8. Dat zijne dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt.
Het is niet slechts ene toepassing, die Petrus in Hand 1:20 van de voor ons liggende woorden maakt, wanneer hij ze toepast op Judas den verrader des Heren, maar hij spreekt duidelijk en ondubbelzinnig uit, dat zij in den eigenlijken zin dit kind des verderfs bedoelen, en reeds te voren bepalen, wat na zijn ondergang met het ambt moest geschieden, waaruit hij was gestoten. Het is nu met den hier uitgesproken vloek zo gelegen als Chrysostomus zegt: de ara (verwensing) is profhteia en eidei arav (ene voorzegging in den vorm van ene verwensing). Zulk ene voorspelling was daarom voor David mogelijk, omdat, gelijk Petrus uitdrukkelijk opmerkt, niet eigenlijk hij, David, maar door den mond van David de Heilige Geest de woorden gesproken heeft, en zij is ook in Judas, op wie zij doelt, volkomen vervuld. "Zijne overeenkomst met de overpriesters, welke hunnen satanischen geest in de wegwerping van het gebruikte werktuig bewijzen (Mattheus 27:3); zijne Judas-boete, die ondanks de erkende misdaad het hart van God niet meer kan vinden; zijn verbond met den satan, die hem eerst door glinsterende zilverlingen lokt, en daarna voor de rechtbank van het geweten zijn vreselijke aanklager wordt; die hem tot wanhoop voert; zijn plotseling afgesneden levensdraad en het verlies van zijn ambt, dat aan enen anderen gegeven wordt (Handelingen 1:26), bewijzen dit op ene wonderbaar overeenkomende wijze." Opdat nu David bij de voorzegging niet maar een bloot spraakwerktuig zonder gevoel en wil zou zijn, heeft hij in zijn persoonlijk leven, gelijk wij daarop hij 2 Samuël 15:31 gewezen hebben, een voorbeeld van den toekomstigen verrader in den trouwelozen vriend Achitofel. Dat hij nu hier niet, gelijk op de boven aangehaalde plaats bij de enkele bede blijft: "Heere! maak Achitofels raad tot dwaasheid", maar in zulke vreselijke verwensingen uitbarst, wordt verklaard uit de diepte van het bewustzijn, dat hem bij de vervaardiging van den Psalm vervult, uit zijn "zien op Christus", dat-wij weten niet hoe lang na die geschiedenis-met den geest der profetie over hem komt. "Er was toen op aarde geen reiner persoon, dan die van David, den gezalfde van Jakobs God (2 Samuël 23:1 ), den voorvader van Jezus (Christus; deze was in David, terwijl Hij door David zijnen Oud-Testamentischen weg nam en Davids geschiedenis tot ene type van zijne toekomstige vormde. Vervolging van David was alzo bekendmaking niet alleen aan David zelven, maar ook aan den Christus in hem, en omdat Christus in David is, vermengt zich met zijnen toorn over zijne tegenwoordige vijanden de toorn van Christus over Zijne toekomstige, zodat ook deze Psalm, evenals Psalm 22, een typisch profetische is, terwijl geschiedkundige uitspraak van het voorbeeld door de profetische uitspraak van het in hem wonend tegenbeeld boven zichzelven wordt verheven.".
Vele uitleggers geven ene andere verklaring: "Deze plaats wordt Handelingen 1:20 op Judas toegepast, niet als bepaalde profetie, maar ene toespraak van de hier uitgesprokene wet der vergelding op de hoofdvijanden van den Rechtvaardige zonder gelijkenis.".
Michaëlis, Knapp, Hitzig, de Wette, willen het woord "ambt", evenals Jesaja 15:7, "het bespaarde", "de have" vertalen, waarvoor de laatste alleen als reden opgeeft, dat ene profetie van Judas te speciaal zou zijn! Waarmee rechtvaardigt Petrus eeuwen daarna de keuze van Matthias tot het Apostolaat in plaats van den ongelukkigen Judas? door een beroep op dit dichterlijk Psalmwoord. Toch wel niet, omdat hij meende, dat den dichter het beeld van een hem geheel onbekenden verrader voor den geest had gestaan? Neen, maar omdat deze als de verpersoonlijkte boosheid, de vloekwaardige bij uitnemendheid was, aan wien dus de volle maat moest vervuld worden van wat immer als Gods gericht aan een bitteren vijand was toegewenst, en in wien ene vernedering haar toppunt bereiken moest, waarvan vroeger ambtontzetting in zeker opzicht schaduwbeeld heten mocht..