Johannes 1:1-5
Augustinus zegt (de Civitate Dei, lib. X. cap. 29) dat zijn vriend Simplius hem heeft verhaald hoe hij een Platonisch wijsgeer had horen zeggen, dat deze eerste verzen van Johannes' Evangelie waard waren om in letters van goud te worden geschreven. En de geleerde Franciscus Junius verhaalt in zijn eigen levensbeschrijving, dat hij in zijne jeugd loszinnige denkbeelden had omtrent den Godsdienst, maar door Gods genade op wonderbaarlijke wijze terecht gebracht werd door, als bijgeval, deze verzen te lezen in een Bijbel, dien zijn vader opzettelijk ergens neergelegd had, waar zijn oog er op vallen moest. Hij zegt zozeer getroffen te zijn geweest door het Goddelijke van den inhoud en het majestueuze van den stijl, dat hij sidderde, en zo verbaasd was, dat hij dien gehelen dag nauwelijks wist waar hij was of wat hij deed, en van dat ogenblik dateert hij het begin van zijn Godsdienstig leven. Laat ons dan nu eens nagaan wat er in die zo krachtige regelen gelegen is. De evangelist stelt hier de grote waarheid vast, die hij voorstelt te bewijzen, nl. dat Jezus Christus God is, een met den Vader. Merk op:
I. Van wie hij spreekt, het Woord, ho Logos. Het is een idioom, dat bijzonder aan de geschriften van Johannes eigen is. Zie 1 Johannes 1, 5:7, Openbaring 19:13. Maar sommigen denken, dat Christus bedoeld is met het Woord in Handelingen 20:32, Hebreeën 4:12, Lukas 1:2. De Chaldeeuwse parafrase noemt den Messias zeer dikwijls Me'emra, het Woord van Jehova, en spreekt van vele dingen in het Oude Testament, gezegd door den Heere te zijn gedaan, als gedaan door dat Woord des Heeren. Zelfs den Joden werd geleerd, dat het Woord Gods hetzelfde is als God. Aan het einde zijner rede, vers 18, zegt de evangelist ons duidelijk waarom hij Christus het Woord noemt-nl. omdat Hij is de eniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, en Hem ons heeft verklaard. Woord is tweeledig: Logos endiathetos -het woord gedacht, en logos prophorikos het woord uitgesproken. Het logos ho esoo en ho exoo, ratio en oratio - begrip en uiting. Er is dus het gedachte woord, dat het eerste en enig onmiddellijke voortbrengsel is van de ziel (al wier werkingen geschieden door denken) en een is met de ziel. En zo wordt dus de tweede Persoon in de Drie-eenheid gevoeglijk het Woord genoemd, want Hij is de eengeborene van den Vader, die eeuwige essentiële Wijsheid, welke de Heere bezat, zoals de ziel de gedachte bezit, in het beginsel Zijns wegs, Spreuken 8:22. Er is niets, waarvan wij meer zeker zijn dan dat wij denken, en toch niets waaromtrent wij meer in het duister zijn dan hoe wij denken, wie kan het ontstaan der gedachte in de ziel verklaren? Dan, voorwaar, kan ook de voortbrenging en geboorte van den eeuwigen geest wel erkend worden te behoren tot de grote verborgenheden der Godzaligheid, waarvan wij de diepte niet kunnen peilen, terwijl wij haar toch aanbidden. 2. Er is het geuite woord, en dat is de spraak, het voornaamste en natuurlijkste kenteken van den geest. En aldus is Christus het Woord, want door Hem heeft God in deze laatste dagen tot ons gesproken, Hebreeën 1:1, en ons bevolen Hem te horen, Mattheus 17:5. Hij heeft ons Gods wil en bedoeling bekend gemaakt, zoals iemands woorden en sprake zijne gedachten bekend maken, zo ver het hem behaagt, en niet verder. Christus wordt de wondervolle Spreker genoemd, die verborgen dingen spreekt. (Zie Daniël 8:13 in de kanttekening op den Statenbijbel). Hij is het Woord, sprekende tot ons van God, en tot God voor ons. Johannes de Doper was de stem, maar Christus het Woord. Het Woord zijnde, is Hij de Waarheid, de Amen, de getrouwe Getuige van den wil en de bedoeling Gods.
