12. Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijnen wezen genadig zijn. 13. Dat zijne nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht, nadat het eerste nog een tijd lang een treurig aanzijn heeft gehad.
De ongelovige Joden zijn in hunnen haat tegen den Heere Jezus zo ver gegaan; dat zij de drie letters van Zijnen (Kabbalistisch geschreven) naam wvy tot een verwenschings-akrostichon hebben misbruikt, dat is tot een zin, waarvan de beginletters van ieder woord te zamen dat woord uitmaken en waarvan de zin ene vervloeking is; dit grondt zich op de laatste woorden van Vers 13: "hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht," en luidt: Zijn naam en Zijne gedachtenis worde uitgedelgd. Zij zijn echter zelf degenen, die het gespuis van den "zoon der verderfenis" (Johannes 17:12) uitmaken en op wie inderdaad ook David's vloek tot op den huidigen dag kleeft. Gelijk reeds uiterlijk de naam van Judas en die van de Joden overeenkomst hebben, zo behoren beide ook innerlijk bij elkaar als die "niet gewild hebben", maar den rijkdom der wereld en den wereldgeest boven de armoede van Christus gesteld hebben, en daarom aan het oordeel der verharding, om in het geld te woelen (Mattheus 26:16 ) overgegeven zijn; en nu is het merkwaardig, hoe het Joodse volk, als volk met land en stad, werkelijk "in het andere geslacht" (elk geslacht op dertig jaren gerekend) is ten ondergegaan (namelijk 40 jaren na den dood van Christus), en hoe zijn lot sedert de verstrooiing over de gehele aarde slechts een vervulling van het in Vers 10, gezegde is..