Openbaring 21:9-27
Wij hebben reeds overwogen de inleiding tot het gezicht van het nieuwe Jeruzalem in een meer algemene schets van den hemelsen staat, thans komen wij tot het gezicht zelf. Merk hier op:
I. Den persoon, die den apostel het visioen te zien gaf: een van de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, welke vol geweest waren van de zeven laatste plagen, vers 9. God heeft voor Zijn heilige engelen grote verscheidenheid van werk en bediening. Nu eens moeten zij de bazuin van de goddelijke Voorzienigheid blazen en een zorgloze wereld getrouw waarschuwen, dan weer moeten zij de fiolen van Gods toorn uitgieten over onbekeerde zondaren, en op andere tijden moeten zij hemelse dingen openbaren aan de erfgenamen der zaligheid. Zij volbrengen met naarstigheid elk bevel door God hun gegeven, en wanneer deze wereld haar loop volbracht heeft zullen de engelen door den groten God tot in alle eeuwigheid gebruikt worden voor ander geschikt en hun aangenaam werk.
II. De plaats, vanwaar den apostel dit heerlijk gezicht en vooruitzicht gegeven werd. Hij werd in zinsverrukking medegenomen op een groten en hogen berg. Van zulke hoogten hebben de mensen gewoonlijk het beste uitzicht op de omliggende steden. Zij, die een duidelijk gezicht van den hemel hebben willen, moeten zo dicht mogelijk den hemel naderen, op den berg der gezichts, den berg van overpeinzing en geloof, vanwaar zij, als van den top van Pisga, het goede land, het hemelse Kanaän, kunnen overzien.
III. Den inhoud van het gezicht, de bruid, de vrouw des Lams, vers 10, dat is de gemeente Gods in haar heerlijken, volmaakten, zegevierenden toestand, onder de gelijkenis van Jeruzalem, hebbende de heerlijkheid van God als haar luister, de bruid door en voor haar bruidegom versierd, heerlijk in haar betrekking tot Christus, omdat Zijn gelijkenis nu in haar volmaakt is en Zijn gunst haar bestraalt. En thans volgt een breedvoerige beschrijving van de zegepralende gemeente onder het zinnebeeld van een stad, die in rijkdom en glans alle steden van deze wereld samen verre overtreft. Dit nieuwe Jeruzalem wordt ons zowel uitwendig als inwendig voor ogen gesteld.
1. Het uitwendige van de stad, den muur en de poorten, den muur voor veiligheid en de poorten om toegang te verlenen.
A. De muur voor veiligheid. De hemel is een veilige toestand, die daar wonen zijn omringd van een muur, die hen scheidt van en bevestigt tegen alle onheilen en vijanden. Ten aanzien van dezen muur merken wij op:
a. De hoogte, die zeer aanzienlijk is: honderd vier en veertig ellen, vers 17, voldoende zowel voor sieraad als voor veiligheid.
b. De bestanddelen. Hij was van jaspis gebouwd, van de allerkostelijkste stenen, als teken van kracht en schoonheid, vers 11. De stad had een muur, die even kostbaar als ondoordringbaar was.
c. De vorm, die zeer regelmatig was. De stad lag vierkant, hare lengte was zo groot als hare breedte. In het nieuw Jeruzalem zal alles gelijke reinheid en volmaaktheid bezitten. Er zal volstrekte gelijkheid heersen in de zegevierende gemeente, waarnaar op aarde steeds gewenst wordt en waaraan men voortdurend de behoefte gevoelt, maar dat niet verwacht mag worden alvorens wij den hemel bereikt hebben.
d. De afmeting van dezen muur, vers 15 :16..
Twaalf duizend stadiën aan elke zijde. Hier is ruimte voor het gehele volk Gods: In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen.
e. De fondamenten van den muur, want de hemel is een stad die fondamenten heeft, vers 19.. Zij zijn de beloften en de macht van God, en de verdiensten van Christus, die zijn de sterke fondamenten van de zaligheid en veiligheid der gemeente. Van die fondamenten worden ons hun aantal en hun bouwstof meegedeeld. Hun aantal is twaalf, heenwijzende naar de twaalf apostelen, vers 14, wier evangelische leerstellingen de fondamenten zijn, waarop de gemeente gebouwd is. Christus zelf is de uiterste hoeksteen. Deze fondamenten waren van bouwstof verscheiden en kostbaar, hetgeen wordt aangeduid door twaalf soorten van edelgesteenten, waardoor te kennen gegeven wordt de verscheidenheid en de waarde van de leerstellingen des Evangelies, of van de genaden des Heiligen Geestes, of van de persoonlijke uitnemendheden van den Heere Jezus Christus.
