Psalm 59:9-18
Met betrekking tot de dreigende macht van zijn vijanden schept David hier moed door het vrome besluit te nemen om op God te wachten, en door de gelovige verwachting dat hij Hem nog zal loven.
I. Hij besluit op God te wachten, vers 10. "Vanwege zijn sterkte" hetzij de sterkte van zijn vijanden, de vrees waarvoor hem uitdreef tot God, of vanwege Gods sterkte, de hoop waarop hem heentrok naar God, zal ik op U wachten met een gelovig betrouwen op U." Het is onze wijsheid en onze plicht om in tijden van gevaar en moeilijkheid op God te wachten, want Hij is ons hoog vertrek, onze sterkte, waarin wij veilig zullen zijn. Hij hoopt:
1. Dat God hem een God van goedertierenheid zal zijn, vers 11. "De God van mijn goedertierenheid zal mij voorkomen met de zegeningen van Zijn goedheid, zal mijn vrees voorkomen mijn gebeden voorkomen, beter voor mij zijn dan mijn eigen verwachtingen." Het is in het gebed zeer troostrijk voor ons om God te beschouwen, niet alleen als de God van goedertierenheid, maar als de God van onze goedertierenheid, als de oorsprong van alle goed in ons en de gever van alle goed aan ons. Welke goedertierenheid er ook is in God, zij is voor ons weggelegd en ligt gereed om aan ons besteed te worden. Zeer terecht noemt de psalmist Gods goedertierenheid "zijn goedertierenheid," want al de zegeningen van het nieuwe verbond worden "de betrouwbare genadebewijzen aan David" genoemd, Jesaja 55:3, en zij zijn vast al de dagen.
2. Dat Hij voor zijn vervolgers een God van de wraak zal zijn. Zijn verwachting hiervan drukt hij uit deels bij wijze van voorzegging en deels bij wijze van smeking, hetgeen geheel op hetzelfde neerkomt, want zijn gebed dat het zo mocht wezen staat gelijk met een profetie dat het zo zijn zal. Hier zijn verscheidene zaken die hij voorzegt betreffende zijn vijanden of verspieders, die gelegenheid tegen hem zochten om hem kwaad te doen, in die allen zal hij zijn begeerte, geen hartstochtelijke of wraakgierige begeerte, maar zijn gelovige begeerte aan hen zien, vers 11.
A. Hij voorzegt dat God hen zal blootstellen aan verachting, daar zij zich inderdaad bespottelijk hebben gemaakt, vers 9. "Zij denken dat God hen niet hoort, geen acht op hen slaat, maar Gij, Heere, lacht om hen Gij spot met hun dwaasheid, dat zij denken dat Hij, die het oor geplant heeft, niet zal horen, en Gij zult hen niet alleen, maar alle anderen van zulke heidenen die zonder God in de wereld leven, bespotten." Atheïsten en vervolgers zijn het waard, om belachen, bespot te worden. Zie Psalm 2, Spreuken 1:26, Jesaja 37:22.
B. Dat God hen tot blijvende toonbeelden zal stellen van Zijn gerechtigheid, vers 12. Dood hen niet, laat hen niet dadelijk gedood worden, opdat mijn volk het niet vergete. Als de strafvoltrekking spoedig voorbij is, dan zal de indruk, die er door teweeggebracht is, niet diep zijn, en dus ook niet blijvend, maar spoedig uitslijten, een snel verderf doet de mensen voor het ogenblik opschrikken, maar het is spoedig vergeten, daarom bidt hij dat het langzamerhand en trapsgewijze zal geschieden. "Doe hen omzwerven door Uw macht, en laat hen bij hun omzwervingen zulke tekenen mededragen van Gods misnoegen, dat de kennis van hun straf door alle delen des lands verspreid wordt." Zo werd Kaïn zelf, hoewel hij een moordenaar was, niet gedood, opdat de wraak niet zou worden vergeten, maar werd hij veroordeeld om zwervende en dolende te zijn op de aarde. Als wij denken dat het lang duurt eer Gods oordelen over de zondaars komen, dan moeten wij daaruit opmaken dat God heilige en wijze doeleinden heeft met deze trapsgewijze werkingen van Zijn toorn. Doe hen zo omzwerven, dat zij verstrooid worden en zich nooit meer kunnen verenigen om kwaad te doen, werp hen neer, o Heere, ons schild." Als God de bescherming van Zijn volk op zich heeft genomen als hun schild, dan zal Hij ongetwijfeld allen vernederen en ter nederwerpen, die tegen hen streden.
