Psalm 17:8-15
In deze verzen kunnen wij opmerken:
I. Waar David om bidt. Omringd zijnde van vijanden, die het op zijn leven toelegden, bidt hij tot God om hem veilig te bewaren tegen al hun aanslagen voor de kroon, waartoe hij gezalfd was. Dit gebed is een voorzegging van de bewaring van Christus door al de moeilijkheden heen van Zijn vernedering voor de heerlijkheid en vreugde van Zijn verhoogde staat, en het is ook een voorbeeld voor de Christenen om de bewaring van hun ziel over te geven aan God, op Hem betrouwende om hen te bewaren voor Zijn hemels koninkrijk. Hij bidt:
1. Dat hijzelf beschermd zal worden, vers 8. "Bewaar mij veilig, verberg mij zorgvuldig, waar ik niet gevonden kan worden, waar men mij niet kan overvallen. Verlos mijn ziel, niet alleen mijn sterflijk leven van de dood, maar mijn onsterflijke ziel van de zonde." Zij, die zich onder Gods bescherming stellen, kunnen er in het geloof de weldaad, het voordeel van afsmeken. Hij bidt dat God hem wilde bewaren:
A. Met evenveel zorg als waarmee een mens zijn oogappel bewaart, die de natuur verwonderlijk omheind en beschut heeft en ons leert hem te bewaren. Als wij Gods wet bewaren als "de appel onzer ogen," Spreuken 7:2, dan kunnen wij verwachten dat God ons evenzo zal bewaren, want van Zijn volk wordt gezegd, dat "wie hen aanraakt Zijn" "oogappel aanraakt," Zacheria 2:8.
B. Met evenveel tederheid als de hen haar kuikens vergadert onder haar vleugelen. Christus gebruikt dit beeld, Mattheus 23:37. "Verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen," waar ik beide veilig en warm zal wezen." Of misschien ziet het veeleer op de vleugels van de cherubim, die het verzoendeksel overschaduwden. Laat mij onder de bescherming genomen worden van die heerlijke genade, die het voorrecht is van het Israël van God." Waar David hier om bidt, is vervuld geworden aan de Zone Davids, onze Heere Jezus, van wie gezegd is, dat God Hem "bedekt heeft onder de schaduw van Zijn" "hand, Hem verborgen heeft als een zuiveren pijl in Zijn pijlkoker," Jesaja 49:2. David bidt nog verder: Heere, bevrijd mij van de goddeloze, van de lieden, die van de wereld zijn."
a. "Behoed er mij voor om te zijn en te doen zoals ze, om te wandelen in hun raad, te staan op hun weg, te eten van hun lekkernijen."
b. Om door hen ter neer geworpen en verdelgd te worden. Laat hen hun wil niet aan mij volvoeren, laat hen niet over mij triomferen."
2. Dat al de plannen van zijn vijanden om hem of tot zonde te brengen, of in het ongeluk te storten, verijdeld mochten worden, vers 13. "Sta op, Heere!" verschijn voor mij, stel hem teleur, werp hem door de teleurstelling terneer in zijn eigen ogen." Terwijl Saul David vervolgde, hoe dikwijls heeft hij toen niet zijn prooi gemist, als hij dacht hem gewis in zijn macht te hebben! En hoe zijn Christus' vijanden teleurgesteld geworden door Zijn opstanding, die dachten hun doel bereikt te hebben toen zij Hem ter dood hadden gebracht!
II. Waar hij op pleit ter aanmoediging van zijn eigen geloof, en zijn hoop op welslagen. Hij pleit: 1. Op de boosaardigheid en goddeloosheid van zijn vijanden. "Het zijn dezulken, dat het niet voegt hen te steunen, de zodanigen, die, als ik niet door de bijzondere zorg van God zelf van hen verlost word, mijn verderf zullen wezen. Heere, zie hoe goddeloos zij zijn, die mij verdrukken en mij terneder werpen."
a. "Zij zijn zeer boosaardig en haatdragend, zij zijn mijn doodvijanden die dorsten naar mijn bloed, mijn hartebloed, vijanden tegen mijn ziel, " zo luidt het oorspronkelijke. Davids vijanden deden wat zij konden om hem tot zonde te brengen en hem weg te drijven van God. Zij zeiden hem: "Ga heen, die andere goden," 1 Samuël 26:19, en daarom had hij reden om tegen hen te bidden. Diegenen zijn onze ergste vijanden en wij moeten hen als zodanig beschouwen die vijanden zijn van onze ziel.
