16. En de aarde kwam de vrouw te hulp en de aarde opende haar mond, en verzwolg de rivier, die de draak uit zijn mond had geworpen. In de opengekloofde aarde verdween plotseling zonder enige uitwerking te doen de geweldige waterstroom, die zeker sterk genoeg zou geweest zijn, om het doel van de slang te verwezenlijken.
Wij kunnen deze afdeling niet anders opvatten dan van Israël's terugkeren naar het Heilige land, dat op ontelbare plaatsen door de profeten bepaald is voorspeld. De twee vleugels van een grote adelaar, die aan de vrouw worden gegeven, zijn de middelen van God, waardoor Hij Zijn volk gemakkelijk en snel uit de landen en toestanden uitvoert, waarin het tegenwoordig als gevangen is. Dan zal zeker het land, waarheen zij vliegt, eerst nog slechts een woestijn zijn, want het is tot hiertoe door de heidenen vertreden en wacht nog op de weer te verkrijgen zegen; maar toch is juist de woestijn de plaats, waarheen de Heere beloofd heeft Zijn volk te voeren, om daar vriendelijk ermee te spreken (Hosea 2:14) en Hij zal het op de dag van de bruiloft schoon weten te versieren (Hoofdstuk 19:7 v.). Hij heeft het daar een plaats bereid, waar het bewaard moet blijven voor de benauwdheid en ontbering, die de overige aardbol dreigt, als de anti-christ zal regeren; en als onderpand daarvoor zorgt Hij, dat de grote waterstroom geen schade veroorzaakt, die de slang uit haar mond uitwerpt, om haar te verdrinken. Zeker moet dit worden opgevat van krijgslegers (vgl. Jesaja 8:7 v. ; 17:12, Jeremia 47:2 Daniël 11:22), die door een coalitie van Europese machten worden samengebracht, om Israël, evenals een Farao met zijn wagens en ruiters wilde doen, in en terug te halen. Zij komen ook, omstreeks bij Akko en Ptolemaïs landend, tot een werkelijk betreden van het land, maar reeds bij Armageddon aan de beek Kison overvalt hen het lot van plotselinge en hele vernietiging. Het zal zijn, als deed de aarde voor de tweede maal haar mond open, om een rot van Korach te verslinden (Numeri 16:28), of als leden Jabins legers voor de tweede maal hun nederlaag (Hoofdstuk 16:12,.
Met Vers 13 loopt de geschiedkundige draad verder voort, die door de rede van de hemelbewoners afgebroken was. Door de zege van MICHAËL en de val van het Pausdom wordt de draak, in het beest uit de afgrond door hem plotseling te voorschijn geroepen, tegenover de gemeente gesteld. Dit beest zal, bij zijn eerste optreden, als Volksheerschappij de beide profeten doden en de vrouw vervolgen. Omdat de vrouw het knaapje heeft gebaard, zal de duivel, in het beest uit de afgrond, haar fel bedreigen en vervolgen, omdat de profeten (met het knechtje eigenlijk een en hetzelfde) tot straf van de aardbewoners grote wondermacht hebben ontvangen en hun oordeel van God aankondigen (11:5-6; 12:5; 14:7). Door deze vervolging van de vrouw onder de volksheerschappij, wanneer zij aan pijnlijke verdrukking zal zijn blootgesteld, zal de gemeente ten volle die graad van beslistheid verlangen, die de volmaakt rechtvaardigen in haar roemen (Vers 11). Pas wanneer de volksheerschappij in de heerschappij van de anti-Christ overgaat, beginnen de drie tijden en een halve tijd, wanneer zij Europa verlaat en door de bescherming van de engelen gered wordt. De volksheerschappij is voor de gemeente het vreselijkst; geen, het van heiligenbloed dronken vrouwmens, doodt de profeten, vervolgt de gemeente en vervolgt, nadat de in de politiek andersdenkenden uit de weg geruimd zijn, slechts de Christenen, terwijl de anti-Christ ze geheel en al uitroeien, evenwel de vrouw en de verzamelde Joden niet bereiken zal. Daarentegen brengt hij een talloze menigte van de anderen, namelijk van de heiligenmoordenaars van de volksheerschappij om. In Vers 14 wordt een geducht onderscheid tussen de vrouwen de twee getuigen merkbaar. Terwijl de twee getuigen door het beest uit de afgrond gedood en hun lichamen (altijd weer andere) 3 ½ jaar, zolang als de anti-christ heerst, onbegraven worden weggeworpen, wordt de vrouw op arendsvleugels naar de woestijn overgebracht. Het is een grote troost voor de gemeente, dat de Heere haar