C. Dat er naar verdienste met hen gehandeld zal worden, vers 13. Om de zonde van hun mond, om het woord van hun lippen (want er is zonde in ieder woord dat zij spreken), laat hen gevangen worden in hun hoogmoed, namelijk voor hun vloeken van anderen en van zichzelf, een zonde, waaraan Saul zich had overgegeven 1 Samuël 14:28, 44) en hun liegen. Er is zeer veel boosaardigheid in zonden van de tong, meer dan men in het algemeen denkt. Vloeken en liegen en hovaardig spreken zijn sommige van de ergste zonden van de tong, en die mens is in waarheid rampzalig, met wie God handelt naar hij hierin verdient, hun eigen tong doen aanstoten.
D. Dat God zich in hun verderf zal verheerlijken als Israëls God en Koning, vers 14. "Verteer hen in grimmigheid, verteer hen, volg hen met het een oordeel na het andere, totdat zij volkomen verdaan zijn, laat hen merkbaar maar trapsgewijze verteerd worden, opdat zij zelf, terwijl zij aldus verteerd worden, zullen weten, en de omstanders er ook deze gevolgtrekking van zullen afleiden, dat God heerser is in Jakob, ja tot aan de einden van de aarde." Saul en zijn aanhangers denken te heersen en alles aan zich te onderwerpen, maar hun zal kond worden gedaan dat er Eén is, hoger dan zij, dat er Eén is, die over hen heerst en over hen zal heersen. Het doel van Gods oordelen is de mensen ervan te overtuigen dat de Heere regeert, dat Hij Zijn eigen raad volbrengt, aan al de schepselen wet geeft, en alles regelt en beschikt tot Zijn eer, zodat de grootsten, de voornaamsten van de mensen onder Zijn bedwang zijn, en Hij gebruikt hen voor hetgeen Hem behaagt. Hij heerst in Jakob want daar houdt Hij Zijn hof, daar is Hij bekend en is Zijn naam groot. Maar Hij heerst tot aan het einde van de aarde, want alle natïen zijn binnen Zijn rijksgebied. Hij heerst tot aan het einde van de aarde, zelfs over degenen die Hem niet kennen, maar Hij heerst voor Jakob zo kan het gelezen worden, in de regering van de wereld beoogt Hij het goede voor Zijn kerk, dat bestuur tot aan de einden van de aarde "ter wille van mijn knecht Jacob en van Israël mijn uitverkorene," Jesaja 45:4.
E. Dat Hij hun zonde tot hun straf zou maken, vers 15, vergelijk vers 7. Hun zonde bestond in het jacht maken op David, om hem tot hun prooi te maken, hun straf zou zijn dat zij tot zo'n uiterste armoede zouden vervallen, dat zij jacht zullen maken op spijs om hun honger te stillen, maar die niet zouden vinden, zoals zij ook David niet vonden. Aldus zouden zij niet terstond gedood worden, maar verstrooid worden, daar zij omzwervende zijn vers 12, en langzamerhand verteerd worden vers 16. Zij, die van honger sterven, sterven langzaam en voelen zich sterven, Klaagliederen 4:9. Hij voorzegt dat zij genoodzaakt zullen zijn om van huis tot huis te bedelen om brood.
a. Dat zij dit met de grootste weerzin zullen doen te bedelen schamen zij zich (waardoor het een zoveel zwaardere straf voor hen wordt), en daarom doen zij het des avonds, als het donker begint te worden, teneinde niet te worden gezien, ten tijde als andere roofdieren tevoorschijn komen, Psalm 104:20.
b. Maar dat zij toch zeer luidruchtig zullen zijn in hun klachten, die voortkomen uit toorn over hun toestand, waarmee zij zich hoegenaamd niet kunnen verzoenen. Laat hen tieren als een hond. Toen zij David zochten, tierden zij als een kwade hond, grommende en blaffende, nu zij voedsel voor zich zoeken, tieren zij als een hongerige hond, huilende en jankende. Zij, die berouw hebben van hun zonden, kirren als zij in benauwdheid zijn, gelijk de duiven, zij wier hart verhard is, maken getier als zij in benauwdheid zijn, gelijk honden, "als een wilde vos in het net, vol van de grimmigheid des Heeren." Zie Hosea 7:14." Zij roepen niet tot Mij met hun hart, wanneer zij huilen op hun legers om koren en most."
