2. Waarmee in afgodisch verzorgen van haar aardse, wereldse belangen de koningen van de aarde gehoereerd hebben en die de aarde bewonen, die volken en mensenzielen, die, met wereldse gedachten vervuld, naar het genieten van de zonde hebben begeerd, zijn dronken geworden van de wijn van haar hoererij Re 18:3, evenals het oude Babel de oude wereld dronken heeft gemaakt met zijn gouden beker (
Jeremia 51:7).
Dat deze vrouw (Vers 3), die de engel aan Johannes wil tonen, Rome betekent, is niet te miskennen; want volgens Vers 9 zit zij op zeven bergen (Rome de stad van de zeven heuvels) en volgens Vers 18 is zij "de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen van de aarde, dat ten tijde van Johannes door haar keizers, later door haar pausen verwezenlijkt is. Het is Rome en wel Rome als vrouw, als de pauselijke kerk, wel te onderscheiden van de Katholieke kerk, van de pauselijke kerk, zoals die in de stad Rome haar beheersend middelpunt heeft. Zeker is zij niet de echte gemeente, de reine bruid van Christus, maar zij is tot een hoer neergezonken. Zo noemt reeds het Oude Testament het Israël, dat zijn Verbondsgod ontrouw geworden is en de afgoden nahoereert. Een hoer is nu ook volgens de profetie van het Nieuwe Testament die kerk geworden, die evenals vroeger Israël aanspraak maakt op de roem de alleen ware gemeente van de Heere te zijn. Zij is in inrichting, leer en werk van de enige Heer en het Hoofd van de Christelijke kerk afgevallen en zoekt in het boeleren met de wereld slechts eigen eer, eigen winst, eigen heerschappij; daarom is zij ook ieder, die haar in enig opzicht behulpzaam is, graag ter wille en versmaadt ook het verbond met het dier uit de afgrond niet, zodra zich dit leent, om haar te dragen. Zij heet een grote hoer, niet alleen om haar diepe afval, maar ook om de grote invloed, die zij uitoefent; want zij zit op vele wateren, deze wateren nu zijn volgens Vers 15 volken en schaar en natiën en tongen vier uitdrukkingen om de geestelijke macht van Rome voor te stellen als een, die zich over de meest verschillende volken naar alle delen van de wereld uitstrekt. Nog nader bestaat haar zonde daarin, dat "met haar gehoereerd hebben de koningen van de aarde en die de aarde bewonen dronken geworden zijn van de wijn van haar hoererij. " De koningen, de leidslieden van de natiën, te winnen en in haar belang over te halen, was altijd een hoofddoel van de Roomse politiek en de koningen zijn haar strikken niet ontgaan; de machtigsten van de aarde, zegt een kennen van de geschiedenis, hebben met haar geboeleerd, haar gunst gezocht, haar door geschenken aan zich proberen te verbinden, haar verrijkt, opgepronkt en versierd, zijn wel met haar nu en dan in strijd geweest, maar hebben haar altijd weer geëerd en steeds nieuwe verbintenissen en verdragen met haar gesloten. En zo zijn ook de volken van de wijn van haar hoererij dronken geworden, in zoverre die richting van Rome, om in de plaats van het geestelijk-onzichtbare, het vleselijk-zichtbare te stellen, vooral op degenen, die ook in geestelijke zin de aarde toebehoren, dus op de grote massa van die stand een dronken makende, bedwelmende werking uitoefent, zodat zij alle verstandig oordeel, alle geschiktheid tot ernstig onderzoek verliezen en in de gloeiendste hartstocht voor wat Rooms is geraken.
De hoofdtekening van de valse kerk ligt in het woord "hoer". Zij behoudt haar menselijke, haar vrouwelijke gedaante; zij wordt geen dier, zij behoudt de vorm van godzaligheid, maar verloochent haar kracht. Haar rechtmatige echtvriend, de Heere-Christus en de vreugde en goederen van Zijn huis, de onzichtbare en toekomstige, zijn haar niet meer haar één en al, maar zij loopt de zichtbare en ijdele wereld in haar verschillende vormen na. De Rooms Katholieke Kerk is niet slechts wat haar bestaan, maar ook wat haar principe aangaat, aan deze vrouw gelijk, terwijl daarentegen de Protestantse Kerk, die door Luthers dienst het zuivere Evangelie en het ware sacrament heeft weer ontvangen, volgens haar principe, haar geloofsgrond een kuise vrouw is; de reformatie was een reactie van de heilige vrouw (Hoofdstuk 12) tegen de gevallene.
