Psalm 109:1-6
Het is voor alle Godvruchtigen een onuitsprekelijke vertroosting dat, wie ook tegen hen mogen zijn, God toch voor hen is, en dat zij zich tot Hem kunnen wenden als tot een, die belang stelt in hun zaken en ze zal behartigen. Zo is het hier met David.
1. Hij beroept zich op Gods oordeel, vers 1. "O God mijns lofs, zwijg niet, maar laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, Psalm 17:2. Stel niet uit om uitspraak te doen in het beroep, dat op U gedaan is." God zag wat zijn vijanden tegen hem deden, maar scheen het voorbij te zien en te zwijgen. "Heere", zegt hij, "blijf dit niet altijd doen." De titel die hij aan God geeft, is opmerkelijk. "O God mijns lofs, God, in wie ik roem, en niet in enigerlei wijsheid of kracht van mijzelf van wie ik alles heb, waarvoor ik loof, God die ik geloofd en geprezen heb, en die ik zal loven, die ik tot in eeuwigheid hoop te loven." Hij noemt God "de God van zijn goedertierenheid," Psalm 59:11, hier noemt hij Hem de God zijns lofs. In zover God de God is van onze goedertierenheden, moeten wij Hem tot de God onzes lofs maken, indien alles van Hem is en van Hem komt, dan moet ook alles tot Hem en voor Hem wezen.
2. Hij klaagt over zijn vijanden, aantonende dat zij zodanigen waren, dat het recht voor God is om tegen hen te verschijnen.
a. Zij waren zeer boosaardig, zij zijn goddeloos, zij verlustigen er zich in om kwaad te doen, vers 2. Hun woorden zijn hatelijke woorden, vers 3. Zij koesterden een onverzoenlijke haat tegen een Godvruchtig man, omdat hij Godvruchtig is. "Zij doen hun mond tegen mij open om mij te verslinden, en strijden tegen mij om mij te verdoen, zo zij het slechts konden."
b. Zij waren bekende leugenaars, en een leugenaar is een van de zeven dingen, die de Heere haat. "Zij zijn vals in hun betuigingen van vriendelijkheid, daar zij tegelijkertijd achter mijn rug met een valse tong tegen mij spreken." Zij waren even vals in hun vleierijen als in hun lasteringen.
c. Zij waren slim en rusteloos in hun plannen. "Zij hebben mij omsingeld, zodat, waar ik ook de blik heen richtte, ik niets anders zag dan wat tegen mij was."
d. Zij waren onrechtvaardig, hun beschuldigingen tegen hem en hun oordeel over hem waren zonder grond: "zij hebben mij bestreden zonder oorzaak, ik heb hen nooit getergd, nooit reden gegeven om mij te haten." En wat het ergste was van alles:
e. Zij waren zeer ondankbaar en vergolden hem kwaad voor goed, vers 5. Menige vriendelijkheid had hij hun bewezen, en hij was steeds bereid om hun van dienst te zijn, en toch kon hij er hen niet toe brengen om hun boosaardigheid jegens hem op te geven, integendeel, zij werden er te meer om verbitterd, daar zij er hem niet toe konden brengen hun gelegenheid tegen hem te geven, vers 4. Voor mijne liefde staan zij mij tegen. Hoe meer hij poogde hen te bevredigen hoe meer zij hem haatten. Wij kunnen er ons over verbazen dat het mogelijk is, dat iemand zo slecht kan zijn, daar hier echter zovele voorbeelden van zijn, moet het ons niet verwonderen, dat iemand zo slecht is tegen ons. 3. Hij besluit zich dicht aan zijn plicht te houden, en zich daarmee te troosten: Maar ik begeef mij tot het gebed. "Ik gebed" zo is het in het oorspronkelijke. "Ik ben voor het gebed, ik ben een man des gebeds, en maak werk van het gebed, ik bemin en waardeer het gebed, ik oefen mij in bidden, als ik bid, ben ik in mijn element." Een Godvruchtig man is een en al gebed, hij volhard in het gebed, zoals de apostelen, Handelingen 6:4. Als Davids vijanden hem valselijk beschuldigden, hem verkeerd voorstelden, dan wendde hij zich tot God, en door het gebed gaf hij Hem zijn zaak over. Hoewel zij hem voor zijn liefde tegenstonden, bleef hij toch voor hen bidden. Als anderen ons mishandelen en beledigen, moeten wij toch niet falen in onze plicht jegens hen, noch "zondigen tegen de Heere door af te laten van te bidden voor hen," 1 Samuël 12:23. Hoewel zij hem haatten en vervolgden om zijn Godsdienst, bleef hij die toch aankleven, zij lachten om zijn vroomheid, maar zij konden er hem niet van weglachen: Laat hen zeggen wat zij willen: ik begeef mij tot liefde. Hierin was David een type van Christus, die omsingeld was door hatelijke woorden en liegende woorden, wiens vijanden Hem niet slechts zonder oorzaak vervolgden, maar Hem vervolgden om Zijn liefde en Zijn goede werken, Johannes 10:32, en toch begaf Hij zich tot bidden, heeft Hij voor hen gebeden: Vader, vergeef hun.
