Openbaring 7:13-17
Hier hebben wij ene beschrijving van de eer en de gelukzaligheid dergenen, die hier den Heere Jezus Christus getrouw gediend en voor Hem geleden hebben. Merk hier op:
I. Ene vraag, door een van de ouderlingen gedaan niet tot zijn eigen inlichting, maar tot onderricht van Johannes. De dienaren kunnen soms leren van de gemeente, vooral van bejaarde Christenen met ondervinding. De geringste heiligen in den hemel weten meer dan de grootste apostel op de aarde. De vraag is tweeledig.
1. Dezen, die bekleed zijn met lange witte kleren, wie zijn zij?
2. En vanwaar zijn zij gekomen? Het schijnt dat hier gesproken wordt op den toon van verwondering, gelijk in Hooglied 3:6 :Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn? Getrouwe Christenen verdienen onze aandacht en onzen eerbied. Wij moeten letten op den oprechte.
II. Het antwoord, dat door den apostel gegeven wordt, waarin hij stilzwijgend zijn eigen onwetendheid bekent en den ouderling om inlichting vraagt. Heer, gij weet het! Zij, die kennis willen opdoen, moeten zich niet er voor schamen hun eigen onwetendheid te belijden en onderricht te begeren van hen, die instaat zijn het te geven.
III. De mededeling aan den apostel verstrekt, ten opzichte van dat edele leger van martelaren, die in lange witte klederen voor den troon van God stonden, met de palmtakken van overwinning in de handen. Merk hier op:
1. De lage en jammerlijke toestand, waarin zij vroeger verkeerd hadden, zij waren in grote verdrukking geweest, vervolgd door de mensen, verzocht door den Satan, dikwijls bedroefd door hun eigen geest. Zij hadden doorgestaan de roving hunner goederen, de gevangenschap van hun personen, ja het verlies van hun leven. De weg ten hemel leidt door menigerlei verdrukkingen, maar geen verdrukking, hoe groot ook, kan ons scheiden van de liefde Gods. De verdrukkingen, die goed doorgestaan zijn, zullen den hemel meer welkom en meer heerlijk maken.
2. De middelen, waardoor zij bereid werden voor de grote eer en gelukzaligheid, welke zij nu genoten. Zij hebben hun lange klederen gewassen en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams, vers 14. Het is niet het bloed van de martelaren zelven, maar het bloed des Lams, dat de zonden kan wegwassen en de ziel rein en onbevlekt maken in de ogen van God. Ander bloed bevlekt, dit in het enige bloed, dat de klederen der martelaren wit en rein maken kan.
3. De zaligheid, waartoe zij nu gekomen zijn, nadat zij erop die wijze toe voorbereid werden.
A. Zij zijn gelukkig in hun staat, want zij zijn voor den troon van God dag en nacht, en Hij woont onder hen, zij zijn in die tegenwoordigheid, welke alleen volheid van vreugde geeft.
B. Zij zijn gelukkig in hun werk, want zij dienen God onophoudelijk, zonder zwakheid, nalatigheid of vermoeienis. De hemel is een staat van dienen, niet van lijden, het is een staat van rust, niet van ledigheid, van dankzeggende, verblijdende rust. C. Zij zijn gelukkig in hun bevrijding van al de ongemakken van het tegenwoordige leven.
a. Vrij van alle behoefte en gevoel van behoefte. Zij zullen niet meer hongeren en zullen niet meer dorsten, al hun behoeften werden vervuld, al het ongemak, daardoor veroorzaakt, is weggenomen.
b. Vrij van alle ziekte en pijn. De zon zal op hen niet meer vallen noch enige hitte.
D. Zij zijn gelukkig in de liefde en de leiding van den Heere Jezus. Hij zal hen weiden en hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren, Hij zal hen in het bezit stellen van alles, wat aangenaam en verfrissend is voor hun zielen, en daarom zullen zij niet meer hongeren of dorsten.
E. Zij zijn gelukkig omdat zij verlost zijn van alle zorgen of aanleiding daartoe. God zal alle tranen van hun ogen afwissen. Vroeger hadden zij hun smarten en vergoten vele tranen, beide over hun zonden en door droefenis, maar God zelf, met Zijn zachte en genadige hand, zal hun tranen afwissen en die zullen nooit wederkeren. En zij zouden niet zonder die tranen willen zijn, nu God zelf ze afwist. Hij behandelt hen hierin als een teder vader, die zijn geliefd kind in tranen vindt, hij vertroost het, hij droogt het de tranen af en verandert zijn droefheid in blijdschap. Dit moet de droefheid van den Christen in zijn tegenwoordigen toestand lenigen en hem ondersteunen onder al de moeiten daarvan, want die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien, en zij die nu gaan al wenende, dragende het kostelijke zaad, zullen zonder twijfel eens wederkomen, dragende hun schoven.