Hoe is het gekomen, dat de volken de hoer en het schandelijk juk van hun heerschappij zo lang droegen? Volken laten alleen op den duur op zich zodanige ruiters zitten, met wie zij in werkelijkheid een van zin zijn, die aan hun belangen en behoeften, hun begeerten en hun streven bevrediging schenken; degenen worden hun dan ook volgens de juiste ordening van God gegeven, de werelds geworden Kerk en de door haar onderdrukte natiën moeten elkaar wederkerig in steeds dieper verderf intrekken, totdat de mate vol geworden is en het oordeel over beide begint. De koningen van de aarde, de bestuurders van de Christenen, de staatsbesturen hebben zich beijverd van de geestelijke macht, van de Kerk, van haar wijding van de politieke eerzucht, zelfs van de wereldsgezindheid, in tegenspraak met de bedoeling en de geest van Jezus, zoveel mogelijk nut te trekken. Wij willen u eren, luidde hun toespraak aan de vorsten van de Kerk, maar vergeet niet, dat u dan ook de volken aan onze persoon hecht en aan ons gehoorzaam doet zijn; in deze zin werden de zogenaamde concordaten gesloten. En zij, die de aarde bewonen, de aardsgezinden en die de duisternis meer liefhebben dan het licht, omdat zij de waarheid niet willen doen en hun werken boos zijn, zijn dronken geworden van de wijn van haar hoererij. In dronken toestand houdt het bewustzijn, het geweten, ja alle oordelen en onderscheiden tussen waarheid en leugen op, in het dromen en dwepen, het orgiasme en de valse geestvervoering, het sanatisme krijgt de overhand. Voor vleselijke gezindheid is niets onaangenamer, niets staat meer tegen dan het Christendom, dat aandringt op zelfkennis en boete, op inwendig, levend geloof, op wedergeboorte, ware bekering en heiligmaking in Christus. Voor zo'n prijs van strenge wereld- en zelfverloochening en grondige overgave aan Christus komt hun zelfs de zaligheid te duur voor, waarvan zij ook de verwardste voorstellingen hebben; liever laten zij zich de dagelijkse boetedoeningen en uitwendige kastijdingen welgevallen, terwijl die zaligheid hun door de valse Kerk vaak zeer goedkoop voor een aantal formuliergebeden, missen of bedevaarten is aangeboden. Zelfs de hardste boetedoeningen nemen zij voor zekere tijden en dagen op zich, tot elke handeling van kerkelijke vroomheid zijn zij bereid, als zij maar het ongestoorde genot van de wereld ook in koop krijgen. Zo'n godsdienst met een vast kerkelijk geloof, met een absolverende, heilig en zalig sprekende kerk en priesterschap, wil de lichtzinnigheid, van daden afkerig, graag. Zij wil met zoeken en naspeuren van de Heilige Schrift, met inwendig toe-eigenen van het goddelijk woord van genade en waarheid in Christus, die vrij maakt, met de zedelijke arbeid van het geestelijk leven, het zoeken naar het rijk van God en Zijn gerechtigheid, het worstelen om de goddelijke natuur deelachtig te worden (2 Petrus 1:4), niets te doen hebben. Ook aan deze begeerte aan de een en aan deze antipathie aan de andere zijde komt de valse Kerk op de meest gewilde wijze tegemoet, als zij maar mag heersen en het uitzicht heeft, om haar heerschappij te bevestigen; zij verbiedt de leken het zoeken en navorsen in de Heilige Schrift en reikt hun daarvoor oude en nieuwe dogmata toe. Gehoorzaamheid aan de kerkelijke autoriteit verklaart zij voor de onfeilbare weg ten hemel, daarentegen maakt zij de ware vroomheid, het leven in Christus, verborgen bij God, verdacht, en vervolgt en belastert het.
Dat is de slimheid van de hoer, die van recht niets wil weten, maar alle betrekkingen vasthoudt, om daaruit nut te trekken. Dat is dat onzedelijk egoïsme, dat nu een liefde huichelt, dan met haat dreigt, naardat het meer voordeel oplevert. Dat is de onzedelijke consequentie, die alles toelaat, alleen niet een schending of verlaging van het eigen ik. Dat is eindelijk de onzedelijke ongevoeligheid, die van geen dankbaarheid iets weet, maar alleen ieder gebruikt en die dan wegwerpt. Die het pausdom kent, hetzij in zijn strijd met de groten en machtigen, hetzij in de kleine toestanden van een dorpsgemeente, zal de waarheid van het gezegde moeten bevestigen.
Zij, Rome, de hoofdstad van het hele rijk, de zetel van de keizer en van de hele toenmalige wereldheerschappij, had onder de schijn van liefde de snoodste zelfzucht gekoesterd, de hele wereld bedwelmd door haar staatshuichelarij en leugentaal, zodat allen zich aan haar voeten deemoedig neervleiden. Zij is groot geworden door haar arglistige staatkunde en de grote hoer heeft zich geplaatst op de troon van de heerschappij over de hele wereld; maar nu heeft haar trots gebied een einde. De maat van haar ongerechtigheden is vol; zij staat schuldig aan het bedenken en uitvoeren van alle misdaden, door het zesde hoofd van het beest (de Romeinse wereldmacht) gepleegd; zij heeft tot snoodheid aangehitst, zij is de verleidster, de bron van het kwaad. Van Rome, de grote hoer, die daar zit op vele wateren, op onmetelijke schatten, op de welvaart van alle volken, die haar hun schattingen brengen, van dat Rome geldt, wat Jeremia van Babel, Nahum van Ninevé en Hosea ten aanzien van Israël zegt: Rome is het, dat alle rijkdommen van de natiën verzwelgt, dat stromen verandert in woestijnen, waterbronnen in een dorstig land en vruchtbare akkers in dorre zandstreken vanwege de boosheid van de inwoners. Rome hoereerde met de koningen van de aarde en huichelde hun liefde, ten einde hen te verstrikken in haar netten en hen te doen kruipen aan haar voeten.
Is de ondergang van het antichristische rijk van te voren meegedeeld, zo verwonderlijk, dat zij bijna ongelofelijk schijnt en is zij de grootste troost van de bedrukte Kerk, het behaagt daarom de Heilige Geest ons die onder een ander zinnebeeld te vertonen. Rome is een hoer, waarmee de machtigen te doen hebben gehad, maar ook een van allen, omdat de geringe bewoners van de aarde het voorbeeld van de koningen volgden.