4. Deze zijn naar hun inwendig bestaan de reeds in
Zacharia 4 genoemde twee olijfbomen, omdat zij personen voorstellen, die voor hun tijd hetzelfde moeten zijn, wat de personen, daar bedoeld, voor die tijd zijn geweest en ten opzichte van hun werkzaamheid naar buiten de twee kandelaren (
Mattheus 5:14), die voor de God van de aarde staan, altijd gereed om Hem te dienen en te spreken wat Hij hen beveelt (
1 Koningen 17:1).
Alleen als men de 1260 dagen als gewone dagen, dus omstreeks = 3 ½ jaar neemt, zou men onder de twee getuigen bijzondere bepaalde mannen van God kunnen verstaan. Daarbij verkrijgen wij echter een verklaring, die noch voor Jeruzalem noch voor het land, dat de Christelijke volken tijdens de heerschappij van de anti-christ omvat, past, terwijl op Zion reeds een gemeente gesticht is, die noch vlek noch rimpel heeft of iets dergelijks (Hoofdstuk 14:1 v.), maar binnen het kerkelijk gebied in ons Westen grote dwalingen in zwang zullen zijn, onder hen, die verloren gaan, zodat zij de leugen geloven (2 Thessalonicenzen 2:9 v), naar hun voorspellende profeten, die eveneens tekenen en wonderen doen, geenszins als een macht tegen de werking van de Satan worden gezonden, maar juist daarin bestaat de grote ellende, waarbij ook de uitverkorenen, als het mogelijk was, tot de dwaling verleid zouden kunnen worden (Mattheus 24:21 v.), dat God aan de macht van de duisternis ongehinderd vrij spel laat. Volgens onze opvatting van de 1260 dagen, die in profetische zin even zo vele jaren betekenen en de tijd van 637-1897 omvatten Re 10:7, kunnen wij in de twee getuigen slechts ideale personen zien, die in een menigte van werkelijke personificaties tot werkelijkheid worden, zodat de getuigen van Christus in een onafgebroken voortgaande rij om de anderen hun ambt waarnemen en zo dag en nacht nooit zwijgen. De Heere wil niet de beide getuigen eerst geven, Hij heeft ze reeds van vroeger gereed; er bestaat sinds lang een wolke van getuigen in Zijn rijk op aarde; Hij wil alleen gedurende de 1260 dagen Zijn getuigen op een bepaalde wijze gebruiken. Werd in vs, 1 het eigenlijk bestanddeel van de Kerk, de ware gemeente voorgesteld onder het beeld van degenen, die binnen in de tempel aanbidden, volgens hun verhouding tot de Heere en van de zijde van hun afzondering van de wereld, dan moet zij nu ten opzichte van haar roeping voor de wereld worden gekarakteriseerd. Door haar voorspellen in het gewaad van boete, dat geheel berekend is voor hen, die nog buiten het eigenlijk heidendom staan en slechts de voorhof betreden, zoals uit de boven aangehaalde plaatsen van de eerste brief aan de Corinthiërs blijkt, is zij een getuigende gemeente en heeft een gelijke roeping, als eertijds Mozes en Elia onder het krom en verdraaid geslacht van hun tijd. Zo heeft zij ook tot volvoering van haar opdracht een gelijke volheid van macht als die beide mannen van God die in een geheel bijzondere verhouding tot God stonden en ook op geheel bijzondere wijze uit deze wereld tot Hem werden overgebracht in gindse wereld; wij zullen daarvan later in Vers 5 v. en Vers 11 v. blijkt uit het gezegde, waarom het getuigen in onze Westerse kerk zich juist in twee getuigen, niet meer en niet minder personifieert. Zonder twijfel wordt daarin verder er op gewezen, dat de een getuigende gemeente zich inderdaad in twee delen splitst: De ene getuige is het door de Heere van de Kerk verordende ambt, dat bekering en vergeving van de zonden predikt in Zijn naam (Lukas 24:47. 