1 Johannes 3:1-3
Nadat de apostel de waardigheid van de gelovige volgers van Christus heeft vermeld, dat zij uit Hem geboren zijn en daardoor in zeer nauwe betrekking tot God kwamen, gaat hij voort met:
I. Hij betuigt zijne verwondering over de genade, die de bron is van zo heerlijke verwaardiging. Ziet hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden, vers 1, dat is werkelijk genoemd, door Hem, die de dingen welke niet zijn, bij name roept alsof zij waren. De Vader neemt al de kinderen van den Zoon aan. De Zoon roept hen in werkelijkheid en maakt hen Zijne broederen, en daardoor verleent Hij hun de macht en waardigheid van kinderen Gods. Het is wonderbare neerbuigende liefde van den eeuwigen Vader, dat Hij zulke als wij zijn tot Zijn kinderen maakt, ons die van nature erfgenamen zijn van de zonde, de schuld en van den vloek Gods, ons, die door ons gedrag zijn kinderen des verderfs, der ongehoorzaamheid en der ondankbaarheid. Vreemd, dat de heilige God zich niet schaamt onzen Vader te heten en ons Zijn kinderen te noemen! Daarom gaat de apostel voort:
II. Hij vermeldt dat deze eer van de gelovigen boven het begrip der wereld gaat. Ongelovigen weten weinig van hen af. Daarom (of op die wijze, als zodanig) kent ons de wereld niet, vers 1. De wereld bemerkt weinig van de verheffing en de gelukzaligheid der echte volgelingen van Christus. Zij staan hier bloot aan de gewone aardse onheilen, alle dingen overkomen hen gelijk den anderen, ja zelfs ondervinden zij meer smart, zodat zij reden hebben om te zeggen: Indien wij alleen in dit leven op Christus zijn hopende, dan zijn wij de ellendigste van alle mensen, 1 Corinthiërs 15:19. De onchristelijke wereld derhalve, die alleen aanziet wat voor ogen is, weet niets van hun waardigheid, hun voorrechten, hun genietingen, die hun hier ten dele vallen of die hun wachtende zijn. Zij denkt er niet aan dat deze kleinen, nederigen, verachten de gunstelingen des hemels zijn en eerlang bewoners van den hemel zullen worden. En zij kunnen hun lot des te gemoedigder dragen omdat hun Heere hier even onbekend was als zij zijn.
Omdat zij Hem niet kent, vers 1. De wereld dacht er weinig aan welk een groot persoon hier rondwandelde, en dat haar Schepper eens haar bewoner was. De Joodse wereld vermoedde niet dat de God van Abraham, Izaak en Jakob iemand werd uit haar eigen geslacht en woonde in haar land, Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hij kwam tot de Zijnen, maar die kruisigden Hem, doch zeker: indien zij Hem gekend hadden, zij zouden den Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben, 1 Corinthiërs 2:8. Laat daarom de volgelingen van Christus tevreden zijn met harde behandeling, want zij reizen door een vreemd land, waar zij weinig bekend zijn, en hun Heere is het evenzo gegaan.
III. De apostel bemoedigt de volhardende discipelen met het vooruitzicht op de zekere openbaring van hun staat en waardigheid.
1. Hun tegenwoordige eervolle betrekking wordt vermeld. Geliefden (gij moogt wel onze geliefden zijn, want gij zijt geliefden van God) nu zijn wij kinderen Gods, vers 2. Wij hebben de natuur van kinderen door de wedergeboorte, wij hebben den naam, den geest en het recht van deze erfenis door aanneming. Deze eer hebben alle heiligen.
2. De onthulling van den zegen, aan deze betrekking verbonden, moet nog geschieden. Het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen, vers 2. De heerlijkheid, voortspruitende uit dit kindschap en deze aanneming, wordt uitgesteld en bewaard voor de toekomende wereld. De kinderen Gods moeten wandelen door geloof en leven door hoop.