niet met wortel en tak laat uitroeien, maar een heilig overblijfsel uit de Europese Christenheid voor de latere tijden van de nawereld redt! De behoudenis van de vrouw wordt hier en in de brief aan Filadelfia heerlijk voorspeld. Niet een ieder is voor de marteldood bestemd; bovendien laat God graag van het zaad van de rechtvaardigen overblijven, net zoals Hij van Israël, bij gelegenheid van Jeruzalems verwoesting door Nebukadnezar en later door Titus, zaad heeft doen overblijven; en ook een voor God afzonderd deel uit Israël de anti-Christ overleven zal. De gespaarde Joden worden hier evenwel niet onder "de vrouw" verstaan; zij worden vermeld Joël 3:16 Zacharia 14:2 Ezechiel 38:8, 12, enz. Onder de vrouw worden gelovige Christenen uit Europa bedoeld, die in de toekomstige omwenteling niet omkomen. Wij verstaan dus door de rivier, die de slang van de vrouw achterna spuwde, die onberekenbaar talrijke Arabische krijgslegers, waarmee de slang het wel op de Frankische heerschappij, maar vooral ook op de vrouw, op de door Bonifacius onlangs onder de Duitsers opgerichte gemeente van God, gemunt had. De slang, die hier in plaats van de Draak optreedt, omdat het hier op de listige verleiding en vernietiging van de gemeente toegelegd werd, poogde de vrouw door die stroom van Moslemim mee te slepen en weg te voeren. De aarde beduidt hier de sinds de volksverhuizing tot rust gekomen volken van Europa. De aarde kwam toenmaals de vrouw te hulp, omdat de Romaanse en Germaanse volken toen gunstig voor het Christendom gestemd en bereid waren, om het met het zwaard te beschermen. Toch wist de aarde ten dele ook niet dat zij de vrouw te hulp kwam; zij meende dat de stroom van de Arabieren haar alleen gold; daarom verzwolg ze die, hoewel de stroom eigenlijk op de vrouw afgezonden was. Deze hulp door de aarde aangebracht en de verzwelging van de slangenstroom door de aarde, waren de oorlogen van de Duitse volken tegen de Arabieren. Vooral de schitterende overwinning, door Karel Martel over Abderrahman bij Poitiers behaald. De hele westerlandse Christenheid en alle westerlandse staten verkeerden door de bijna ontelbare legermacht van Abderrahman in het uiterste gevaar. Overal in Azië, Afrika en Spanje, zo bereids in drie werelddelen, hadden de van woede snuivende, door de duivel bereden Mohammedanen gezegevierd en geen volk, zelfs de West-Gothen in Spanje niet, hadden hen tegenstand kunnen bieden; van de Indus tot aan Gibraltar en later tot aan de Pyreneën hadden hun wapenen hun de weg ter overwinning gebaand en hadden zij, overeenkomstig het voorschrift van hun profeets, de Islam verbreid. Nu evenwel stootten zij op de dapperste volken onder de zon, die zelfs door de wereldveroverende Romeinen niet hadden kunnen bedwongen worden, die dan ook het geweldige rijk van deze door de volksverhuizing hadden doen bezwijken en de is Hunnenkoning Attila met zijn half miljoen strijders versloegen. De fors gebouwde, boomsterke Franken, Thuringers, Alemannen, Beieren en Lombarden hielden met zo'n dapperheid, onder hun heldhaftige aanvoerder Karel Martel, tegen het fanatisme van de Arabieren stand. dat Abderrahman viel en 375, 000 Arabieren sneuvelden. De rest ontvluchtte over de Pyreneën; maar zes jaren later kwamen zij, door hun nederlaag niet wijzer geworden, terug, werden voor de tweede maal geslagen en moesten voor altoos achter de Pyreneeën wijken. Zo werd de stroom van de slang, eer hij de zonnevrouw te nabij kwam, door de aarde verzwolgen en geen Muzelman had de Rijn gezien. Op deze wijs had God de Duitsen stammen bereids twee belangrijke beslissingen in de wereldgeschiedenis opgedragen; ten eerste hebben zij over de lotgevallen van de Christenheid en over de beschaving van het westen door hun overwinning over de landverwoester Attila beslist en hier opnieuw door hun zege over de Arabieren en de Islam. Wanneer deze beide, de Hunnen onder Attila en de Mohammedanen onder Abderrahman, hadden getriomfeerd, dan bestond er nu in Europa noch beschaving noch Christendom. Zulke dagen van de slachting maken belangrijke keerpunten in de geschiedenis uit.