2 Corinthiërs 3:6 v. ; 5:18 v.), dit ambt niet zozeer in zijn veelal besmette geschiedkundige openbaring, maar in zijn goddelijke bestemming. De tweede getuigen is alle ware leden van de Kerk, of die leken, die door de Heilige Geest van God zijn geleerd en een priesterlijk koninkrijk vormen, om met woord en daad te verkondigen de deugden van degene, die ons uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht (1 Petrus 2:9). Deze verdeling wordt uitdrukkelijk aan de hand gegeven door de toespeling op Mozes en Elia. Terwijl de eerste een uitdrukkelijke, plechtige roeping van God ontving (Exodus 3), treedt de ander zonder eigenlijke uitwendige roeping of voorbereiding 1 Koningen 17:1 in Gods naam als getuige op. En evenals Elia in een tijd leeft, dat van de priesters lippen, die de wetenschap moeten bewaren en uit wier mond men de wet zal zoeken (Maleachi 2:7), tot zwijgen waren gebracht, zo moest herhaalde keer ten tijde van die verduistering en vervolging van de waarheid, toen de Kerk de eerste getuige moest ontberen, de tweede voor hem in de plaats treden. Tot deze verdeling van het getuigen in een, dat in het ambt en een, dat buiten het ambt plaats heeft, komt nog een ander naar het hoofdkarakter, dat de Kerk zelf in de verschillende tijden van haar ontwikkeling tegenover de wereld heeft. Zij is gedurende de tijden van de Middeleeuwen een Kerk van de wet geweest; het geestelijke ambt, zoals dat in paus en klerus zich ontwikkelde, heeft aan de ruwe, barbaarse volken hetzelfde werk van een opvoeder tot Christus moeten volbrengen, als Mozes aan Israël, dat toch ook maar als een barbaars volk in de omtrek van het heilige was geplaatst, om daarin een geheiligde natuur op te wekken (vgl. bij Hoofdstuk 8:12). De invoering van de Romeinse hiërarchie, die de apostel van de Duitsers, (Bonifacius) als schuld wordt toegerekend, houd ik voor het grootste geluk" schrijft Ad. Müller; "want", zo gaan we met Krafft voor, "een ruw volk, zoals de Duitsers waren, kon langs geen andere weg in de baan van orde en van een geregeld Christelijk leven worden geleid. " Toen vervolgens de Roomse Kerk haar taak, om een opvoedende kerk te zijn, uit het oog verloor en daarvoor aan haar eigen eerzucht en van haar lusten, die wereld en zonden in de hand werkten, dienstbaar werd (Ezechiel 28:11 v.), kwamen ook degenen voort, die tot inwendig leven waren gerijpt en, aandringend op een reformatie, die met de goddelijke bedoeling overeenstemde, volbrachten zij het werk van Elia, dat vervolgens ook het evangeliseren van de Kerk ten gevolge had. Dat dit evangeliseren bij de tegenstand van de Roomse priesterheerschappij niet anders mogelijk was, dan door afscheiding van een aanzienlijk deel van de Kerk van de hoofdstam, dat heeft het afgescheiden deel aan onhoudbaarheid en gemis blootgesteld en dat aan de invloed van de wereldlijke macht prijsgegeven, welks laatste einde datgene zal zijn, waarvan wij in Vers 7-10 lezen. De hoofdstam heeft echter de verreweg grootste schade zich berokkend, doordat het de weg tot zijn grondige vernieuwing en doorgaande ontwikkeling van de Christelijke geest zich voor altijd heeft versperd en zich tot een einde heeft veroordeeld, zoals wij dat in Hoofdstuk 17, 18 vinden, in ons reeds in Ezechiel 47:11 vooraf is aangeduid. Zoals wij in de voorgaande uiteenzettingen ons veelal aan Kemmler hebben aangesloten, zo kunnen wij dat ook doen ten opzichte van de twee olijfbomen en de twee kandelaren, nadat wij eerst hebben herinnerd aan hetgeen bij Zacharia 4:14 over de twee "olietakken" is gezegd. De olijfboom, zo merkt genoemde uitlegger op, brengt voort en heeft in zich de substantie van de olie, de lamp, met de olie