10 Dat door deze vrouw de stad van Rome met haar heerschappij wordt verstaan, blijkt uit de gehele beschrijving die hierna volgt; inzonderheid uit het vijfde vers, waar zij het grote Babylon wordt genaamd, namelijk geestelijkerwijze verstaan, gelijk Openb. 14:8; 16:19; en uit het volgende negende vers, waar van den engel verklaard wordt, dat de zeven hoofden van dit beest, waar de vrouw op zat, zijn zeven bergen; en uit het laatste vers, waar uitdrukkelijk wordt gezegd, dat deze vrouw is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde, hetwelk op Rome alleen past. Dit is zo klaar, dat niet alleen de voornaamste kerkvaders, en al de gereformeerde leraars het daarin eens zijn, maar ook zelfs vele pausgezinde uitleggers. Doch deze laatsten drijven, om het antichristendom van hun paus en pausdom te weren, dat dit van de stad en heerschappij van Rome moet verstaan worden, alleen terwijl zij onder het gebied der heidense keizers is geweest, en de Christenen heeft vervolgd. Namelijk omtrent driehonderd jaren na Christus' geboorte, tot de tijden van den keizer Constantijn toe. Maar dezen worden uit het vervolg van deze twee hoofdstukken lichtelijk wederlegd. Ten eerste, omdat het heidense Rome andere koningen en volken die zij onder zich heeft gebracht, niet placht haar eigen afgoderij op te dringen, maar heeft die hun gewoonlijke bijgeloof laten volgen, zelfs ook den Joden hun eigen godsdienst gelaten, totdat zij tegen haar hebben gerebelleerd. Daar deze vrouw met den kelk harer hoererij, dat is, afgoderij, alle koningen en volken dronken maakt. Ten tweede, zo kan op het heidense Rome niet gepast worden, hetgeen vers 12 wordt gezegd, dat de tien koningen die hun macht het beest hebben gegeven, op één ure hun macht ontvangen hebben met het beest, aangezien de oude Romeinen degenen die zij onder hun gebied hebben gebracht, allengskens van tijd tot tijd met geweld zich hebben onderworpen, en niet door de onderlinge bewilliging en samenspanning. Ten derde, omdat het beest en deze vrouw die daarop zit, dat is, de antichrist en de stad van Rome, hier gedurig samen worden gevoegd, daar het heidense Rome, zolang het heidens is geweest, eigenlijk de stoel van den antichrist niet is geweest, maar is die namaals eerst geworden. En daarom wordt gezegd dat het beest nog zou opkomen uit den afgrond, en daarna ten verderve gaan. Eindelijk, omdat de droevige en exemplaire ondergang van deze stad Babylon, waarvan het volgende hoofdstuk in den brede spreekt, niet kan verstaan worden van het heidense Rome, overmits hetzelve nooit zulks is overkomen, zolang het heidens is geweest; maar is daarna over de honderd jaren onder de christelijke keizers in goeden stand geweest, gelijk uit de historiën blijkt. Het is wel waar dat het daarna van de Goten, Vandalen, en anderen is ingenomen en gedestrueerd, maar is kort daarna wederom tot zijn vorigen stand gebracht, en duurt nog. Daar het openbaar is dat de ondergang van dit Babylon, waarvan in het volgende hoofdstuk gesproken wordt, nimmermeer zal eindigen, gelijk Openb. 18:2, 21 wordt betuigd. Dit is zo klaar, dat enige pausgezinde uitleggers zelven bekennen dat hetgeen hier en in het navolgende hoofdstuk geprofeteerd wordt, moet verstaan worden van de stad van Rome die tegenwoordig is; maar om het antichristendom van haar te weren, versieren zij een ander gedichtsel, namelijk dat een weinig voor het einde der wereld tien heidense koningen, men weet niet uit wat hoek der wereld, zullen komen, en met den antichrist uit den stam van Dan samenspannen, en de gehele wereld innemen, den paus van Rome verjagen, en den antichrist in zijn plaats stellen, en hun heidense afgoderij allen volken opdringen, en dit alles in drie jaren en een half voor het einde der wereld, en Rome met al haar rijkdom verbranden, en dan nog daarover rouw bedrijven, enz., hetwelk voordezen ook is wederlegd, en tegen alle menselijk oordeel en rede strijdt; gelijk de volgende verklaring ook genoegzaamlijk zal uitwijzen.
SV, Openbaring 14:8 SV, Openbaring 16:19 SV, Openbaring 17:12 SV, Openbaring 18:2 SV, Openbaring 18:21