II. Wat hij van Hem zegt, genoeg om zonder enige tegenspraak te bewijzen, dat Hij God is. Hij verklaart en stelt vast: 1. Zijn bestaan in den beginne. In den beginne was het Woord. Dit duidt Zijn bestaan aan, niet slechts voor Zijne menswording, maar ook voor allen tijd. Het begin van den tijd, toen alle schepselen werden voortgebracht, vond dit eeuwige Woord reeds in wezen. De wereld was van den beginne, maar het Woord was in den beginne. De eeuwigheid wordt gewoonlijk uitgedrukt als zijnde voor de grondlegging der wereld. Aldus wordt de eeuwigheid van God aangeduid en beschreven. Eer de bergen geboren waren, Psalm 90:2, zo ook Spreuken 8:23. Het Woord was in wezen, voordat de wereld een begin had. Hij, die was in den beginne, heeft nooit een begin gehad, en dus was Hij eeuwig, achronos -zonder begin van tijd, zegt Nonnus.
2. Zijn gelijktijdig bestaan met den Vader: Het Woord was bij God en het Woord was God. Laat niemand zeggen, dat wij, hen uitnodigende om tot Christus te komen, hen van God willen afleiden, want Christus is bij God en is God, dit wordt herhaald in vers 2. Dit, waarin wij geloven en dat wij prediken, was in den beginne bij God, dat is: Hij was dit van eeuwigheid af. In den beginne was de wereld van God, daar zij door Hem was geschapen, maar het Woord was bij God, daar het altijd bij Hem geweest is. Het Woord was bij God:
a. In wezen en zelfstandigheid, want het Woord was God: een onderscheiden Persoon, want Hij was bij God, en toch dezelfde in wezen, want Hij was God, Hebreeën 1:3.
b. In welbehagen en gelukzaligheid. Er was ene heerlijkheid en zaligheid, die Christus bij God had eer de wereld was, Hoofdstuk 17:5, de Zoon oneindig gelukzalig in den schoot Zijns Vaders, en niet minder des Vaders verlustiging, de Zoon Zijner liefde, Spreuken 8:30.
c. In raad en bedoeling. De verborgenheid van des mensen verlossing door dit Woord, dat vlees is geworden, was voor alle eeuwen verborgen in God, Efeze 3:9. Hij, die het ondernomen heeft ons tot God te brengen, 1 Petrus 3:18, is zelf van eeuwigheid af bij God geweest, zodat deze grote zaak van der mensen verzoening met God van eeuwigheid af tussen Vader en Zoon was overeengekomen, en die beiden verstaan elkaar volkomen hierin, Zacheria 6:13, Mattheus 11:27. Hij was als een voedsterling bij Hem voor dezen dienst, Spreuken 8:30. Hij was bij God, en daarom wordt Hij gezegd van den Vader te zijn uitgegaan.
3. Zijn werkzaam zijn in de schepping der wereld, vers 3. Dit wordt hier:
a. Uitdrukkelijk verklaard: Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt. Hij was bij God, niet alleen in dier voege, dat Hij bekend was met de Goddelijke raadsbesluiten van eeuwigheid af, maar om werkzaam te zijn in hetgeen God deed in het begin des tijds. Toen was ik bij Hem, Spreuken 8:30. Door een woord heeft God de wereld gemaakt, Psalm 33:6, en dat Woord was Christus. Door Hem, niet als een ondergeschikt werktuig, maar als gelijke mede-arbeider, heeft God "de wereld gemaakt", Hebreeën 1:2, niet als de werkman houwt met zijne bijl, maar gelijk het lichaam ziet met het oog.
b. Het tegendeel wordt ontkend: Zonder hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is, van den hoogsten engel tot den geringsten worm. In dat werk deed God de Vader niets zonder Hem. Dit nu bewijst dat Hij God is, want die dit alles gebouwd heeft, is God, Hebreeën 3:4. De God Israël's heeft zich hiermede dikwijls bewezen God te zijn, dat Hij alle dingen gemaakt heeft, Jesaja 40:12, 28, 41:4, Jeremia 10:11, 12. Het bewijst de uitnemendheid van den Christelijken Godsdienst, dat de Oorsprong en Grondlegger er van dezelfde is als de Oorsprong en Grondlegger der wereld. Hoe voortreffelijk moet die instelling zijn, die hare inrichting ontleent aan Hem, die de Bron is van alle uitnemendheid! Als wij Christus vereren, dan vereren wij Hem, aan wie de aartsvaders ere gaven als den Schepper der wereld, en van wie alle schepselen afhankelijk zijn. Dit toont hoe bevoegd en geschikt Hij was voor het werk onzer verlossing en zaligheid. Er is hulpe besteld bij een, die waarlijk een Held, een Machtige is, want zij werd besteld bij Hem, die alle dingen gemaakt heeft, en Hij is gesteld tot Werker van onze zaligheid, die de Werker is van ons bestaan.