gevuld, straalt het in zijn lichtgevende kracht uit. Die beide zijn bij de waarachtige getuigen van Christus verbonden. Het is geen geleende olie, die zij van zich doen uitstralen, maar zij dragen de olie van de Heilige Geest in oorspronkelijke volheid in zich. De Geest, hoewel u die ook eerst van boven hebben ontvangen, is toch in hen zelfstandig leven geworden (Johannes 7:38 v.). Zoals zij echter als olijfbomen het leven in zichzelf hebben, zo bezitten zij als lampen ook de bekwaamheid, om wat zij in zich hebben, tevens tot een licht voor anderen te laten worden en in de wereld te laten licht geven. Beiden behoren bij elkaar en als er een olijfboom was zonder lamp, of een lamp zonder dat die olijfboom was, dan ontbrak de wezenlijke eigenschap, om een werkzaam getuige van de Heere te zijn. Over de uitdrukking "die voor de God van de aarde staan" zullen wij nader spreken bij Vers 13
Sommigen menen dat door deze twee getuigen Enoch en Elia zouden worden verstaan, die de tijd van tweeenveertig maanden of van twaalfhonderd zestig dagen, dat is over drie en een half jaar voor het einde van de wereld tegen de anti-christ zouden profeteren en daarna door hem gedood worden en die naar de letter datgene zou overkomen, dat hier in de tekst verteld wordt. Dit voelen wordt door enige hedendaagse verklaarders verdedigd, om de antichrist en zijn rijk, dat nu lange tijd in de wereld bekend is te verduisteren, maar bovendien dat het ongerijmd is, dat de Heilige Geest in deze openbaring voor de dingen, die voorts moesten geschieden zo vele eeuwen zouden voorbijgaan, waarin de Kerk van Christus zoveel veranderingen heeft geleden en meteen komen tot de vier laatste jaren van de wereld, zo is het ook niet mogelijk dat het Rijk van de antichrist binnen drie en een half jaar zo zou worden opgericht en alles door de hele wereld teweeg brengen, dat in Gods woord van hem en zijn rijk is voorspeld. Het strijdt ook met Gods woord, dat de heiligen met hun hemelse lichamen uit de hemel zouden dalen, om hier gedood te worden, of dat zij op deze wereld weer zouden komen prediken, zoals Abraham getuigt (Lukas 16:29). Of ook dat zij in drie en een half jaar onder alle volkeren zouden profeteren, of ook dat hun lichamen binnen drie eigenlijk genoemde dagen en een halve van de volkeren, geslachten en talen zo zouden worden gezien en dat die op aarde wonen, zich daarover zouden verblijden en elkaar geschenken zenden, zoals hier in de tekst staat. Daarom moet beiden, de zaak zelf en de tijd hier noodzakelijk profetisch en figuurlijk verstaan worden, namelijk van de dagen, die hele jaren betekenen, zoals Ezechiel 4:5 en Daniël 9:24, welke jaren door enige worden begonnen van het jaar 606, toen de bisschop van Rome allereerst de titel van bisschop van de hele Christelijke kerk (die Christus alleen toekomt) heeft aangenomen en de afgoderij onder de Christenen meest begon door te breken. Hoewel anderen deze jaren wat vroeger beginnen, namelijk van de verwoestingen van het oude Rome en van zijn heerschappij door de Gothen over het jaar 412, maar dit in zijn geheel gelaten zijnde, zoals in het tweede vers gezegd is, wordt het opwekken van deze twee getuigen bekwamelijk verstaan door enige voortreffelijke leraars, die God binnen die tijd van het rijk van de anti-christ hier en daar op verscheidene tijden in Zijn gemeente heeft verwekt, om deze heerschappij en afgoderij te ontdekken en weerstaan, die daarom gezegd worden met zakken bekleed te zijn, omdat zij in slechte kleren en in een treurig gelaat zich tegen de pracht en hoogmoed van het anti-christendom hebben