste en ter verdediging van hen, die het recht aan hun zijde hebben, al zijn zij ook arm in de wereld, en omdat zij arm van geest zijn. Het is de plicht van vorsten om de armen te verdedigen en te verlossen, Psalm 82:3, 4, en het is de eer van Christus, dat Hij de koning is van de armen Psalm 72:2, 4. Hij zal met rechtmatigheid voor de zachtmoedigen van de aarde bestraffen, hen, die het onrecht, dat hun gedaan is, met zachtmoedigheid dragen en met geduld, kunnen zeer bijzonder aanspraak maken op de goddelijke zorg en bescherming. Ik ben als een dove ik hoor niet, want Gij zult horen, Psalm 38:k, 15. Sommigen lezen het: Hij zal de zachtmoedigen van de aarde met rechtmatigheid bestraffen, of tuchtigen, als Zijn eigen volk, de zachtmoedigen van het land, verkeerd doen, dan zal Hij hun overtreding met de roede bezoeken. B. Hij zal in gerechtigheid optreden tegen Zijn vijanden, die hoogmoedige verdrukkers zijn, vers 4. Doch Hij zal de aarde slaan, de mens van de aarde, de verdrukkers, zie Psalm 10:18, de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, Psalm 17:14, deze zal Hij slaan met de roede Zijns monds, het woord Zijns monds, sprekende tot hen van verschrikking en verderf. Zijn bedreigingen zullen hen aangrijpen en aan hen volvoerd worden, met de adem van Zijn lippen, door de werking van Zijn Geest, overeenkomstig Zijn woord, en er door werkende, en er mee werkende, zal Hij de goddelozen doden. Hij zal het gemakkelijk doen met een woord spreken, zoals Hij hen ter aarde velde, die kwamen om Hem te grijpen door te zeggen: Ik ben het, Johannes 18:6. Dodelijke verschrikkingen zullen hun geweten aangrijpen, dodelijke oordelen zullen hen ten verderve brengen met hun macht en al hun belangen en invloeden, en in de andere wereld zal verdrukking vergolden worden hen, die Zijn armen verdrukken. De apostel past dit toe op de mens van de zonde, die hij deze boze noemt, 2 Thessalonicenzen 2:8, die de Heer verdoen zal door de Geest Zions monds. En de Chaldeër leest het hier, Hij zal die boze Romulus doden, of Rome, zoals Hugh Brougham het verstaat.
V. Dat er onder Zijn regering grote vrede en rust zal zijn. Dit is een verklaring van hetgeen gezegd is in Hoofdstuk 9, 6, dat Hij de Vredevorst zal zijn. Vrede betekent twee dingen:
1. Eenheid en eensgezindheid, deze worden te kennen gegeven in die overdrachtelijke beloften, dat zelfs de wolf vreedzaam met het lam zal verkeren-mensen van de meest woeste en grimmige aard, die allen om hen heen plachten te bijten en te verslinden, zullen door de kracht van het evangelie en de genade van Christus een zo verwonderlijke verandering ondergaan, dat zij zelfs met de zwaksten in liefde zullen leven, van wie zij tevoren een gemakkelijke prooi zouden gemaakt hebben. Zo ver zal het er vandaan zijn, dat de schapen elkaar schaden, zoals zij soms gedaan hebben, Ezechiël 34:20, 21, dat zelfs de wolven vreedzaam met hen omgaan. Christus, die onze vrede is, is gekomen om alle vijandschap te doden en duurzame vriendschap onder Zijn volgelingen tot stand te brengen, inzonderheid tussen Joden en heidenen, als grote menigten van beide bekeerd zijn tot het geloof van Christus, verenigd zijn in een stal van de schapen, dan zal de wolf met het lam verkeren, dan zal de wolf het lam niet bedreigen, en het lam zal voor de wolf niet bevreesd zijn. De luipaard zal het geitebokje niet alleen niet verscheuren, maar er bij neerliggen, zelfs hun jongen zullen tezamen neerliggen en opgeleid worden in een gezegende zalige vriendschap, ten einde haar te bestendigen. De leeuw zal niet meer verslindend zijn en zal stro eten gelijk de os, zoals, naar sommigen denken, al de roofdieren gedaan hebben voor de val. De adder en de basiliek zullen niet langer venijnig zijn, zodat ouders hun kinderen er mee zullen laten spelen, en hun handen in hun trol laten steken. Een adderengebroed zal een geslacht van heiligen worden, en de oude klacht van "homo homini lupus" -de mens is een wolf voor de mens, -zal aan een einde wezen. Zij, die de heilige berg bewonen, zullen even vriendschappelijk met elkaar leven als de dieren, die met Noach in de ark waren en het zal een middel zijn voor hun bewaring want zij zullen elkaar niet schaden en vernielen, zoals zij vroeger gedaan hebben. Dit nu:
a. Is vervuld in de verwonderlijke uitwerking van het evangelie op het gemoed van hen, die het in oprechtheid hebben omhelsd: het verandert de natuur en maakt hen, die de zachtmoedigen van de aarde vertreden hebben, niet alleen even zachtmoedig als zij zijn, maar ook dat zij vriendelijk voor hen zijn. Toen Paulus, die de heiligen had vervolgd, zich bij hen voegde en zich met hen verenigde, toen vertoefde de wolf met het lam.
