Psalm 36:6-13
Met smart rondom zich gezien hebbende op de goddeloosheid van de goddelozen, ziet David nu met vertroosting op de goedertierenheid Gods, een onderwerp, even heerlijk en lieflijk als het vorige smartelijk en hatelijk was, en dus wel geschikt en gepast om er als vergoeding tegenover te worden gesteld. Let:
I. Op zijn overdenking van Gods genade. Hij ziet de wereld verontreinigd, zichzelf in gevaar en God onteerd door de overtreding van de goddelozen; maar plotseling richt hij zijn oog, zijn hart en zijn rede tot God: Hoe het ook zij: Gij zijt goedertieren. Hier erkent hij:
1. De alles overtreffende volmaaktheden van het Goddelijk Wezen. Onder de mensen hebben we dikwijls reden om te klagen: "Er is trouw noch weldadigheid," Hosea 4:1; er is "recht noch gerechtigheid," Jesaja 5:7 Maar in God kunnen die alle zonder het minste bijmengsel worden gevonden. Wat er ook in de wereld gemist wordt of verkeerd is, wij zijn er zeker van dat er niets gemist wordt en niets verkeerds is in Hem, die haar regeert.
A. Hij is een God van onuitputtelijke goedheid: o Heere, Uw goedertierenheid is tot in de hemelen. Als de mensen de ingewanden van hun barmhartigheid toesluiten, zullen wij toch bij God, voor de troon van Zijn genade, barmhartigheid vinden. Als mensen kwaad tegen ons beramen, zijn Gods gedachten over ons, als wij Hem dicht blijven aankleven, ten goede. Op aarde ontmoeten wij weinig voldoening, meer zeer veel onrust en teleurstelling; doch in de hemelen waar de genade Gods heerst in volkomenheid en tot in eeuwigheid, is alle voldoening; laat ons dan, zo wij gerust willen zijn, daar onze wandel hebben en laat ons verlangen daar te zijn. Hoe slecht de wereld ook zij, laat ons nooit vergeten dat God goed is, en om de slechtheid van de wereld nooit kwaad denken van God of van Zijn regering; laat ons uit de overvloed van boosheid onder de mensen aanleiding nemen om, in plaats van Gods reinheid te verdenken, alsof Hij de zonde steunde en begunstigde, Zijn geduld te bewonderen, dat Hij hen zolang verdraagt, die Hem zo onbeschaamd tergen, ja Zijn zon over hen doet schijnen en over hen doet regenen. Indien Gods goedertierenheid niet tot in de hemelen was, ver boven de goedertierenheden van enig schepsel, Hij zou reeds voorlang de wereld opnieuw onder een zondvloed hebben bedolven. Zie Jesaja 55:8, 9, Hosea 11:9
B. Hij is een God van onkreukbare waarheid. Uw waarheid is tot de bovenste wolken toe. Hoewel God aan slechte mensen toelaat zeer veel kwaad te doen, is Hij toch getrouw aan Zijn bedreigingen tegen de zonde, en er zal een dag komen, wanneer Hij met hen zal afrekenen. Hij is ook getrouw aan Zijn verbond met Zijn volk, dat niet verbroken kan worden geen tittel of jota er van zal teniet gedaan worden door de boosaardigheid van de aarde of van de hel. Het is een oorzaak van grote vertroosting voor alle godvruchtigen dat, hoewel de mensen trouweloos zijn, God getrouw is, hoewel de mensen ijdelheid spreken, de woorden des Heren reine woorden zijn. Gods trouw reikt zo hoog dat zij niet verandert met het weer zoals die van de mensen, want zij reikt tot boven de wolken, zoals sommigen denken dat het gelezen moet worden, boven al de veranderingen van deze lagere wereld.