b. Ze zijn zeer gerust en zinnelijk, beledigend en hoogmoedig, vers 10. Zij zijn besloten met hun eigen vet, hullen zich en verheugen zich in hun eer en macht en rijkdom, en dan achten ze God gering en trotseren Zijn oordelen Psalm 73:7, Job 1-5:Zij baden zich in genot en vleien zich dat de dag van morgen zal zijn als deze. "Daarom spreken zij hovaardiglijk met hun mond, roemende op zichzelf God lasterende, Zijn volk vertredende en beledigende." Zie Openbaring 13:5, 6. "Heere, zijn zulke mensen niet geschikt om vernederd te worden, zodat zij zichzelf leren kennen? Zal het niet tot Uw eer wezen op deze hoogmoedigen te zien en hen te vernederen?
c. Zij zijn rusteloos en onvermoeid in hun aanslagen tegen mij, zij omringen, vers 9."zij hebben nu in zekere zin hun doel bereikt, zij hebben ons omsingeld, ons in onze gang omsingeld, zij volgen overal ons spoor, zoals de hond het spoor volgt van de haas, maken gebruik van alle voordelen tegen ons, daar zij ons beide te talrijk en te vlug zijn. En toch wenden zij voor een anderen kant op te zien, zetten hun ogen, ter aarde neerbukkende alsof zij peinzende in zichzelf gekeerd waren, aan iets anders dachten." Of naar sommigen denken, zij zijn op de loer om ons kwaad te doen en laten geen gelegenheid voorbijgaan om hun voornemen ten uitvoer te brengen."
d. Hun aanvoerder (dat was Saul) is zeer bijzonder bloeddorstig en wreed, listig en geslepen, vers 12, als een leeuw, die van prooi leeft, en er dus gretig naar verlangt. Het is evenzeer spijs en drank voor een goddeloze om kwaad te doen, als het voor een Godvruchtige is om goed te doen. Hij is als een jonge leeuw, zittende in verborgen plaatsen, zijn boze plannen bedekt houdende. Dit wordt gevoeglijk toegepast op Saul, die David zocht "bij de Steenbokrotsen" 1 Samuël 24:3, en "in de woestijn Zif". Hoofdst. 26:2, waar leeuwen plachten te loeren op hun prooi.
2. De macht, die God over hen heeft om hen te bedwingen. "Heere," zegt hij, "Zij zijn Uw zwaard en zal een vader dulden dat zijn zwaard tegen zijn eigen kinderen wordt getrokken? Gelijk dit een reden is waarom we de beledigingen van de mensen geduldig moeten verdragen, dat zij slechts de werktuigen zijn voor het leed het komt oorspronkelijk van God, aan wiens wil wij gehouden en verplicht zijn ons te onderwerpen, zo is het ook een aanmoediging voor ons om te hopen, beide dat hun toorn Hem loffelijk zal maken en dat Hij het overblijfsel van hun toorn zal opbinden, dat zij Gods zwaard zijn hetwelk Hij kan hanteren naar het Hem behaagt, dat zonder Hem niet bewogen kan worden, en dat Hij in de schede zal steken, als Hij Zijn werk er mee gedaan heeft. "Zij zijn Uw hand", zegt hij, "waarmee Gij Uw volk kastijdt en hun Uw misnoegen doet gevoelen." Hij verwacht verlossing door Gods hand, omdat van Gods hand het leed is gekomen. Una cademque manus vulnus opemques tulit-Dezelfde hand wondt en heelt. Gods hand is niet anders te ontvlieden dan door er de toevlucht toe te nemen. Als wij in vrees en angst zijn voor de macht van de mens, dan is het zeer troostrijk haar afhankelijk te zien van, en onderworpen aan, de macht van God. Zie Jesaja 10:6.
3. Hun uitwendigen voorspoed, vers 14. Heere, verschijn tegen hen, want:
A. Zij hebben zich geheel en al toegewijd aan de wereld, en bekommeren zich noch om U noch om Uw gunst. Zij zijn lieden van de wereld, gedreven door de geest van de wereld, wandelen naar de wijze van de wereld, zijn verzot op de rijkdom en de genoegens van de wereld, jagen ijverig haar vermaken na, waarin zij hun lust en genot vinden. Zij hebben hun deel in dit leven zij beschouwen het goede van deze wereld als het beste en dat volkomen genoegzaam is om hen gelukkig te maken en dienovereenkomstig verkiezen zij het, stellen zij er hun geluk en hun zaligheid in, jagen zij het na als hun hoogste goed. Zij gevoelen er zich mee voldaan, hun ziel rust erin, en zij zien niet verder, ook hebben zij niet de minste zorg om voorziening te maken voor een ander leven. Deze dingen zijn "hun troost," Lukas 6:24, "hun goed," Lukas 16:25, hen loon, Mattheus 6:5, de penning, waarvoor zij overeen waren gekomen, Mattheus 20:13. Heere, zullen nu mensen van zo'n aard en karakter ondersteund en geholpen worden tegen hen, die niet Uw gunst verkiezen boven alle de schatten van de wereld, en U tot hun deel hebben genomen? Psalm 16:5.
