Lukas 8:1-3
Er wordt ons hier gezegd:
I. Wat Christus tot Zijn levenswerk heeft gemaakt-het was prediking. In dat werk was Hij onvermoeid, ging Hij rond goed doende, vers 1, daarna -en too kathexês -ordine -ter bestemder tijd, of wijze. Christus stelde zich zijn werk voor, en deed het geregeld. Hij hield zich aan een volgorde in Zijn arbeid, zodat het einde van een goed werk het begin was van een ander. Merk hier nu op:
1. Waar Hij predikte: Hij ging rond, dioodeue -peragrabat. Hij was een reizend prediker. Hij bepaalde zich niet tot ene plaats, maar heeft de stralen van Zijn licht overal heen verspreid.
Circumibat -Hij trok om, of deed Zijn omgang, als een rechter, daar Hij wellicht heeft bevonden, dat Zijne prediking het meest welkom was waar zij nieuw was. Hij ging van de ene stad en vlek tot de andere, opdat niemand onwetendheid zou kunnen voorwenden. Hierin heeft Hij Zijn discipelen een voorbeeld gegeven. Zij moesten door de landen der aarde heentrekken, zoals Hij door de steden van Israël. En Hij bepaalde zich ook niet tot de steden, maar bezocht ook de vlekken, of dorpen, bewoond door landlieden, om te prediken voor de inwoners der dorpen, Richteren 5:11.
2. Wat Hij predikte: Hij verkondigde het Evangelie van het koninkrijk Gods, dat het nu onder hen stond opgericht te worden. Het waren blijde tijdingen van het koninkrijk Gods, die Jezus verkondigd heeft, om aan de kinderen der mensen te zeggen dat God bereid was hen onder Zijne bescherming te nemen, die gewillig waren om weer te keren tot hun trouw en gehoorzaamheid. Het waren blijde tijdingen voor de wereld, dat er hoop was, dat zij bekeerd en verzoend zou worden.
3. Wie bij Hem waren: De twaalven waren met Hem, niet om te prediken, als Hij tegenwoordig was, maar om van Hem te leren wat en hoe zij later zullen prediken, en, als het nodig was, om gezonden te worden naar plaatsen, waar Hij niet heen kon gaan. Zalig waren deze dienstknechten, die Zijne wijsheid hoorden.
II. Vanwaar Hij het nodige levensonderhoud had. Hij leefde van de goedheid Zijner vrienden. Er waren sommige vrouwen, die dikwijls Zijne prediking bijwoonden, die Hem dienden met hare goederen, vers 2, 3. Sommigen van haar worden genoemd, maar er waren vele anderen, die met ijver waren aangedaan voor de leer van Christus, en zich in gerechtigheid verplicht achtten haar aan te moedigen, daar zij er voor zich zelven de weldadigheid van hadden ervaren, en ook in liefde, daar zij hoopten, dat ook vele anderen er het nut en voordeel van zouden genieten.
1. Het waren dezulken, die voor het merendeel Christus' patiënten geweest zijn, en de levende gedenktekenen waren van Zijne macht en genade, zij waren door Hem genezen van boze geesten en krankheden. Sommigen van haar waren gestoord geweest in hare geestvermogens, neerslachtig en treurig, anderen hadden ziekte des lichaams, en Hij was een volmaakte geneesmeester voor haar geweest. Hij is de geneesmeester van lichaam en ziel, en zij, die door Hem genezen zijn, moeten bedenken hoe zij het Hem zullen vergelden. Ons belang noopt ons Hem aan te hangen, opdat wij Hem terstond om hulp kunnen vragen, in geval van ene wederinstorting, en onze dankbaarheid noopt ons Hem en Zijn Evangelie te dienen, Hem, die ons door het Evangelie heeft verlost en behouden.
2. Een van haar was Maria Magdalena, van welke zeven duivelen uitgegaan waren, een zeker voor een onzeker getal. Sommigen denken dat zij zeer slecht en goddeloos geweest is, en dan kunnen wij onderstellen dat zij de vrouw was, die ene zondares was geweest, en van wie even tevoren melding is gemaakt, Hoofdstuk 7:37. Dr. Lightfoot, die in sommige Talmoedische schriften gevonden heet, dat Maria Magdalena betekent: Maria de haarvlechtster, denkt dat dit op haar van toepassing is, daar zij in de dagen van hare ongerechtigheid en schande bekend was voor die vlechtingen des haars, die gesteld is tegenover een eerbaar gewaad, 1 Timotheus 2:9. Maar ofschoon zij een oneerbare vrouw is geweest, heeft zij op hare bekering en verandering van levenswijze toch barmhartigheid verkregen, en is zij een ijverige discipelin van Christus geworden. De grootste zondaren moeten niet wanhopen vergeving te verkrijgen, en hoe slechter iemand geweest is voor zijne bekering, hoe meer hij zich na de bekering beijveren moet om iets voor Christus te doen. Of liever: zij was ene die zeer droefgeestig, zwaarmoedig was geweest, en dan was zij waarschijnlijk Maria, de zuster van Lazarus, die ene vrouw was bezwaard van geest, en oorspronkelijk van Magdala afkomstig kon zijn, maar verhuisd was naar Bethanië. Deze Maria Magdalena was bij het kruis van Christus en bij Zijn graf, en, indien zij niet Maria, de zuster van Lazarus was, heeft deze bijzondere gunstgenote van Christus of toen Hem niet vergezeld, of de evangelist heeft haar niet opgemerkt. Noch het een noch het ander kan door ons ondersteld worden, zegt Dr. Lightfoot. Evenwel moet hiertegen opgemerkt worden, dat Maria Magdalena genoemd wordt onder de vrouwen, die Jezus gevolgd waren van Galilea, Mattheus 27:55, 56, terwijl Maria, de zuster van Lazarus, te Bethanië woonde.
3. Een andere was Johanna, de huisvrouw van Chusas, den rentmeester van Herodes. Zij was (volgens sommigen) zijne huisvrouw geweest, maar nu zijne weduwe, in gegoede omstandigheden. Indien zij nu zijne huisvrouw was, dan hebben wij reden te denken dat haar man, hoewel tot aanzien en bevordering gekomen aan het hof van Herodes, het Evangelie had aangenomen en er volkomen in bewilligde, dat zijne vrouw zowel ene hoorderes van Christus zijn zou, als zou bijdragen tot Zijn onderhoud.