C. Hij is een God van onbetwistbare gerechtigheid en billijkheid: Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, zo onbeweeglijk en zo onbuigzaam, zo zichtbaar en blijkbaar voor de gehele wereld, want geen waarheid is meer gewis of meer duidelijk dan deze: Dat de Heere rechtvaardig is in al Zijn wegen, en dat Hij aan geen van Zijn schepselen onrecht gedaan heeft, of doen zal. Zelfs als er wolken en donkerheid rondom Hem zijn, zijn toch "gerechtigheid en gericht de vastigheid van zijn troon", Psalm 97:2.
D. Hij is een God van ondoorgrondelijke wijsheid en raad: Uw oordelen zijn een diepe afgrond die niet gepeild kan worden door het dieplood van een eindig verstand." Gelijk Zijn macht soeverein is, waarvan Hij ons geen rekenschap is verschuldigd, zo is Zijn methode een verborgenheid voor ons, waarvan wij ons geen rekenschap kunnen geven. Zijn weg is in de zee en Zijn pad in grote wateren. Wij weten dat alles wat Hij doet wijs en wel gedaan is, maar wat Hij doet weten wij nu niet, het is tijd genoeg om het hiernamaals te weten".
2. De uitgestrekte zorg en weldadigheid van de Goddelijke voorzienigheid. "Heere, Gij behoudt mensen en beesten, behoedt hen niet slechts voor kwaad, maar voorziet hen van hetgeen nodig is voor hun onderhoud." Voor de dieren, hoewel zij niet instaat zijn om God te kennen en te loven, wordt toch genadiglijk voorzien, want hun ogen wachten op Hem, om hun hun spijs te geven te op zijn tijd. Laat ons er ons niet over verwonderen dat God voedsel geeft aan slechte mensen, want Hij voedt ook de redeloze dieren, en laat ons niet vrezen voor gebrek, want Hij zal gewis in het nodige voorzien voor Godvruchtigen; Hij, die de jonge leeuwen voedt, zal Zijn eigen kinderen niet van honger laten omkomen.
3. De bijzondere gunst van God jegens de heiligen.
Merk op:
A. Hun aard en karakter, vers 8, ze zijn gelokt door de dierbaarheid van Gods goedertierenheid om de toevlucht te nemen onder de schaduw van Zijn vleugelen.
a. Gods goedertierenheid is hun dierbaar, zij smaken haar, zij proeven er een alles overtreffende zoetheid in; zij bewonderen Gods schoonheid en weldadigheid boven alles in de wereld, niets is zo beminnelijk, zo lieflijk, zo begeerlijk. Diegenen kennen God niet, die Zijn goedertierenheid niet bewonderen, en diegenen kennen zichzelf niet, die haar niet willen begeren.
b. Daarom stellen zij een volkomen vertrouwen in Hem, stellen zij zich onder Zijn hoede en bescherming, achten zij zich dan veilig en zijn gerust, zoals kuikens onder de vleugels van de hen, Mattheus 23:37 Het was de hoedanigheid van proselieten dat zij kwamen om "de toevlucht te nemen onder de vleugelen van de God van Israël," Ruth 2:12; en wat is meer geschikt om proselieten te maken dan de dierbaarheid van Zijn goedertierenheid? Wat is krachtiger om ons welbehagen in Hem en aan Hem op te wekken? Zij, die aldus door liefde tot Hem worden getrokken, zullen Hem aankleven.
c. Hun voorrecht. Welgelukzalig, driewerf gelukzalig het volk, welks God de Heere is, want in Hem hebben zij, of kunnen zij hebben, of zullen zij hebben een volkomen gelukzaligheid.
