Handelingen 3:12-26
Wij hebben hier de leerrede, door Petrus uitgesproken, nadat hij den kreupele had genezen.
En Petrus, dat ziende:
1. Als hij het volk in menigte bij elkaar zag komen, nam hij de gelegenheid waar om Christus te prediken, de tempel en Salomo's voorhof inzonderheid de plaats zijnde, waar zij bijeenkwamen, laten zij komen, en ene voortreffelijker wijsheid horen dan die van Salomo, want zie, Een, groter dan Salomo, wordt hier gepredikt.
2. Toen hij zag, dat het volk getroffen was door het wonder, en vol bewondering was, zaaide hij het Evangeliezaad in den grond, die aldus omgeploegd was, en bereid om het te ontvangen.
3. Toen hij zag, dat het volk gereed was hem en Johannes te aanbidden, trad hij terstond op, en leidde hun eerbied voor hen af, om dien alleen naar Christus te richten, daarop antwoordde hij terstond, zoals Paulus en Barnabas te Lystre. Zie Hoofdstuk 14:15. In zijne rede
I. Wijst hij ootmoedig de eer van het wonder af, als hun niet toekomende, die slechts de dienaren van Christus waren, of de werktuigen in Zijne hand, om het te doen. De leer, die zij predikten, was niet van hun eigene vinding, noch waren hunner de zegels er van, maar van Hem, van wie de leer was. Hij richt zich tot hen als Israëlitische mannen, aan wie niet slechts de wet en de beloften behoorden, maar ook het Evangelie en de vervulling, en die zeer groot belang hadden in de tegenwoordige bedeling. Twee dingen vraagt hij hun:
1. Waarom zij zo verbaasd waren over het wonder zelf: Waarom verwondert gij u over dit? Het was voorzeker wonderlijk, en zij hebben er zich met recht over verwonderd, maar het was niets meer dan wat Christus menigmaal gedaan had, en zij hadden er geen acht op geslagen, zijn er niet door getroffen geworden. Het was kort te voren, dat Christus Lazarus van de doden had opgewekt, waarom moet hun dit dan nu zo vreemd voorkomen? Domme mensen vinden datgene nu vreemd, dat hun zeer bekend zou zijn, indien het hun door hun eigene schuld niet onbekend ware gebleven. Christus zelf was onlangs van de doden opgestaan, waarom hebben zij zich daarover niet verwonderd? Waarom zijn zij er niet overtuigd door geworden?
2. Waarom zij er hun zo veel lof voor gaven, daar zij er toch slechts de werktuigen voor geweest waren. Wat ziet gij zo sterk op ons?
A. Het was waar, dat zij dien man hebben doen wandelen, waaruit bleek, niet slechts, dat de apostelen van God waren gezonden, maar gezonden waren, om een zegen te zijn voor de wereld, weldoeners te zijn van het menselijk geslacht, gezonden, om de kranken te genezen, om zieke zielen te genezen, hen te genezen, die in geestelijken zin kreupel of geraakt waren, verbrijzelde beenderen te helen, opdat zij zich zouden verheugen.
B. Maar zij deden het niet door hun eigene kracht of Godzaligheid. Het was niet geschied door hun eigene kracht, door enigerlei bekwaamheid, die zij hadden in genees- of heelkunde, of door enigerlei kracht in hun woord. De kracht, waardoor zij het gewerkt hadden, was gans en al ontleend aan Christus. Het was ook evenmin gedaan door enigerlei verdienste van hen, de macht, die Christus hun gegeven had om het te doen, hadden zij niet verdiend, het was niet door hun eigene heiligheid, want gelijk zij het zwakke waren, zo waren zij ook het dwaze, dat Christus verkoos te gebruiken, Petrus was een zondig mens. Welke heiligheid had Judas? Toch heeft hij in Christus' naam wonderen gedaan. Welke heiligheid iemand hunner had, zij was in hen gewerkt, en zij konden er gene aanspraak op verdienste door maken.
C. Het was de schuld des volks, dat zij het toeschreven aan hun kracht en Godzaligheid, en dientengevolge op hen zagen. De werktuigen van Gods gunst jegens ons moeten wel geëerd, maar niet vergood worden, wij moeten er ons voor wachten om datgene te achten door het werktuig gedaan te zijn, waarvan God de Werker is.
