Psalm 24:7-10
Wat eens gesproken is, wordt in deze verzen voor de tweede maal gesproken, zulke herhalingen zijn gebruikelijk in zangen en er is veel schoonheid in. Hier is,
1. Toegang geëist, eenmaal en nogmaals, voor de Koning van de ere. De deuren en poorten moeten opengeworpen worden, wijd open, om Hem toegang te geven, want zie, Hij staat aan de deur en Hij klopt, bereid en gereed om binnen te komen.
2. Eenmaal en nogmaals gevraagd wie deze machtige Vorst is, in wiens naam toegang gevraagd wordt. Wie is deze Koning van de ere? Zoals, wanneer er aan iemands deur geklopt wordt, het gebruikelijk is te vragen: Wie is daar?
3. Eenmaal en nogmaals voldoening gegeven nopens de koninklijke persoon, die de eis doet om binnengelaten te worden. Het is de Heere, sterk en geweldig, de Heere, geweldig in de strijd, de Heere van de heerscharen, vers 8, 10.
A. Deze prachtige intocht nu, die hier beschreven wordt, verwijst waarschijnlijk naar de plechtige opbrenging van de ark naar de tent, die David voor haar heeft gespannen, of naar de tempel, die Salomo voor haar had gebouwd, het voegde hem om een psalm te dichten om bij die gelegenheid gezongen te worden. De portiers worden geroepen om de deuren te openen, die eeuwige deuren worden genoemd, omdat zij duurzamer zijn dan de deur van de tabernakel, die slechts uit een gordijn bestond. Hen wordt geleerd te vragen: Wie is deze Koning van de ere? En hen, die de ark dragen, wordt geleerd om te antwoorden in de taal, die voor ons ligt, en dat wel zeer gepast, omdat de ark een symbool was van Gods tegenwoordigheid, Jozua 3:11. Of het kan ook als dichterlijke beeldspraak beschouwd worden, bedoeld om het onderwerp treffender voor te stellen. Aldus moet God in Zijn Woord en Zijn inzettingen door ons welkom worden geheten:
a. Met grote bereidwilligheid, deuren en poorten moeten voor Hem opengeworpen worden. Laat het Woord des Heeren inkomen in onze ziel, en wij zullen ons buigen voor zijn gezag.
b. Met alle eerbied gedenkende hoe groot een God Hij is, met wie wij te doen hebben.
B. Ongetwijfeld wijst dit op Christus, van wie de ark met het verzoendeksel een type was.
a. Wij kunnen het toepassen op Christus opvaren naar de hemel en het welkom, dat Hem daar gegeven werd. Toen Hij Zijn werk op aarde volbracht had, is Hij opgevaren "met de wolken des hemels," Daniël 7:13, 14. De poorten des hemels moeten Hem toen geopend zijn, deze deuren, die met recht eeuwige deuren genoemd kunnen worden, en voor ons gesloten werden, om de weg te bewaren van de boom des levens, Genesis 3:24. Onze Verlosser vond ze gesloten, maar door Zijn bloed verzoening gedaan hebbende voor de zonde, en het recht verkregen hebbende om in "te gaan in het heiligdom," Hebreeën 9:12, als gezaghebbende, eiste Hij toegang, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor ons, als de voorloper is Hij voor ons ingegaan, en heeft het koninkrijk van de hemelen geopend voor alle gelovigen. De sleutels, niet alleen van de hel en des doods, maar ook die des hemels en des levens, moeten Hem in handen worden gegeven. Zijn nadering zeer luisterrijk zijnde, vragen de engelen: Wie is deze Koning van de ere? Want het zijn engelen die de poorten van het Nieuwe Jeruzalem bewaken, Openbaring 21:12. Toen de eerstgeborene in de bovenwereld gebracht was, moesten de engelen Hem aanbidden, Hebreeën 1:6, en dienovereenkomstig vragen zij hier met verwondering: Wie is Hij? "Wie is het die van Edom komt, in helrode klederen van Bozra?" Jesaja 63:1-3. Er wordt geantwoord, dat Hij sterk en machtig is in de krijg, machtig om Zijn volk te behouden, en om Zijn en hun vijanden ten onder te brengen.
b. Wij kunnen het toepassen op Christus inkomen in de zielen van de mensen door Zijn Woord en Geest, om Zijn tempelen te zijn. Christus' tegenwoordigheid in hen is als die van de ark in de tempel, zij heiligt hen. "Zie, Hij staat aan de deur en Hij klopt" Openbaring 3:20. Er wordt geëist dat Hem de poorten en deuren van het hart geopend zullen worden, niet alleen zoals toegang wordt gegeven aan een gast, maar zoals het bezit aan de rechtmatige eigenaar wordt overgegeven, nadat het recht er op betwist was. Dit is de Evangelische roeping en eis, dat wij Jezus Christus, de Koning van de ere, laten inkomen in onze ziel, Hem zullen verwelkomen met hosanna's: Gezegend is Hij die komt. Om dit nu recht en naar behoren te doen, moeten wij vragen: Wie is deze Koning van de ere? Om ons bekend te maken met Hem, in wie wij moeten geloven, en die wij boven alles en allen moeten liefhebben. En het antwoord is gereed: Hij is JHWH, en zal JHWH onze gerechtigheid wezen, een algenoegzame Zaligmaker voor ons, als wij Hem toegang tot ons geven. Hij is sterk en machtig, en de Heere van de heirscharen en daarom is het op ons gevaar zo wij Hem toegang weigeren, want Hij is machtig om de belediging te wreken. Hij kan zich de weg banen met geweld, en hen met Zijn ijzeren scepter vermorzelen, die zich aan Zijn gouden scepter niet willen onderwerpen.
Laat ons hart onder het zingen hiervan blijmoedig op deze roepstem antwoorden, en laat dit antwoord gegeven worden in de eerste woorden van de volgenden psalm: Tot U o Heere, hef ik mijne ziel op.