Zoals de Heere eens na de verlossing van Zijn volk uit het huis van slavernij sprak; "u heeft gezien wat Ik de Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugels van de arenden gedragen en u tot Mij gebracht heb", Zo draagt de Heere ten allen tijde als op "vleugels van een arend" Zijn Kerk uit de handen van de dreigende vijanden in de woestijn van veiligheid. Hier wordt zij door Hem gevoed naar het lichaam door Zijn alvermogende bescherming en naar de Geest met het hemels manna van het goddelijke Woord, zoals eens in de woestijn het Israëlitisch volk het aardse manna tot voedsel kreeg. Het voeren van de Kerk naar de woestijn van veiligheid, waarop hier in de naaste plaats gedoeld wordt, had juist ten tijde van Johannes plaats onder de vervolging door de Romeinen. De slang had keizer Domitianus en zijn hele macht tegen de Kerk in woede ontstoken; de Gemeente van God was ieder ogenblik voor hem vluchtend en vrezend. Door het "water" versta men de mensen en volken, die, door de slang aangehitst, de Kerk aanvallen, zoals ten tijde van Johannes het Romeinse volk. Reeds in het Oude Verbond worden vijandelijke aanvallen aangeduid onder het beeld van een overstroming. De duivel draagt hier de naam van een "slang", die zijn menselijke werktuigen en bondgenoten tegen Gods volk uitspreidt. Zijn heerschappij is echter niet eeuwigdurend, want "de aarde opent haar mond en verzwelgt de rivier"; een andere "aardse" macht staat op, vernietigt de vervolgers en maakt daarmee een einde aan de tijd van vrees. Zie, een Assyrisch rijk "verzwolgen" door dat van Babylon; dit door de Perzen en Mediërs, die op hun beurt weer bukken onder de Grieken. terwijl deze zich nogmaals krommen onder het juk van de Romeinen. En ook van deze gebied was slechts tijdelijk en ging onder bij de aanvallen van de tien koningen van de Germaanse volken. Zo wordt het een volk onder het aanbiddelijk Godsbestuur het middel om het andere te "verzwelgen", wanneer zijn uur heeft geslagen; een opmerking, die zich ook op latere tijden laat toepassen, zodat de hele geschiedenis van de wereld het opschrift kan dragen: "Hij verandert de tijden en uren; Hij zet de koningen af en Hij bevestigt de koningen. " Deze gedachte vervult ons met eerbied voor het hoge bewind van de eeuwige Godheid en doet ons in de wisselingen van het aardse stof vinden tot aanbidding van Hem, die leeft in alle eeuwigheid!
Toen de satan zag, dat hij Christus is Zijn leden, noch de zaligheid van Zijn leden, met zijn aanklachten in de hemel niet meer kon beschadigen, zo heeft hij zich tegen dezelfde Kerk van Christus weer gekeerd, om haar ten minste in deze wereld te beledigen met berovingen van haar goederen, met gevangenissen, met lasteringen van haar personen, met ballingschappen, vervolgingen en dergelijke kwellingen meer.
Het gaat hier de Kerk als eertijds Israël, dat als door een snelle vlucht Farao ontkwam en als over de Rode zee vloog. Zij raakten wel uit Farao's handen, maar kwamen in een barre en huilende woestijn, waar noch te eten noch te drinken was, maar God voedde ze met manna uit de hemel en met water uit de rotssteen. De Kerk werden twee vleugels en een grote arend gegeven, dat is, bekwame middelen, om de vervolgingen van de draak te ontkomen. Zij veranderde niet van plaats, en verborg zich niet op een verborgen eiland, of in ontoegankelijke valleien, hoewel sommige leden van de Kerk het deden. Maar zij bleef onder het anti-Christendom, dat naar de ziel wel een dorre woestijn is, omdat de waarheid verduisterd werd en de mensen tot allerlei dwalingen en bijgelovigheden, die de ziel niet voeden kunnen, afgeleid heeft. De woestijn was niet het heidendom, dat was neergeworpen en ook is de Kerk daar geen 1260 dagen geweest; maar de woestijn is het anti-Christendom. De anti-Christ moest zich zetten in de Kerk, die onder hem zich moest verbergen en verschuilen de tijd van een tijd, en tijden en een halve tijd, dat is dezelfde tijd van 1260 dagen; iedere dag betekent een jaar. Deze tijd begon over de tijd van Constantijn en eindigde met de tijd van de hervorming, toen de Kerk uit Babel ging. Zij was wel onder het anti-Christendom, waar de mensen van het vergiftigde voedsel stierven en ter hel voeren, maar God verzorgde