D. Het was prijzenswaardig in Petrus en Johannes, dat zij zich de eer van het wonder niet wílden toe-eigenen, maar haar zorgvuldig toeschreven aan Christus. Mensen, die nuttig zijn, moeten ook zeer nederig zijn. Niet ons, o Heere! niet ons, maar Uwen naam geef eer. Iedere kroon moet neergeworpen worden aan de voeten van Christus, niet ik, maar de genade Gods, die met mij is.
II. Hij predikt hun Christus, dat was zijn werk, zijne zaak, opdat hij hen tot de gehoorzaamheid van Christus zou leiden.
1. Hij predikt Christus als den waren Messias, beloofd aan de vaderen, vers 13, want:
A. Hij is Jezus, de Zoon van God, hoewel zij Christus onlangs veroordeeld hadden als een Godslasteraar, wijl Hij gezegd had de Zoon van God te zijn, erkent Petrus dit: Hij is Zijn Kind Jezus, Hem dierbaar als een Zoon, voor ons, Jezus, een Zaligmaker.
B. God heeft Hem verheerlijkt, door Hem op te wekken om de Koning, Priester en Profeet te zijn van Zijne kerk. Hij heeft Hem verheerlijkt in Zijn leven en in Zijn dood, zowel als in Zijne opstanding en hemelvaart.
C. Hij heeft Hem verheerlijkt als den God onzer vaderen, die hij met eerbied noemt, want het waren grote, eerbiedwaardige namen voor de Israëlitische mannen, en met recht: de God Abrahams, Isaak's en Jakobs. God heeft Hem in de wereld gezonden ingevolge de beloften, aan deze aartsvaders gedaan, dat in hun zaad alle geslachten der aarde gezegend zullen worden, en het verbond, met hen gemaakt, dat God hun God zou zijn en de God van hun zaad. De apostelen noemen de patriarchen hun vaderen, en God, den God van deze patriarchen, van wie de Joden afstamden, om hun te verstaan te geven, dat zij gene slechte bedoelingen hadden voor het Joodse volk (dat zij hen met zo wantrouwende ogen aanzagen), maar waardering voor, en belangstelling in, hen hadden, en aldus het goede voor hen wensten, en het Evangelie, dat zij predikten, was de openbaring van het voornemen en den wil van den God Abrahams. Zie Hoofdstuk 26:7, 22, Lukas 1:72, 73.
2. Hij beschuldigt hen duidelijk en onomwonden van den moord op dezen Jezus, gelijk hij reeds te voren gedaan had. A. "Gij hebt Hem overgeleverd aan uwe overpriesters en ouderlingen, de vertegenwoordigers uwer natie, en gij, die tot het gewone volk behoort, werd door hen bewogen en aangedreven om tegen Hem te tieren, alsof Hij ene openbare ergernis was."
B. "Gij hebt Hem verloochend, Hem verzaakt, gij wilde niet dat Hij Koning over u zou zijn, kon niet op Hem zien als op den Messias, omdat Hij niet in uitwendige macht en heerlijkheid is verschenen, gij hebt Hem verloochend voor het aangezicht van Pilatus, gij deed afstand van al de verwachting uwer kerk in de tegenwoordigheid van den Romeinsen stadhouder, die er u met recht om heeft bespot.
Gij hebt Hem verloochend tegen het aangezicht van Pilatus" (aldus wordt het door Dr. Hammond opgevat) "tegen zijne redenering en betoog" (Pilatus had besloten om Hem los te laten, maar het volk heeft er zich tegen verzet, en had de overhand). "Gij waart erger dan Pilatus, want hij zou Hem losgelaten hebben, indien gij hem had toegelaten naar zijn eigen oordeel te handelen. Gij hebt den Heilige en Rechtvaardige verloochend, die bewezen had dit te zijn, terwijl al de boosaardigheid Zijner vervolgers niet bij machte was om het tegendeel van Hem te bewijzen." De heiligheid en rechtvaardigheid van den Heere Jezus, die nog iets meer zijn dan Zijne onschuld, waren een grote verzwaring van de zonde van hen, die Hem ter dood hebben gebracht.
C. "Gij hebt begeerd, dat u een doodslager zou geschonken worden, en dat Christus zou worden gekruist, alsof Barabbas zich verdienstelijker jegens u had gemaakt dan de Heere Jezus, en groter belediging kon Hem niet worden aangedaan."