David doelt hier op een bijzonder persoon, die erger was dan de overigen van zijn vijanden, de aanvoerder van hen was, en, op Godvruchtige wijze, niet uit haat of wraakzucht, maar in heilige ijver voor God en tegen de zonde, en met het oog op Christus' vijanden, inzonderheid op Judas, die Hem verried, wiens zonde groter was dan van Pilatus, die Hem veroordeelde, Johannes 19:11, bidt hij om zijn verderf en voorzegt het, hij voorziet dat hij ten enenmale rampzalig zal zijn, dat hij, zoals onze Heiland hem noemde, een zoon van de verderfenis zal wezen. Calvijn spreekt van een verfoeilijke heiligschennis, die in zijn tijd onder de Franciscanen en andere monniken gepleegd werd. Indien iemand een wrok had tegen zijn naaste, dan mocht hij sommigen van hen huren om hem iedere dag te vloeken, dat dan geschiedde in de woorden van deze verzen. Inzonderheid verhaalt hij, dat van een dame in Frankrijk, die in twist en onenigheid leefde met haar enige zoon, en enige monniken gehuurd heeft om hem in deze woorden te vervloeken. Groter goddeloosheid kan men zich niet voorstellen, dan om een duivelse haat lucht te geven in de taal van de Heilige Schrift het vuur van de twist aan te stoken met kolen van Gods altaar gestolen, om vuur van de hemel te roepen met een tong, die door hellevuur ontstoken is.
I. De vervloekingen hier zijn ontzettend. Wee, duizendwerf wee, de mens tegen wie God Amen er op zegt, en zij zijn alle in volle kracht tegen de onverzoenlijke vijanden en vervolgers van Gods kerk en volk, die zich niet bekeren om Gode heerlijkheid te geven. Hier is van deze slechte mens voorzegd:
1. Dat hij als misdadiger veroordeeld zal worden met al de ontzettende plechtigheid van een gerechtelijk onderzoek en vonnis, vers 6, 7. Stel een goddeloze over hem, om even wreed en verdrukkend jegens hem te zijn als hij het voor anderen geweest is want God maakt dikwijls de ene goddeloze tot een gesel voor de andere, om de verstoorders te verstoren, en om valselijk te handelen met hen, die valselijk gehandeld hebben. Stel de boze over hem, zo lezen het sommigen, dat is Satan, gelijk hier volgt, en dan is dit vervuld geworden in Judas, in wie de Satan is ingegaan, om hem eerst voort te zwepen naar de zonde, en toen naar wanhoop. Stel zijn eigen boos hart over hem, stel zijn eigen geweten tegen hem, laat dit hem vervolgen met verwijtingen, de Satan sta aan zijn rechterhand, worde losgelaten tegen hem om hem te bedriegen, zoals hij Achab misleid heeft tot zijn verderf, en hem dan te beschuldigen en te weerstaan, en dan zal hij gewis veroordeeld worden, daar hij geen deel heeft aan die voorspraak, die alleen zeggen kan: "De Heere schelde u, gij Satan," Zacheria 3:1, 2. Als hij voor de rechterstoel van de mensen geoordeeld wordt, laat dan zijn gewone kunstenarijen om aan het gerecht te ontkomen, hem van geen dienst zijn, maar laat zijn zonde hem vinden, en laat hem schuldig uitgaan, Hij zal evenmin aan Gods gericht ontkomen, maar daar veroordeeld worden als de dag des onderzoeks en van de vergelding gekomen zal zijn. Zijn gebed zij tot zonde, zo als het geroep van een boosdoener, die veroordeeld is, niet alleen geen gehoor vindt maar beschouwd wordt als een belediging van het hof. De gebeden van de goddeloze worden zonde, omdat zij verzuurd zijn door de zuurdesem van de geveinsdheid en boosaardigheid, en dat zullen zij ook in de grote dag zijn, omdat het dan te laat zal wezen om te roepen: Heere, Heere, doe ons open. Laat alles tegen hem gekeerd worden, tot zijn nadeel worden aangewend, zelfs zijn gebeden.