4. De oorsprong van licht en leven, die in Hem is: In hetzelve was het leven, vers 4. Dat bewijst verder, dat Hij God is, en in elk opzicht geschikt voor Zijne onderneming, want Hij heeft leven in zich zelven, Hij is niet slechts de ware God, maar de levende God. God is leven, Hij zweert bij zich zelven, als Hij zegt: Zo waarachtig als Ik leef. b, Alle levende schepselen hebben hun leven in Hem, niet slechts was al de stof der schepping door Hem gemaakt, maar al het leven in de schepping is aan Hem ontleend en wordt door Hem onderhouden. Het was het Woord Gods, dat het gewemel van levende zielen heeft voortgebracht, Genesis 1:20, Handelingen 17:25. Hij is het Woord, bij hetwelk de mens meer leeft dan bij brood, Mattheus 4:4.
c. Redelijke schepselen hebben hun licht van Hem, het leven, hetwelk het licht der mensen is, komt van Hem. Het leven in den mens is iets groters en verheveners dan het in andere schepselen is, het is redelijk, en niet bloot dierlijk. Toen de mens een levende ziel werd, was zijn leven licht, zijne vermogens en vatbaarheden onderscheidden hem van, en gaven hem waardigheid boven, de dieren, die vergaan. De ziel des mensen is ene lamp des Heeren, en het was het eeuwige Woord, dat deze lamp ontstoken heeft. Het licht der rede is, evenals het leven der zinnen, aan Hem ontleend en van Hem afhankelijk. Dit bewijst, dat Hij geschikt is om onze zaligheid te werken, want leven en licht, geestelijk en eeuwig leven en licht, zijn de twee grote dingen, díe de gevallen mens, die zozeer onder de macht ligt van dood en duisternis, nodig heeft. Van wie kunnen wij eerder het licht der Goddelijke openbaring verwachten dan van Hem, die ons het licht der menselijke rede schonk? En indien, toen God ons natuurlijk leven gaf, dat leven in Zijn Zoon was, hoe bereid moesten wij dan niet zijn om het Evangelie-verhaal aan te nemen en te geloven, dat Hij ons eeuwig leven heeft gegeven, en dat ook dit leven is in Zijn Zoon!
5. De openbaring van Hem aan de kinderen der mensen. Men zou de tegenwerping kunnen maken: Indien dit eeuwige Woord aldus alles in alles was bij de schepping der wereld, hoe komt het dan, dat Hem zo weinig opmerking werd geschonken? Hierop antwoordt hij, vers 5. Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen. Merk op:
a. De ontdekking van het eeuwige Woord aan de gevallen wereld, zelfs nog voor dat het vlees is geworden: Het licht schijnt in de duisternis. Licht is klaarblijkelijk, en doet zich kennen, dit licht, van hetwelk het licht der mensen komt, heeft geschenen, en schijnt nog.
Als God schijnt het eeuwige Woord in de duisternis van het natuurlijk geweten. Hoewel de mensen door den val duisternis geworden zijn, is toch hetgeen van God gekend kan worden, in hen geopenbaard, Romeinen 1:19. 20. Het licht der natuur is dat licht, hetwelk in de duisternis schijnt. Geheel het menselijk ge- slacht heeft een innerlijk besef, ene bewustheid van iets van de kracht van het Goddelijk Woord, scheppende, zowel als gebiedende, zonder die bewustheid, welke alle mensen met zich omdragen, zou de aarde een hel zijn, een plaats der buitenste duisternis. Geloofd zij God, dat dit nog zo niet is. Het eeuwige Woord heeft als Middelaar geschenen in de duisternis van de Oud-Testamentische typen en beelden, en de profetieën en beloften van den Messias van den beginne. Hij, die geboden heeft, dat het licht van deze wereld uit de duisternis zou schijnen, is zelf gedurende langen tijd een licht geweest. schijnende in de duisternis, er was een deksel op dat licht, 2 Corinthiërs 3:13.
b. De onmacht der ontaarde wereld om deze ontdekking te ontvangen en te geloven: De duisternis heeft hetzelve niet begrepen, de meeste mensen hebben de genade Gods in deze ontdekkingen tevergeefs ontvangen. De wereld van het mensdom begreep het natuurlijke licht niet, dat in hun verstand was, maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen, betreffende den eeuwigen God en het eeuwige Woord, Romeinen 1:21, 28. De duisternis van dwaling en zonde overweldigde en verduisterde dit licht. God spreekt eens of tweemaal, doch men let daar niet op, Job 33:14. De Joden, die het licht des Ouden Testaments hadden, hebben er toch Christus niet in begrepen. Gelijk er een deksel was op Mozes' aangezicht, zo was er ook een deksel op het hart des volks. In de duisternis van de typen en afschaduwingen heeft het licht geschenen, maar zo groot was de duisternis van hun verstand, dat zij het niet konden zien. Daarom was het nodig, dat Christus zou komen, om zowel de dwalingen der heidenwereld te herstellen, als de waarheden der Joodse kerk te volmaken.