D. Gij hebt den Vorst des levens gedood. Let op de tegenstelling: "Gij hebt een moordenaar gered, en den Zaligmaker omgebracht, die de Oorsprong is van het leven. Gij hebt Hem gedood, die u gezonden was om voor u de Vorst des levens te zijn, en zo hebt gij niet slechts uwe eigene zegeningen opgegeven, maar er tegen gerebelleerd. Gij hebt iets ondankbaars gedaan toen gij het leven benomen hebt aan Hem, die uw leven geweest zou zijn. Gij hebt een dwaas stuk begaan, toen gij dacht den Vorst des levens te kunnen overwinnen, die het leven heeft in zich zelven, en spoedig het leven, dat Hij had afgelegd, wederom zou nemen."
3. Evenals te voren, legt hij getuigenis af van Zijne opstanding, Hoofdstuk 2:32. "Gij hebt gedacht, dat de Vorst des levens van het leven beroofd zou kunnen worden, zoals ieder ander vorst van zijne waardigheid en heerschappij beroofd zou kunnen worden, maar gij hebt u bedrogen gezien, want God heeft Hem opgewekt van de doden, zodat gij, door Hem ter dood te brengen, tegen God hebt gestreden en verslagen werd. God heeft Hem van de doden opgewekt, en daardoor Zijne aanspraken bekrachtigd, en Zijne leer bevestigd, en al de versmaadheid van Zijn lijden weggenomen, en van de waarheid Zijner opstanding zijn wij allen getuigen."
4. Hij schrijft de genezing van den kreupele toe aan de macht van Christus, vers 16 :Zijn naam, het geloof in Zijn naam heeft dezen gesterkt. Hij herhaalt het. Het geloof, dat door Hem is, heeft hem deze volmaakte gezondheid gegeven. Hij beroept zich op hen zelven voor de waarheid van het wonder, de man, aan wie het gewerkt is, is iemand, dien gij ziet, en kent, en hebt gekend. Hij was te voren niet bekend met Petrus en Johannes, zodat er gene mogelijkheid was om aan ene afspraak te denken tussen hen: "Gij weet, dat hij van kindsbeen af kreupel is geweest. Het wonder is openlijk geschied, in u aller tegenwoordigheid, niet in een hoek, maar aan de poort des tempels, gij zaagt op wat wijze het gedaan werd, zodat er gene goochelarij bij kon plaats hebben, gij waart vrij om er terstond een onderzoek naar in te stellen, en kunt dit nog doen. De genezing is volkomen, het is ene volmaakte gezondheid, gij ziet den man lopen en springen, als iemand bij wie geen overblijfsel meer is, hetzij van zwakheid of van pijn. Hij maakt hun bekend met de macht, door welke het geschied is.
A. Het werd gedaan door den naam van Christus, niet bloot door hem te noemen, als ene toverformule, maar het is gedaan door ons als belijders en predikers van Zijn naam, krachtens de opdracht en de instructies, die wij van Hem hebben ontvangen, en de macht, waarmee Hij ons heeft bekleed. Die naam, welke Christus heeft boven allen naam, Zijn gezag, Zijn gebod heeft het gedaan, zoals bevelschriften uit naam eens konings, al is het ook, dat een beambte van lagen rang ze ten uitvoer brengt.
B. De kracht van Christus wordt verkregen door geloof in Zijn naam, door vertrouwen op Hem, afhankelijkheid van Hem, een gelovig zich wenden tot Hem, en verwachting van Hem, dat geloof, namelijk, hetwelk is di auton door Hem, door Hem gewerkt. Het is niet van ons zelven, het is de gave van Christus, en het is om Zijnentwil, opdat Hij er de eer van zal ontvangen, want Hij is zowel de Beginner als de Voleinder van ons geloof. Dr. Lightfoot is van mening, dat geloof hier tweemaal in dit vers genoemd is, vanwege des apostels geloof in het werken van het wonder, en het geloof van den kreupele om het aan zich te laten werken, ik geloof echter, dat het voornamelijk-indien al niet uitsluitend- betrekking heeft op het eerste. Zij, die door geloof dit wonder hebben gewerkt, hebben aan Christus de macht ontleend om het te werken, en daarom hebben zij er Hem al de eer voor toegebracht. Door die ware en juiste verklaring van het wonder heeft Petrus de grote Evangelie- waarheid bevestigd, die zij aan de wereld moesten prediken- dat Jezus Christus de Bron is van alle kracht en genade, en de grote Geneesmeester en Zaligmaker-en heeft hij den groten Evangelie-plicht van geloof in Hem aanbevolen als het enige middel, om nut of voordeel van Hem te ontvangen. Het verklaart tevens de grote verborgenheid des Evangelies van onze verlossing door Christus, het is Zijn naam, die ons rechtvaardigt, Zijn hoogheerlijke naam van: de Heere, onze Gerechtigheid, maar wij inzonderheid, zijn gerechtvaardigd door dien naam door het geloof in dezelve. Aldus predikt Petrus hun Jezus, en dien gekruist, als een getrouw vriend van den Bruidegom, tot wiens dienst en ere hij al zijne gaven en al zijn invloed aanwendt.