B. Aan hun begeerten zal worden voldaan, vers 9 Zij worden dronken van de vettigheid van Uw huis. In hun behoeften wordt voorzien, hun verlangens worden bevredigd; in de algenoegzame God zullen zij genoeg hebben, alles wat een verlichte, verruimde ziel kan begeren of ontvangen. Het gewin van de wereld en de genietingen van de zinnen wekken oververzadiging, maar geen voldoening, Jesaja 55:2. Doch alle mededelingen van de Goddelijke gunst en genade schenken voldoening, maar brengen geen oververzadiging teweeg. Een Godvruchtige ziel zal wel meer van God begeren, maar begeert nooit meer dan God. De gaven van de voorzienigheid voldoen hen, die tevreden zijn met hetgeen zij hebben; "ik heb alles, en ik heb overvloed," Filippenzen . 4:18 Het voorrecht van de heilige inzettingen is de vettigheid van Gods huis, lieflijk aan een geheiligde ziel en versterkend voor het geestelijk Goddelijk leven; daarmee zijn zij geheel voldaan, verzadigd. Zij begeren niets meer in deze wereld dan een leven te leiden van gemeenschap met God en de vertroosting te hebben van Zijn beloften. Maar de volle, de overvloedige verzadiging of voldoening is weggelegd voor de toekomstige staat, in het huis, niet met handen gemaakt maar eeuwig in de hemelen. Ieder vat aldaar zal vol zijn.
C. Hun blijdschap zal bestendig wezen: Gij drenkt hen uit de beek van Uw wellusten. Er zijn wellusten, die waarlijk Goddelijk zijn "Het zijn Uw wellusten, die niet alleen van U komen als de gever ervan, maar in U eindigen als het middelpunt ervan." Zuiver geestelijk zijnde, zijn zij van dezelfde natuur als die van de heerlijke bewoners van de bovenwereld en hebben zelfs enige overeenkomst met de verlustiging van de eeuwigen Geest. Er is een beek van die wellusten, altijd vol, altijd vers, altijd stromende. Er is genoeg voor allen, genoeg voor ieder, zie Psalm 46:5 De genoegens van de zinnen zijn bedorven water uit een modderpoel; die van het geloof zijn rein en lieflijk, klaar als kristal, Openbaring 22:1 God heeft deze beek van wellusten niet slechts bereid voor Zijn volk, maar Hij doet er hen uit drinken, werkt een Godvruchtige begeerte er naar in hen, en door Zijn Geest vervult Hij hun ziel van blijdschap en vrede in het geloven. In de hemel zullen zij voor altijd drinken van de lieflijkheden, die aan Gods rechterhand zijn, met verzadiging van de vreugde, Psalm 16:11.
D. Leven en licht zullen hun eeuwig deel zijn, vers 10 God zelf tot hun gelukzaligheid hebbende, hebben zij in Hem:
Ten eerste. Een fontein van leven, uit welke deze beken van wellusten voortkomen, vers 9 De God van de natuur is de fontein van natuurlijk leven; in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij; de God van de genade is de fontein van geestelijk leven. Al de kracht en lieflijkheden van een geheiligde ziel, al haar Godvruchtige beginselen, krachten en werkingen zijn van God; Hij is de bron en oorsprong van al haar bewustzijn van Goddelijke dingen en al haar uitgangen naar Hem, Hij maakt levend wie Hij wil, en een ieder die wil kan komen en van Hem de wateren des levens ontvangen om niet. Hij is de fontein van het eeuwige leven; de zaligheid van de verheerlijkte heiligen bestaat in het zien en genieten van Hem en in de onmiddellijke mededelingen van Zijn liefde, zonder vrees van te zullen ophouden.