2. Dat hij, veroordeeld zijnde, als een bekend kwaaddoener ter dood gebracht zal worden.
a. Dat hij zijn leven zal verliezen en het getal van zijn maanden in het midden zal worden afgesneden door het zwaard van de gerechtigheid. Dat zijn dagen weinig zijn, of verkort worden, gelijk een veroordeeld misdadiger slechts nog weinige dagen te leven heeft, vers 8, zulke bloeddorstige en bedrieglijke mensen zullen hun dagen niet ter helft brengen.
b. Dat bijgevolg over zijn ambt en zijn waardigheden beschikt zal worden ten gunste van anderen, een ander neme zijn ambt. Dit heeft Petrus toegepast op het aanstellen van een ander is de plaats van Judas in het heilig college van de apostelen, door de keus van Matthias, Handelingen 1:20. Zij, die ontrouw zijn in het ambt en werk, dat hun opgedragen is, zullen rechtvaardiglijk uit hun ambt ontzet worden en dan zal het aan een ander gegeven worden die er zich getrouw in betoont.
c. Dat zijn gezin, van hun hoofd beroofd, tot de bedelstaf zal worden gebracht, dat zijn vrouw door zijn ontijdige dood tot een weduwe, zijn kinderen tot wezen worden gemaakt, vers 9. Goddeloze mensen brengen door hun goddeloze praktijken verderf over hun vrouwen en kinderen, die zij behoorden te verzorgen. Maar indien zijn kinderen, nadat zij hun vader verloren hadden, genoeg hadden om van te leven, dan konden zij nog een genoegelijk bestaan leiden, maar neen, zij zullen omzwerven en bedelen, zij zullen geen huis hebben om in te wonen, geen bestendige verblijfplaats, en niet weten wanneer zij een maal eten kunnen krijgen, en uit hun verwoeste plaatsen uitgaan met vrezen en beven, zoals dieren uit hun hol, om hun nooddruft te zoeken, vers 10, daar zij de bewustheid hebben, dat geheel het mensdom reden heeft om hen te haten om huns vaders wil.
d. Dat zijn bezitting te gronde gericht zal worden, zoals de bezittingen van boosdoeners verbeurd worden verklaard, vers 11. Dat de schuldeiser beslag legge op al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven hetzij om zijn misdaden, of voor zijn schulden Job 5:4, 5..
e. Dat zijn nakomelingen rampzalig zullen zijn. Voor wezen, die niets bezitten, wordt soms goed gezorgd door hen, wier hart God geneigd heeft om medelijden met hen te hebben. Daar deze boze mens echter nooit barmhartigheid betoond heeft, zal er niemand zijn, die weldadigheid over hem uitstrekt, door zijn wezen genadig te zijn als hij heengegaan is, vers 12. Het gaat aan kinderen van slechte ouders dikwijls slecht om de goddeloosheid hunner ouders, de ingewanden van der mensen barmhartigheid zijn voor hen toegesloten, hetgeen echter niet moest wezen, want waarom moeten kinderen lijden voor hetgeen hun schuld niet is, maar wel hun ongeluk? f. Dat zijn gedachtenis eerloos zal zijn, in schande en vergetelheid begraven zal worden, vers 13. Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden, laat zijn einde ter verwoesting zijn aldus Dr. Hammond, en hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht, of herdacht worden met verachting en toorn, en dat er een onuitwisbare schandvlek op ruste, vers 15.
Zie hier wat het is dat sommigen naar een schandelijke dood voortjaagt, de huisgezinnen en bezittingen van anderen te gronde richt, hen en de hunnen verachtelijk en hatelijk maakt, een erfdeel van armoede, schande en ellende nalaat aan hun nakomelingen: het is zonde, deze boze, verderflijke zaak. De geleerde Dr. Hammond past dit toe op de laatste verstrooiing en verwoesting van het Joodse volk wegens hun kruisiging van Christus, hun vorsten en hun volk worden uitgeroeid, hun land tot een woestenij gemaakt, hun nakomelingen tot vluchtelingen en zwervelingen gemaakt.