B. De poorten voor den ingang. De hemel is niet ontoegankelijk: er is een weg geopend tot in het heilige der heiligen, er is vrije toegang voor allen, die geheiligd werden, zij zullen niet buitengesloten worden. Wat deze poorten betreft, merken wij op:
a. Hun getal: twaalfpoorten, overeenkomende met de twaalf stammen Israël's Geheel het ware Israël Gods zal toegang hebben in het nieuwe Jeruzalem, evenals elke stam dat had in het aardse Jeruzalem.
b. De wachters, die er in geplaatst waren: twaalf engelen, om te ontvangen en toe te laten de verscheidene stammen van het geestelijk Israël en alle anderen buiten te houden.
c. De inschriften in de poorten. De namen van de twaalf geslachten der kinderen Israël's, om aan te tonen dat zij recht hebben op den boom des levens en op den ingang door poorten der stad.
d. De gelegenheid van die poorten. De stad had vier gelijke zijden, overeenkomstig de vier hemelstreken: oost, west, noord en zuid, en daarom waren aan elke zijde drie poorten, aanduidende dat van alle zijden der aarde enigen zullen komen en veilig ten hemel gaan, en daar aangenomen worden, en dat er zowel van de ene zijde der aarde als van de andere vrije toegang is, want in Christus is niet Jood of Griek, barbaar of Scyt, dienstknecht of vrije. Mensen van alle volken en talen, die in Christus geloven, hebben door Hem toegang tot God, in genade hier en in heerlijkheid hiernamaals.
e. De bouwstoffen van deze poorten, zij bestonden alle uit paarlen, maar toch met grote verscheidenheid. Elke poort was uit ene parel, hetzij uit een enkele parel van verbazenden omvang, of uit ene soort paarlen. Christus is de parel van grote waarde en Hij is onze weg tot God. Er is op aarde niets heerlijk genoeg om de schoonheid van den hemel waardig af te beelden. Konden wij door het vergrootglas van sterke verbeelding ons zulk een stad voorstellen als hier wordt beschreven, alleen slechts het uitwendige, zulk een muur en zulke poorten, hoe verbazingwekkend en hoe heerlijk zou de aanblik zijn! En toch is dit slechts een flauw en schaduwachtig beeld van wat de hemel zelf aanbiedt.
2. Het inwendige van het nieuwe Jeruzalem, vers 22-27. Wij hebben gezien zijn sterken muur, zijn statige poorten en zijn heerlijke poortwachters, nu worden wij door de poorten de stad zelf binnengeleid. Het eerste wat onze aandacht trekt is de straat van de stad: die is zuiver goud, gelijk doorluchtig glas, vers 21. De heiligen in den hemel wandelen op goud. Het nieuwe Jeruzalem heeft zijn verscheidene straten. Er is de volmaaktste orde in den hemel, iedere heilige heeft zijn eigen woning. Er is gemeenschap in den hemel, de heiligen rusten daar, maar het is geen lijdelijke rust, het is geen toestand van slaap en werkeloosheid, maar een staat van verblijdende beweging. De volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen. Zij wandelen met Christus in witte klederen. Zij hebben gemeenschap niet enkel met God, maar ook met elkaar, en al hun voetstappen zijn vast en zuiver. Zij zijn rein en heilig als goud en doorschijnend glas.
A. De tempel van het nieuwe Jeruzalem. Die was geen stoffelijke tempel door mensenhanden gebouwd, gelijk die van Salomo of Zerubbabel, maar een geheel geestelijke en goddelijke tempel, want de Heere de almachtige God is haar tempel en het Lam. De heiligen hierboven hebben geen behoefte aan instellingen, die hier de middelen waren om hen voor den hemel toe te bereiden. Wanneer het doel bereikt is, zijn de middelen overbodig geworden. Volmaakte en onmiddellijke gemeenschap met God zal meer dan genoegzaam zijn om de instellingen des Evangelies te vervangen.