Ten tweede. In Hem hebben zij licht en volmaaktheid, wijsheid, kennis en blijdschap, alles om gesloten in dit licht, In Uw licht zien wij het licht, dat is:
1. "In de kennis van U in genade, en het zien van U in heerlijkheid, zullen wij datgene hebben, hetwelk ons verstand volkomen bevredigt." In het Goddelijk licht, hetwelk schijnt in de Schrift, en inzonderheid in het aangezicht van Christus, het licht van de wereld, is alle waarheid. Als we er toe komen om God te zien van aangezicht tot aangezicht binnen de voorhang, dan zullen wij; het licht zien in volkomenheid, dan zullen wij genoeg kennen, 1 Corinthiërs 13:12, genoeg weten, 1 Johannes 3:2
2. In gemeenschap met U thans, door de mededelingen van Uw genade aan ons en in onze Godvruchtige genegenheid voor U, en in het genieten van U weldra in de hemel, zullen wij een volkomen gelukzaligheid en voldoening hebben. In Uw gunst hebben wij al het goed, dat wij kunnen begeren." Het is hier een duistere wereld, wij zien er weinig lieflijkheid in; maar in het hemelse licht is echt licht en geen vals licht, licht dat duurzaam is en nooit afneemt. In deze wereld zien wij God en genieten Hem door schepselen en middelen maar in de hemel zal God "zelf bij ons zijn" Openbaring 21:3, en zullen wij Hem rechtstreeks zien en genieten.
II. Wij hebben hier David's gebeden, zijn voorbidding en zijn heilig triomferen, gegrond op deze overdenkingen.
1. Hij bidt voor alle heiligen, vragende dat zij steeds het voordeel en de vertroosting zullen ervaren van Gods gunst en genade, vers 11.
a. De personen, voor wie hij bidt, zijn dezulken, die God kennen, die met Hem bekend zijn, Hem erkennen als hun God, de oprechten van hart, die oprecht zijn in hun belijdenis van de Godsdienst en getrouw zijn aan God en de mensen; zij, die niet oprecht zijn bij God, kennen Hem niet, zoals zij Hem moesten kennen.
b. De zegen, die hij voor hen begeert is: Gods goedertierenheid, dat is: de tekenen van Zijn gunst jegens hen en Zijn gerechtigheid; dat is: de werkingen van Zijn genade in hen; of Zijn goedertierenheid en gerechtigheid zijn Zijn goedheid overeenkomstig de belofte, zij zijn goedertierenheid en waarheid.
c. De wijze, waarop hij begeert dat deze dingen tot hen gebracht zullen worden. Strek Uw goedertierenheid over allen uit, zoals de moeder haar borst reikt aan haar kind en het kind er dan de melk uittrekt. Laat haar uitgestrekt worden zover als de eeuwigheid zelf reikt, de zaligheid van de heiligen in de hemel zal volkomen zijn en toch steeds toenemen, naar sommigen denken, want de fontein aldaar zal steeds vol zijn en de rivier steeds vloeiende.
2. Hij bidt voor zichzelf dat hij bewaard moge worden bij zijn oprechtheid, vers 12 De voet van de hovaardigen kome niet over mij, om mij te doen struikelen of mij te vertreden en de hand van de goddelozen, die tegen mij is uitgestrekt, doe mij niet omzwerven, overmoge niet om mij van mijn zuiverheid en oprechtheid te doen afwijken door enigerlei verzoeking, of om mij van mijn vrede te beroven door mij in moeite of benauwdheid te doen komen." Laat hen, die tegen God strijden, niet triomferen over hen, die begeren Hem aan te kleven. Zij, die het genot kennen van gemeenschap met God, kunnen niet anders dan begeren dat niets hen ooit van Hem zal scheiden.
3. Hij verblijdt zich in de hoop op de val van zijn vijanden, vers 12. "Daar waar zij dachten hun doel tegen mij bereikt te hebben, zijn zij zelf gevallen, gevangen in de strik, die zij me hadden gespannen." Aldaar, in de andere wereld (naar de mening van sommigen) aldaar waar de heiligen bestaan in het oordeel en een plaats hebben in Gods huis, zijn de werkers van de ongerechtigheid neergeworpen in het oordeel, neergeworpen in de hel, in de bodemloze afgrond, waaruit zij gewis nooit zullen kunnen opkomen van onder het ondraaglijk gewicht van Gods toorn en vloek. Wel is waar, wij mogen ons niet verblijden in de val van een persoonlijker vriend van ons, maar de eindelijke onderwerping van al de werkers van de ongerechtigheid zal toch de eeuwige triomf van de verheerlijkte heiligen wezen.