20. Dit zij het werkloon mijner tegenstanders (
Vers 4) van den HEERE, en dergenen, die kwaad spreken tegen mijne ziel (
Vers 2,
3).
Dat hier en elders zulke bittere klachten en zware vloeken voorkomen, heeft men aldus te verklaren: Bij onschuldig lijden is er tweeërlei in het hart, eensdeels een gevoel, dat de lijder noodzakelijk heeft van het onrecht, dat hem wordt aangedaan en tevens ook van de aanspraak, die hij heeft op de gerechtigheid van God; aan de andere zijde het geduld of de sterkte des harten, waarmee hij de gevoeligheid overwint en zijne aanspraken op de gerechtigheid Gods geheel en al in voorbede verandert. Deze beden kunnen op eens in het binnenste van den lijder oprijzen, maar het kan niet op eens worden voorgesteld en onder dezelfde woorden worden begrepen. Daarom is het zo verdeeld, dat het ene in de lijdenspsalmen is voor ogen gesteld, en toch het andere onder het werkelijke lijden in het Lam Gods is gezien. Het eerste voegt bovendien beter in de Schriften van het Oude Testament en bij de wijze, waarop de Geest Gods toen van het lijden getuigd heeft, toen het geheim van het kruis nog niet duidelijk verklaard was; het andere daarentegen komt meer overeen met den aard des Nieuwen Testaments, toen de hoop der heerlijkheid onder het lijden reeds meer te voorschijn was getreden, en de Geest Gods als een Geest der heerlijkheid op den lijdende rustte, en das de onderworpenheid en het geduld ook meer volkomen kon zijn. Hierboven wordt op deze wijze ook iets tot waarschuwing geplaatst, dat men uit het zwijgen en het geduld van den lijder gene aanleiding neme, om zich des te misdadiger aan hem te bezondigen, maar dat men zou bedenken, wat te voren over Zijne vijanden gesproken en geschreven was, zo heeft het ook onze lieve Heiland aan Judas naast elkaar voorgelegd (Mattheus 26:24): "De Zoon des mensen gaat wel heen, maar wee dien mens, door welken de Zoon des mensen verraden wordt.".
Bij die verwensingen heeft men steeds in het oog te houden, dat David, toen hij deze vervloekingen uitsprak, geenszins door grenzeloze, vleselijke drift is vervoerd geweest en evenmin van zijne eigene zaak handelde. Overmits David veeleer sprak door den Heiligen Geest, zo is zijn vloek ook meer te beschouwen alsof God dien zelf van den hemel afdonderde. Terwijl hij dus van de ene zijde Gods wrake verkondigt, onderdrukt Hij tevens bij ons alle kwade begeerte, om ons zelven te wreken, en verleent ons van den anderen kant in onze droefheid den troost, waardoor wij de miskenning, die wij ondervinden, geduldig verdragen kunnen. En dewijl het ons nog niet gegeven is de uitverkorenen van de verworpenen te onderkennen, zo moeten wij voor allen leren bidden, die ons leed doen, en het heil van het ganse mensengeslacht leren wensen, ja, ook voor de redding van den enkelen persoon in het bijzonder leren bezorgd zijn. Maar dat verhindert niet, dat wij, indien ons hart slechts rein en bedachtzaam is, ook stoutweg op Gods oordeel ons mogen beroepen, dat Hij den beslist goddeloze ombrenge..
Zij, die Christus verwerpen, verwerpen de fontein van zegen, en kiezen een vloek tot hun deel, die hun zeker in volle mate zal gegeven worden. De vloek, die op de gehele Joodse natie ligt, wordt vergeleken bij een kleed, dat den gehelen mens overdekt, en is als een gordel om de lendenen gesloten; bij water, dat door al de ingewanden is gegaan, en bij olie, die van zelf indringt in de beenderen, waarop zij de pijnlijkste uitwerkingen heeft. Indien dit in deze wereld de vijanden van den Messias wacht, wat zal daarna het deel zijn van hen, die Hem op nieuw kruisigen (Hebreeën 6:6). En wat zal het gevolg zijn van het vonnis: "Ga weg, gij vervloekte!" op de lichamen en zielen der goddelozen? Hoe zal het alle gewaarwordingen aandoen van de eersten, en alle krachten van de laatsten met pijn, angst, schrik en wanhoop! Denkt aan deze dingen, zondaars, siddert en bekeert u..
Er is geen rechtvaardiger beloonster dan de zonde, haar loon is altijd geëvenredigd aan het werk, niemand kan zich over haar beklagen. Ook een Judas niet, want de Goddelijke rechtvaardigheid heeft het verband gelegd tussen de zonde en haar bezoldiging..
21.
III. Vers 21-31. Op den donder en de bliksemen in de vorige afdeling volgt nu ene uitstorting van tranen in ene diepe weemoedige klacht over de ellende, waarin David zich te dien tijde bevindt (22-25); gelijk bij de klacht met bidden en smeken om des Heren bijstand is begonnen (Vers 21), zo gaat zij ook spoedig weer over in bidden en smeken om een gezegend einde van den tegenwoordigen tijd van lijden (Vers 26-29), en van zulk ene uitkomst wordt de ernstige bidder nog onder zijn smeken zo zeker, dat hij reeds nu den dank gereed heeft, waarmee hij de ere des Heren in de gemeente zal roemen (Vers 30, 31). 21. Maar gij, o HEERE Heere! maak het in tegenoverstelling van degenen, die tegen mij zijn en kwaad tegen mijne ziel spreken (Vers 20), met mij om Uws naams wil, handel met mij, gelijk Uwe zo dikwijls mij bewezene genade het beloofde; dewijl Uwe goedertierenheid goed is, de bron is van alle goed, verlos mij!