B. Zij hebben overvloed van de wereld.
a. Hun begeerte is groot en zij wordt bevredigd: hun buik vervult Gij met Uw verborgen schat. De dingen van deze wereld worden schatten genoemd, omdat zij daarvoor gehouden worden, maar anders zijn zij, in vergelijking met de eeuwige zegeningen, voor de ziel slechts onbeduidende prullen. Zij zijn verborgen in de onderscheidene delen van de schepping en verborgen in de soevereine beschikking van de voorzienigheid. Zij zijn Gods verborgen schatten, want de aarde is van Hem en haar volheid, hoewel de lieden van de wereld denken dat zij van hun is, en Gods recht van eigendom erin vergeten. Zij, die elke dag vrolijk en prachtig leven, is de buik gevuld met deze verborgen schatten, en het is ook slechts "hun buik, die gevuld is," 1 Corinthiers 6, 13, de ziel wordt er niet mee verzadigd, daar zijn zij geen brood voor, en zij kunnen ook niet verzadigen, Jesaja 55:2. Ze zijn kaf en as en wind, en toch zullen de meeste mensen, daar zij geen zorg hebben voor hun ziel maar alleen voor hun buik, er zich mee vergenoegen.
b. Zij hebben een talrijk gezin, en zeer veel om er aan na te laten. Zij zijn vol van kinderen maar hebben toch genoeg voor allen, zij laten hun overschot na aan hen kinderkens, hun kleinkinderen, en dat is hun hemel, hun gelukzaligheid, hun alles. "Heere," zegt David, verlos mij van hen, laat mijn deel niet met hen wezen. Verlos mij van hun plannen tegen mij, want zij hebben zoveel rijkdom en macht, dat ik niet instaat ben met hen te handelen, tenzij de Heere aan mijn zijde is."
4. Hij pleit op zijn eigen betrouwen op God als zijn deel en zijn heil. "Zij hebben hun deel in dit leven, meer mij aangaande, vers 15, ik behoor niet tot hen, ik bezit slechts weinig van de wereld. Het is in het zien en genieten van God, dat ik mijn geluk stel, daarop hoop ik, met die hoop vertroost ik mij, en hierdoor onderscheid ik mij van hen, wier deel is in dit leven." God met voldoening te zien van aangezicht tot aangezicht kan beschouwd worden: A. Als onze plicht en onze vertroosting in deze wereld. Wij moeten in gerechtigheid bekleed zijnde met de gerechtigheid van Christus, door het geloof Gods aangezicht aanschouwen, Hem ons geduriglijk voorstellen, ons van dag tot dag verlustigen met de beschouwing van de schoonheid des Heeren, en elke morgen, als wij ontwaken, verzadigd zijn met Zijn beeld ons voorgesteld in Zijn Woord, door vernieuwde genade Zijn beeld ons ingedrukt zijnde. Onze ervaring van Gods gunst jegens ons en onze gelijkvormigheid met Hem moeten ons meer voldoening schenken dan zij hebben, wier buik gevuld is met de genietingen van de zinnen.
B. Als onze beloning en onze zaligheid in de andere wereld, met het vooruitzicht daarop eindigde hij de vorige psalm en nu ook deze. Die zaligheid is bereid en bestemd alleen voor de rechtvaardigen, die gerechtvaardigd en geheiligd zijn, zij zullen in het bezit ervan gesteld worden, als zij opwaken, als de ziel bij de dood ontwaakt uit haar sluimering in het lichaam, en het lichaam ontwaakt bij de opstanding uit zijn sluimering in het graf. Die zaligheid zal bestaan in drie dingen.
a. Het onmiddellijke zien van God en Zijn heerlijkheid: ik zal Uw aangezicht aanschouwen, niet, zoals in deze wereld, door een spiegel in een duistere rede, het kennen van God zal daar volmaakt zijn, en het verruimde verstand zal er vervuld van wezen.
b. Het deel hebben aan Gods beeld, onze heiligheid zal daar volmaakt wezen. Dit is een uitvloeisel van het vorige, "als Hij zal zijn geopenbaard" "zo zullen wij Hem gelijk wezen, want wij zullen Hem zien gelijk Hij is," 1 Johannes 3:2.
c. Een volkomen voldoening, voortkomende uit dit alles, ik zal verzadigd worden, volkomen en overvloedig. Er is geen voldoening voor een ziel dan in God in Zijn aangezicht en Zijn beeld, Zijn liefde jegens ons en Zijn goed werk in ons, en zelfs die voldoening zal niet volkomen zijn, voordat Wij in de hemel komen.