Zijn Kerk daar met het gezonde voedsel van de waarheid, zodat zij wel in het leven en in wezen bleef, maar zij kon zich openbaar, in het gezicht van de wereld, niet vertonen door kennelijke afscheiding van het anti-Christendom en te samen vergaderen in het openbaar tot de verkondiging van het Woord en het gebruik van de sacramenten. Maar zij bleef bedekt, dat door de woorden uit het gezicht van de slang te kennen gegeven wordt. De wijze van de vervolging wordt beschreven Vers 15 : "En de slang wierp uit haar mond achter de vrouw water als een rivier, opdat zij haar door de rivier zou doen wegvoeren. " Boven (Vers 4) beschadigde zij met haar staart, nu met haar mond. Ellende, verdrukkingen en vervolgingen worden in de Schriftuur vaker door water uitgedrukt. Dit water wierp zij uit haar mond; de mond is het lid van de spraak, zodat deze vervolging door de spraak geschiedde, dat is, door allerlei valse leringen, die de waarheid wegnemen en de Kerk vernietigen, zoals de ketterijen van Arius, Nestorius, Eutyches, Pelagius en anderen de Kerk overstroomden als een watervloed, waardoor de duivel beoogde de Kerk weg te voeren, te verdrinken en te doen ophouden; maar het mislukte hem. De satan met zijn engelen hebben hun oude hemelse waardigheid verloren; wel van trap tot trap, maar eindelijk geheel, zodat er nauwelijks voetstappen van die afgoderij en goddeloosheid zijn overgebleven. Zo werd het heidendom verbroken. De grote draak wordt genoemd de oude slang; "de oude" met toespeling op de eerste verleiding, misschien ook om met zijn oudheid zijn listigheid uit te drukken en aldus de zege, over hem behaald, te vergroten. Bracht hij de wereld tot verderfelijke dwalingen en goddeloosheden, vooral tot schrikkelijke afgoderij; hoe vreselijk hij was, hij werd overwonnen, uit zijn hoogheid tot de diepste laagheid geworpen; niet door eigen wil. Zo wordt hier voorgesteld, hoe de duivel zijn macht verloor meteen na Christus' hemelvaart, door de gelukkige voortgang van het Evangelie in de wereld. Hierom mag men verheugd zijn, schoon hij nog vele vervolgingen moge aanrichten. De gelovigen op aarde worden nog vele kwalen voorzegd, opdat zij niet wanen zouden, vrij te zijn. De satan, die van zijn troon geworpen is en het Christendom niet meer kan verhinderen, blijft nochtans de boze vijand van de Christennaam en van het hele mensdom.
De somma hiervan is, dat, als Christus overwonnen heeft en de gelovigen in Hem overwonnen, de hemelen zelf en al wat daarin is, zich moeten verblijden. Mij dunkt, dat deze dingen in de zware strijd van de anti-Christ of de Roomse hoop ter vertroosting worden gezegd, opdat de geheiligden van de Heere niet vanwege de grote zwarigheden ten gevolge van de hun aangeborene zwakheid, de moed zouden verliezen, maar met aanroeping van de naam van Christus vromelijk zouden strijden.
De wapens, waarmee zij hem overwonnen hebben, zijn "het bloed van het Lams", d. i. door het geloof in het bloed van Christus, waardoor zij alle beschuldigingen als met een schild hebben afgeweerd. Zij worden door Zijn gerechtigheid voor God gerechtvaardigd en gezaligd; dit is de grond van hun overwinning. In de tweede plaats wordt genoemd: "door het woord van hun getuigenis", dat is, door het standvastig aankleven aan hun belijdenis van de waarheid, waarvan zij niet werden afgebracht, met het oog op het lijden, want zij hebben hun leven niet dierbaar geacht.
Constantijn heeft zelf verstaan hetgeen hem zeker door anderen is aangetoond, dat deze godsspraak op hem ziet en heeft die vaak op zichzelf toegepast. Constantijn heeft Maxentius overwonnen: niet met lichamelijke wapens, maar door gebeden, geloof, belijdenis van de naam van Christus en de vervolging, waarop het God behaagd heeft, aan hem die uitwerking te doen, die wonderbaar is en de verwachting van de mensen verre te boven gaat. Van te voren trapten zij op de Kerk naar de lust van hun hart, maar als zij nu komen tegen haar mannelijke zoon, worden zij verdorven. De draak Maxentius verdronk in de rivier de Tiber, Maximinius voorkwam de verbanning door de dood, Licinius zelf in vele veldslagen op de vlucht gedreven, verloor zijn hoofd om zijn verraad. Aldus werd de draak overwonnen en is hij uit de hemel geworpen.