II. De grond of oorzaak van deze vervloekingen toont aan dat zij rechtvaardig zijn, hoewel zij zeer hard en streng klinken.
1. Ten einde de roepingen van wraak over des zondaars nageslacht te rechtvaardigen, wordt hier de zonde van zijn voorouders in rekening gebracht, vers 14, 15. De ongerechtigheid van zijn vaderen en de zonde van zijn moeder. Deze bezoekt God dikwijls zelfs aan de kindskinderen, en hierin is Hij niet onrechtvaardig, als goddeloosheid lang in het bloed was, is het niet meer dan billijk dat er zich de vloek mee vermengt. Zo werd al het onschuldige bloed, dat op aarde vergoten is, van dat van de rechtvaardige Abel af, geëist van dat vervolgende geslacht hetwelk door Christus ter dood te brengen de mate hunner vaderen vervulde, en een reeks van wraakoefeningen tengevolge heeft gehad, even lang als de reeks van misdaden, die er aan vooraf gingen, en waarin zij zelf hebben toegestemd door te zeggen: "Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen."
2. Ten einde de inroeping van wraak over de zondaar zelf te rechtvaardigen wordt hem hier zich eigen zonde ten laste gelegd, die luid om wraak geroepen heeft.
A. Hij heeft wreedheid bemind, zo geef hem dan bloed te drinken, vers 16. Hij heeft niet gedacht weldadigheid te doen, heeft niet gedacht aan hetgeen hem geneigd zou kunnen hebben om barmhartigheid te betonen, niet gedacht aan de voorwerpen van medelijden, die hem voorgesteld waren, maar hij vervolgde de armen, die hij had moeten beschermen en ondersteunen, en de verslagene van hart heeft gedood, die hij had moeten vertroosten en genezen. Hier voorzeker is een wreed man, die niet waard is om te blijven leven.
B. Hij heeft de vloek liefgehad, zo laat die hem dan overkomen, vers 17-19. Hen, die buiten het bereik waren van zijn wreedheid vervolgde hij met zijn vervloekingen, die wel machteloos en bespottelijk waren, maar toch wederkeren zullen op zijn hoofd. Hij heeft geen lust gehad tot de zegen, hij vond er geen behagen in om anderen het goede toe te wensen, noch om anderen te zien welvaren, voor niemand had hij een goed woord over of een vriendelijke wens, veel minder nog was hij gezind om anderen een goede dienst te bewijzen, zo laat dan alle goed verre van hem zijn. Hij heeft zich bekleed met vervloeking, vers 18, hij was er fier op als op een ornament, dat hij allen, die hem omringden, kon verschrikken met de vervloekingen, waarmee hij zo vrijgevig was, hij vertrouwde er op als op een wapenrusting, die hem beveiligde tegen hen, wier aanvallen hij vreesde. Zo laat hem er dan genoeg van hebben. Hield hij zoveel van vervloeken? Zo laat dan Gods vloek uitgaan tot zijn binnenste als water, en hem doen opzwellen alsof hij waterzuchtig was, en laat die als olie doordringen tot zijn beenderen. Het woord van de vloek is levend en krachtig, en gaat door tot de verdeling van de samenvoegselen en des mergs, het werkt krachtdadiglijk, het hecht zich aan de ziel, het is iets doorvlijmends, en er is geen tegengif voor. Laat die hem van alle zijden omringen als een kleed, vers 19. Laat Gods vervloeking van hem zijn schande zijn, zoals zijn vervloeken van zijn naaste zijn roem, zijn trots was, laat die hem aankleven als een gordel, en laat hem er zich nooit van kunnen ontdoen. Laat die hem wezen als het water van de isoleringen, dat de buik deed zwellen en de heup deed vervallen. Dit wijst op het algehele verderf van Judas, en de geestelijke oordelen, die over de Joden zijn gekomen wegens hun kruisigen van Christus. De psalmist besluit zijn vervloekingen met een ontzettend Amen, hetgeen betekent, niet alleen: "ik wens dat het zo zijn zal". maar "ik weet dat het zo zal zijn." Dit zij het werkloon mijner tegenstanders van de Heere, vers 20. En dit zal het werkloon zijn van al de tegenstanders van de Heere Jezus, Zijn vijanden, die niet willen dat Hij Koning over hen zij, zullen voorgebracht worden en voor Zijn ogen worden gedood. En eenmaal zal Hij verdrukking vergelden dengenen, die Zijn volk verdrukken.