Openbaring 1:1-2
Wij hebben hier:
I. Hetgeen wij kunnen noemen het voetstuk van dit boek.
1. Het is de openbaring van Jezus Christus. Dat is de gehele Bijbel, want alle openbaring komt van Jezus Christus en alles trekt zich weer in Hem samen. En in deze laatste dagen heeft God tot ons gesproken door den Zoon, en betreffende Zijnen Zoon. Het heeft Christus, als de Koning Zijner gemeente, tot hiertoe behaagd haar te doen weten door welke regelen en maatregelen Hij Zijne regering wil uitbreiden, en als de profeet van Zijne gemeente maakt Hij haar hier bekend de dingen, die hierna geschieden zullen.
2. Het is de openbaring, die God Hem (aan Christus) gegeven heeft. Ofschoon Christus zelf God is, en als zodanig het licht en het leven in zich zelven heeft, toch omdat Hij de bediening vervult van Middelaar Gods en der mensen, ontvangt Hij Zijne inlichtingen van den Vader. De menselijke natuur van Christus, hoewel toegerust met de grootste wijsheid, oordeelkunde en scherpzinnigheid, kon langs den weg der rede deze grote gebeurtenissen niet ontdekken, want zij worden niet door natuurlijke oorzaken verwekt, maar hangen geheel van Gods wil af, zij waren alleen het voorwerp van goddelijke voorwetenschap en kunnen aan een geschapen geest enkel door openbaring bekend worden. Onze Heere Jezus is de grote vertrouweling van de goddelijke openbaring, aan Hem danken wij de kennis van hetgeen wij van God verwachten en Hij van ons verwacht.
3. Deze openbaring heeft Christus door Zijn engel gezonden. Merk op de bewonderenswaardige orde in de goddelijke openbaring. God gaf haar aan Christus, en Christus belastte een engel om haar aan de gemeente mede te delen. De engelen zijn Gods boodschappers, zij zijn gedienstige geesten voor degenen, die de zaligheid beërven zullen. Zij zijn dienaren van Jezus Christus, de machten en overheden zijn Hem onderworpen, alle engelen Gods moeten Hem aanbidden.
4. De engel heeft haar den apostel Johannes te kennen gegeven. Gelijk de engelen de boodschappers van Christus zijn, zo zijn de dienaren de boodschappers van de gemeenten, wat zij van den hemel ontvangen, moeten zij aan de gemeenten mededelen. Johannes was de apostel, die voor dezen dienst gekozen werd. Sommigen denken dat hij de enig-overgebleven apostel was, nadat al de anderen hun getuigenis met hun bloed bezegeld hadden. Dit zou het laatste boek van de goddelijke openbaring zijn, en werd daarom aan de gemeente kenbaar gemaakt door den laatsten apostel. Johannes was de geliefde discipel. Hij was onder het Nieuwe Testament, gelijk Daniël onder het Oude Verbond, een zeer gewenst man. Hij was een dienstknecht van Christus, hij was apostel, evangelist en profeet, en diende Christus in al deze drie buitengewone bedieningen der gemeente. Jakobus was apostel, maar geen profeet of evangelist, Mattheus was apostel en evangelist, maar geen profeet. Lukas was evangelist, maar geen profeet of apostel. Doch Johannes was alle drie, en daarom noemt Christus hem in geheel bijzondere betekenis: Zijn dienstknecht Johannes.
5. Johannes moest deze openbaring overleveren aan de gemeente, aan al de dienstknechten van Christus. Want die openbaring was niet bestemd voor het gebruik van Christus' buitengewone dienstknechten, de dienaren, alleen, maar voor al Zijn dienstknechten, al de leden der gemeente, zij allen hebben een recht op Gods profetieën en woorden, zij allen hebben er belang bij.
II. Hier hebben wij het onderwerp van deze openbaring, namelijk de dingen, die haast geschieden moeten. De evangelisten geven ons een verhaal van de dingen, die geschied zijn, de profeten vermelden ons de dingen, die geschieden zullen. Deze toekomende dingen zijn geplaatst niet in het helderste licht, waarin God ze zetten kon, maar in het licht, dat Hij het meest geschikt oordeelde, en dat het best paste bij Zijn wijs en heilig voornemen. Waren zij in al hun bijzonderheden meegedeeld zo duidelijk als God ze openbaren kon, dan zou de voorzegging de vervulling voorkomen hebben. Maar nu werden zij duisterder voorzegd, om ons eerbied voor de Schrift te geven en onze aandacht aan te wakkeren en ons onderzoek aan te vuren. Wij ontvangen in deze openbaring een algemeen denkbeeld van de gangen der goddelijke voorzienigheid en van Zijne regering in en voor Zijne gemeente, en daarin kunnen vele goede lessen geleerd worden. Deze gebeurtenissen zouden zeker of haastelijk plaatsgrijpen, dat is: het zou spoedig beginnen te geschieden en het geheel zou ook in korten tijd volbracht worden. Want de laatste dagen der wereld zijn nu gekomen.
III. Hier is een bevestiging van de profetie, vers 2. Zij was gegeven aan Johannes, die het woord Gods betuigd heeft en de getuigenis van Jezus Christus en al wat hij gezien heeft. Het verdient opmerking dat de historische boeken van het Oude Testament niet altijd den naam van hun geschiedschrijver vermelden, zoals in de boeken der Richteren, Koningen en Kronieken, maar in de profetische boeken wordt altijd de naam van den schrijver in den aanvang vastgesteld: Jesaja, Jeremia, enz. Evenzo in het Nieuwe Testament, ofschoon Johannes zijn naam niet noemt aan het hoofd van zijn eersten brief doet hij het wel bij deze profetie, als gereed om in te staan voor de waarheid van den inhoud, en hij noemt niet enkel zijn naam, maar ook zijne bediening. Hij was iemand, die het woord Gods betuigd heeft in het algemeen, en de getuigenis van Jezus in het bijzonder, en van alle dingen, die hij gezien heeft, hij was een ooggetuige en verborg niets van wat hij gezien had. Niets van hetgeen hij in deze openbaring mededeelde, was van zijn eigen uitvinding of verbeelding, alles was de mededeling van God en de getuigenis van Jezus. Zoals hij er niets aan toevoegde, zo hield hij ook niets van den raad Gods achter.