c. Dat zij weinig hulp of ondersteuning zullen verkrijgen, daar de mensen hun hart tegen hen zullen verharden. zodat zij rondom de stad gaan, en omzwerven om te eten, vers 16, en niets door dringen of vragen verkrijgen, en vernachten, al zijn zij niet verzadigd, zodat, indien de mensen hun geven, het niet is uit welwillendheid, maar slechts om van hen af te komen, opdat zij hun door hun aanhoudend komen niet lastig zouden zijn.
d. Dat zij onverzadelijk zullen zijn, hetgeen in een toestand van armoede wel de grootste ellende is. "Deze honden zijn sterk van begeerte, zij kennen geen verzadiging," Jesaja 56:11, en zij murmureren, als zij niet verzadigd worden, vers 16. Een mens van een tevreden gemoedsaard zal, als hij niet heeft wat hij zou willen hebben, toch niet murmureren, niet twisten met Gods voorzienigheid, noch bij zichzelf er om kniezen, maar zij wier god hun buik is, zullen, indien deze niet gevuld wordt aan zijn lusten niet wordt voldaan, twisten met God en met zichzelf. Niet armoede maar ontevredenheid is het, die een mens ongelukkig maakt.
II. Hij verwacht God te zullen loven, dat Gods voorzienigheid hem oorzaak zal geven tot lof en dank, en dat Gods genade hem een hart zal geven om te loven, vers 17-18.
Merk op:
1. Waarvoor hij God zal willen loven.
a. Hij zal Zijn sterkte en goedertierenheid loven, beide zullen het onderwerp zijn van zijn lied. Sterkte zonder goedertierenheid is te vrezen, goedertierenheid zonder sterkte is iets waarvan een mens niet veel voordeel kan verwachten, maar Gods sterkte, waardoor Hij in staat is ons te helpen, en Zijn goedertierenheid, die Hem neigt, Hem gezind maakt, ons te helpen, zal de eeuwigen lof van al de heiligen rechtvaardigen.
b. Hij wil Hem loven, omdat hij Hem menigmaal en gedurig bevonden heeft zijn hoog vertrek te zijn en zijn toevlucht ten dage als hij bang was. God brengt Zijn volk in benauwdheid, opdat zij Zijn sterkte en goedertierenheid zullen ervaren in hen te beschermen en te beschuiten, en aanleiding zullen hebben om Hem te loven.
c. Hij wilde Hem loven omdat hij nog op Hem steunde en vertrouwde als zijn sterkte, om hem te schragen en door te helpen in het volbrengen van zijn plicht, als zijn hoog vertrek om hem veilig te bewaren tegen kwaad, en als de God van zijn goedertierenheid om hem gelukkig en gerust te maken. Hij, die dit alles voor ons is, is voorzeker wel al onze liefde, al onze lof en al onze diensten waardig.
2. Hoe hij God wilde loven. a. Hij wilde zingen. Gelijk dit een natuurlijke uitdrukking is van blijdschap, zo is het ook een ingestelde dienst om heilige vreugde en dankbaarheid te oefenen en op te wakken.
b. Hij wilde luid zingen, -vrolijk roemen als een, die diep getroffen is door de heerlijkheid Gods, zich niet schaamt om dit te erkennen en wenst dat ook anderen er door getroffen zullen worden. Hij wil zingen van Gods sterkte, maar Zijn goedertierenheid wil hij vrolijk roemen, de gedachte daaraan wekt meer dan iets anders, zijn genegenheid op.
c. Hij wilde des morgens vrolijk roemen, als zijn geest fris en opgewekt is, Gods ontfermingen zijn allen morgen nieuw, en daarom is het voegzaam om de dag te beginnen met Zijn lof.
d. Hij wilde Gode psalmzingen, vers 18, tot Zijn eer en heerlijkheid, en Hem voor ogen hebbende. Gelijk wij onze gebeden tot God moeten richten, zo moeten wij ook tot Hem onze lof richten en opzien, psalmen zingende voor de Heere.