3. De tijd van de openbaring der kinderen Gods in hun eigenlijke gedaante en heerlijkheid is bepaald, en die komt wanneer de Oudste Broeder verschijnt om hen te roepen en bijeen te vergaderen. Maar wij weten dat wanneer Hij zal geopenbaard worden, wij Hem zullen gelijk zijn. Het deelwoord ean, gewoonlijk vertaald door indien, is hier goed teruggegeven door wanneer, want het Hebreeuwse deelwoord im betekent dat ook, en daarmee schijnt het overeen te komen. En niet alleen is ean soms gebruikt voor hotan, maar enkele handschriften hebben hier hotan, wanneer. Op dezelfde wijze is het vertaald in Johannes 14:3 : Zo wanneer Ik zal heengegaan zijn, enz. Wanneer het hoofd der gemeente, de Eniggeborene des Vaders, zal verschijnen, zullen zijne leden, die God tot kinderen aangenomen heeft, met Hem verschijnen en geopenbaard worden. Zij kunnen dus rustig wachten in geloof, hoop en ernstige begeerte naar de openbaring van den Heere Jezus, zoals de gehele schepping wacht naar haar volmaking en de openbaring der kinderen Gods, Romeinen 8:19. De kinderen Gods zullen gekend en geopenbaard worden door hun gelijkenis met hun hoofd. Zij zullen Hem gelijk zijn, gelijk in eer en macht en heerlijkheid. Hun sterfelijke lichamen zullen gelijk gemaakt worden aan Zijn heerlijk lichaam, zij zullen door Hem vervuld worden met leven, licht en zegen. Wanneer Hij, die hun leven is, zal geopenbaard worden, zullen ook zij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid, Colossenzen 3:4.
4. Hun gelijkenis naar Hem wordt bevestigd door het zien van Hem, dat hun deel zal worden.
Wij zullen Hem gelijk wezen, want wij zullen Hem zien gelijk Hij is. Hun gelijkenis zal de oorzaak zijn van het gezicht, dat zij van Hem zullen hebben. Inderdaad, allen zullen Hem zien, maar niet zoals zij, niet gelijk Hij is, namelijk, gelijk Hij is voor hen die in den hemel zijn. De goddelozen zullen Hem zien in Zijn toorn, in Zijn verschrikkelijke majesteit en in der glans van Zijn wrekende volkomenheden, maar zij zullen Hem zien in de zachtheid en schoonheid van Zijn gelaat, in de daarmee overeenstemmende beminnelijkheid van Zijne heerlijkheid en in de volmaakte harmonie van al Zijne hoedanigheden. Hun gelijkenis op Hem zal hen in staat stellen Hem te zien gelijk de gezaligden in den hemel Hem zien. Of het zien van Hem zal de oorzaak van hun Hem gelijk zijn worden, het zal een zien zijn, dat hen verandert, zij zullen in hetzelfde beeld veranderd worden door het aanschouwen van Zijn heerlijk aangezicht.
IV. Deze aanneming der kinderen Gods gebruikt de apostel als drang voor vordering in de heiligheid. En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zich zelven, gelijk Hij rein is, vers 3. De kinderen Gods weten dat hun Heere heilig en rein is, Hij is te rein van hart en ogen om toe te laten dat enige besmetting of onreinheid in hen woont. Zij dus, die deze hoop op Hem hebben, moeten zich toeleggen op de grootste reinheid, rein worden van wereld, vlees en zonden, zij moeten toenemen in genade en heiligheid. Niet alleen beveelt hun Heere hun dat, maar ook hun eigen nieuwe natuur dringt er hen toe, hun hoop op den hemel zal het hun voorschrijven en er hen toe drijven. Zij weten dat hun hogepriester is heilig, onnozel en onbevlekt. Zij weten dat hun God en Vader de Heilige en Verhevene is, dat geheel zijn gezin heilig is, dat hun erfenis is een erfenis der heiligen in het licht. Het toelaten van zonde en onreinheid is in rechtstreekse tegenspraak met zulk een hoop. En daarom, gelijk wij geheiligd zijn door het geloof, moeten wij ook geheiligd worden door de hoop. Opdat wij door de hoop zalig mogen zijn, moeten wij door de hoop gereinigd worden. Het is de hoop der huichelaars, en niet der kinderen Gods, die onreine begeerten en lusten verlof geeft om te blijven heersen.