b. Sommigen willen gaarne hopen dat het nog verder vervuld zal worden in de laatste dagen, als de zwaarden tot sikkelen geslagen zullen zijn. 2. Veiligheid en gerustheid, Christus, de grote Herder, zal zo goede zorg dragen voor Zijn schapen, dat zij, die hun kwaad zouden willen doen, het niet zullen kunnen, niet slechts zullen zij elkaar niet vernielen, maar aan geen vijand van buiten zal toegelaten worden hun overlast te doen, de eigenschap, of de aard van beproeving of benauwdheid, ja zelfs van de dood, zal zo veranderd wezen, dat zij aan hen, die hun wandel hebben op de berg van Zijn heiligheid, geen werkelijk leed kunnen doen, en nog veel minder hen zullen kunnen verderven, 1 Petrus 3:13. Wie, of wat, kan ons kwaad doen, indien wij navolgers zijn van het goede? Gods volk zal niet slechts verlost worden van kwaad, maar ook van de vrees er voor, zelfs het zoogkind zal zonder enigen angst zich vermaken over het hol van een adder, Paulus doet dit, als hij zegt: Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? en: Dood, waar is uw prikkel?
Eindelijk.
Merk op wat de uitwerkingen wat de oorzaak zal zijn van deze verwonderlijke verzachting van van de mensen aard en karakter door de genade van God.
1. De uitwerking zal wezen volgzaamheid, een bereidwilligheid om onderricht te ontvangen. Een kleine jongen zal ze drijven, zal hen leiden, die het tevoren veracht hebben om onder het toezicht van de sterkste man te staan. Calvijn verstaat dit van hun gewillige onderworpenheid aan Christus' dienstknechten, die met zachtmoedigheid zullen moeten onderwijzen, geen dwingende macht zullen moeten uitoefenen, en dat zij als kinderen zullen wezen, Mattheus 18:3. Zie 2 Corinthiers 8:5.
2. De oorzaak er van zal wezen: de kennis van God. Hoe meer de mensen daarvan hebben, hoe meer zij geneigd zullen zijn tot de vrede. Zij zullen aldus leven in liefde want de aarde zal vol zijn van de kennis van de Heer, die het vuur van van de mensen hevige hartstochten en vijandschappen zal uitblussen. Hoe beter wij bekend zijn met de God van de liefde, hoe meer wij naar hetzelfde beeld veranderd zullen worden en hoe beter wij gezind zullen zijn jegens alten, die dat beeld dragen. De aarde zal even vol zijn van deze kennis als de bodem van de zee van water, zo ruim en uitgebreid zal deze kennis zijn, en zo ver zal zij verspreid worden, zo diep en degelijk zal deze kennis wezen, en zo lang zal zij duren. Er is veel meer van de kennis van God te verkrijgen door het evangelie van Christus dan door de wet van Mozes verkregen kon worden, en, terwijl toen alleen in Juda God bekend was zullen thans allen Hem kennen, Hebreeën 8:11. Maar het is een wetenschap of kennis, die valselijk aldus genaamd is, welke onenigheid zaait onder de mensen, de rechte kennis van God vestigt de vrede.