gesteld. Daarom worden er ook twee genoemd, omdat er wel weinigen zijn zouden, maar evenwel voldoende om de waarheid de mensen te getuigen; zo alle waarheid bestaat in twee of drie getuige" (Deuteronomium 19:15). En omdat God gewoonlijk twee zodanige treffelijke getuigen tot wederoprichting van de vervallen leer pleegt te gebruiken, zoals hier in de volgende woorden eerst wordt gezien op Jozua en Zerubbabel, die de godsdienst na de gevangenis van Babel hebben opgericht, in het vierde vers en op Mozes en Aäron, die dit gedaan hebben in de woestijn en op Elia en Eliza, die dit gedaan hebben onder Achab en onder Baäls dienaars. Op deze wordt hier ook gezien in het vijfde en zesde vers, die ook daarom twee genoemd kunnen worden, omdat zij de leer van het Oude en Nieuwe Testament alleen tot weerlegging van het antichristendom, als getuigen van deze waarheid hebben voortgebracht en anderen daardoor krachtig overwonnen. Zodanigen zijn Waldus en Petrus Bruys geweest in Frankrijk, Wiclef en Fourneus in Engeland, Johannes Huss en Hieronimus van Praag in Bohemen en Duitsland, die ook daarom in het concilie van Constanz gedood en met blijdschap van allen, die God uit verscheidene volken en tongen vergadert, verbrand zijn; totdat het God daarna heeft beliefd Luther en Melanchton in Duitsland, Zwingli en Oecolampadius in Zwitserland, Farel en Calvijn in Frankrijk met meer andere in hun plaats te verwekken, die met meer kracht hun getuigenis volbracht hebben en een groot deel van dat grote Babel doen vallen, van welks hele val en vernietiging hierna zal worden geprofeteerd. (STATEN OVERZET.).
Deze getuigen zouden niet dezelfde in persoon zijn, want niemand leeft 1260 jaar, maar het waren op elkaar volgende getuigen van dezelfde waarheid, dan eens hier en dan daar. Dan eens meerder openbaar, dan minder in het oog. Hun staat was zonder uiterlijk aanzien, gering, met zakken bekleed, een teken van droefheid over de verdrukte staat van de Kerk en over de afgoderij en vervolging van de antichrist en zij zelf waren het voorwerp van zijn woede. De hele profetie, die volgt, van dit vers tot het blazen van de bazuin, is niet in een gezicht vertoond, maar door de engel aan Johannes gedicteerd.
Hier worden door de Heere voorgesteld de getuigen van de waarheid van het Evangelie, die in de staat van worsteling en vervolging over het verderf van de Roomse kerk en over zijn afgodendienst en gebreken openlijk getuigd hebben, zoals Elia en Eliza, Gods ware profeten; voornamelijk van de opkomst van de Waldensen en Albigensen tot aan de tijden van vrijheid en vrede, aan de Hervormde kerken toegestaan; zij hebben dat gevaar "in zakken gekleed", dat is in worsteling vanwege de vervloekte afgodendienst van hun tijden en wegens de grote onwetendheid en bijgelovigheid van het volk.
Zij worden gezegd twee getuigen te zijn, omdat twee de minsten zijn, die een waarheid bevestigen. Het zullen niet velen zijn, maar voldoende. God gebruikt gewoonlijk twee als Jozua en Zerubbabel, Mozes en Aäron, Elia en Eliza en zij zijn als twee olijfbomen waarvan de olijf afdruipt, om licht en leven te onderhouden in de twee kandelaren, dat is in de kerken of gemeenten, die weinige zijn in getal; en het is niet door kracht noch door geweld, maar door de Geest van de Heere dat zij overwinnen.
Zij zijn "olijfbomen", als bestendig groen en vol vettigheid, de groene of behaaglijke en aangename vredeboodschap brengend, waardoor men de verblijdende gaven van de Geest verkrijgt en "kandelaren" waarvan het licht van de ware wijsheid, heiligheid en vreugde door die olie voortvloeit.