B. Het licht van deze stad. Waar geen licht is, kan geen luister of genoegen zijn. De hemel is de erfenis der heiligen in het licht. Maar wat is dat licht? Daar schijnt geen zon of maan, vers 23. Het licht is goed en het is den ogen goed de zon te aanschouwen. Welk een treurige wereld zou het hier zijn, indien het licht der zon haar niet bescheen! En wat vervangt nu in den hemel het licht der zon? Er is geen behoefte aan zonnestralen, want de heerlijkheid Gods heeft de stad verlicht en het Lam is haar kaars. God zal in Christus de eeuwigdurende bron van kennis en vreugde voor de heiligen zijn, en waar dat het geval is daar is geen behoefte aan zon of maan, zomin als wij behoefte hebben aan een kaars op den vollen middag, wanneer de zon schijnt in hare kracht.
C. De inwoners van deze stad. Zij worden hier op verschillende wijzen beschreven.
a. Hun getal, gehele volken van gezaligde zielen, enigen uit alle volken en velen uit sommige volken. Al de menigten, die op de aarde verzegeld werden, zijn gezaligd in den hemel.
b. Hun waardigheid, sommigen van de koningen en vorsten der aarde, grote koningen. God zal de hemelse woningen vervullen met mensen van allerlei rang en stand, hoog en laag, en wanneer de grootste koningen in den hemel komen, zullen zij al hun vroegere eer en majesteit verslonden zien door de hemelse heerlijkheid, die al het vroegere zo ver overtreft.
c. Hun voortdurenden toegang en ingang in de stad. De poorten zullen nietgesloten worden. Daar is geen nacht en dus behoeven de poorten niet gesloten te worden. Op elk uur komt nu deze, dan gene, en allen die geheiligd zijn vinden de poorten altijd open, zij hebben een overvloedigen ingang in het koninkrijk. D. De heerlijkheden van deze stad. Zij zullen de heerlijkheid en de eer der volken daar in brengen. Al wat uitnemend en kostelijk is op aarde zal daar in verhoogden en verfijnden vorm genoten worden, en tot veel hoger trap: schitterender kronen, van beter en duurzamer zelfstandigheid, zoeter en meer voldoening gevende feesten, een heerlijker opwachting, waarachtiger gevoel van eer en veel hoger ereposten, uitnemender gemoedsgesteldheid, omgang en gedrag uitstekender dan ooit in de wereld bekend was.
E. De smetteloze reinheid van allen, die behoren tot het nieuwe Jeruzalem, vers 27.
a. In de heiligen zelf zal niets onreins overgebleven zijn. In hun dood zullen zij verlost worden van al wat van ontreinigenden aard is. Thans gevoelen zij op droevige wijze hun deugden vermengd met bederf, dat hen hindert in hun dienen van God, hun gemeenschap met Hem onderbreekt, het licht van Zijn vriendelijk aanschijn onderschept. Maar bij hun intrede van het heilige der heiligen zijn zij gewassen in het bloed van Christus en zonder vlek of rimpel den Vader voorgesteld.
b. Daar zullen onder de heiligen geen onreine personen toegelaten worden. In het aardse Jeruzalem zal altijd een gemengd gezelschap zijn ondanks alle zorg, die daartegen genomen wordt. Een of andere wortel van bitterheid kan opwaarts spruiten en de Christelijke gezelschappen beroeren en ontreinigen, maar in het nieuwe Jeruzalem is de gehele gemeenschap volmaakt rein.
Ten eerste Zij is vrij van allen, die openlijk lichtzinnig zijn. Er wordt niemand toegelaten, die gruwelijkheid doet. In de gemeenten op aarde werden soms gruwelijke dingen gedaan, plechtige instellingen werden lichtzinnig behandeld en ontheiligd met openlijk-wereldse bedoelingen en door mensen, die als goddelozen algemeen bekend stonden. Maar zulke gruwelen zijn in den hemel onmogelijk.
Ten tweede. Vrij van huichelaars, die leugen spreken, die zeggen dat zij Joden zijn en zijn het niet, maar liegen. Zij sluipen in de gemeenten van Christus op aarde binnen en kunnen hun leugen voor een tijdlang bedekt houden, misschien gedurende hun gehele leven. Maar zij kunnen het nieuwe Jeruzalem niet binnendringen, dat alleen bestemd is voor hen, die geroepen en verkoren en gelovig zijn, die allen geschreven staan niet in de registers van de zichtbare gemeente, maar in het boek des levens des Lams..