III. Hij moedigt hen aan om te hopen, dat zij, hoewel schuldig zijnde aan het ter dood brengen van Christus, toch genade zullen vinden. Hij doet alles wat hij kan om hen tot overtuiging van zonde te brengen, maar wacht er zich voor om hen tot wanhoop te brengen. De schuld was zeer groot, maar:
1. Hij verzacht hun misdaad door haar toe te schrijven aan hun onwetendheid. Wellicht heeft hij door de uitdrukking op hun gelaat bemerkt, dat zij van schrik en afgrijzen waren vervuld, toen hij hun zei, dat zij den Vorst des levens hadden gedood, en dat zij op het punt waren of van neer te zinken, of van weg te vluchten, en daarom vond hij het nodig de strengheid der beschuldiging te verzachten door hen broeders te noemen, en wèl mocht hij hen zo noemen, want hij zelf is hun broeder geweest in deze ongerechtigheid: hij had den Heilige en Rechtvaardige verloochend, en gezworen, dat hij Hem niet kende. Hij deed dit als verrast, overrompeld zijnde, en gij, wat u betreft, ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uwe oversten, vers 17. Dat was de taal van Petrus' liefde, en leert ons het beste te zien in hen, die wij beter wensen te maken. Petrus had de wonde gepeild, en nu begint hij er aan te denken haar te verbinden, ten einde hun een goed denkbeeld te geven van hun geneesmeester. En is er iets dat meer dan dat het hart wint? Wat hem hierin rechtvaardigt is het voorbeeld van zijns Meesters gebed voor hen, die Hem kruisigden, zijn pleiten ten hunnen behoeve op grond, dat zij niet wisten wat zij deden. En er is van de oversten gezegd, dat, indien zij de verborgenheid gekend hadden, zij den Heere der heerlijkheid niet zouden gekruist hebben, 1 Corinthiërs 2:8. Wellicht hebben sommigen van de oversten en van het volk hierin gerebelleerd tegen het licht en de overtuiging van hun eigene consciëntie, en hebben zij het uit kwaadwilligheid gedaan, maar de meesten. werden medegevoerd met den stroom, en hebben het door onwetendheid gedaan, zoals Paulus de gemeente vervolgd heeft, onwetende en in ongelovigheid. 1 Timotheus 1:13.
2. Hij verzacht de uitwerking hunner misdaad-het doden van den Vorst des levens, dit klinkt ontzettend, maar het was overeenkomstig de Schriften, vers 18, welker voorzeggingen voorzeker niet hun zonde noodzaakten, maar toch wel Zijn lijden. Zo heeft Hij zelf gezegd: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden. Gij hebt het door onwetendheid gedaan kan genomen worden in dien zin: "Gij hebt de Schrift vervuld, zonder dat gij het wist. Door uwe handen heeft God vervuld wat Hij door den mond der profeten getoond heeft, n.l. dat Christus moest lijden. Dit was Zijne bedoeling door Hem aan u over te leveren, maar gij hebt uwe eigene bedoeling gehad, en waart volstrekt onbekend met Zijne bedoelingen. Gij hebt het zo niet gemeend, en uw hart heeft het alzo niet gedacht. God heeft de Schrift vervuld, toen gij aan uwen hartstocht hebt toegegeven." Het was niet slechts bepaald in den verborgen raad Gods, maar eeuwen te voren aan de wereld bekend gemaakt door den mond en de pen der profeten, dat Christus lijden zou om Zijne onderneming te volvoeren, en het was God zelf die het door hen heeft getoond, Hij zal zorgen, dat Zijne woorden uitkomen, wat Hij getoond heeft, heeft Hij vervuld, zoals Hij het getoond heeft, juist en nauwkeurig, zonder enigerlei afwijking. Hoewel dit nu gene verkleining is van hun zonde om Christus ten dode toe te haten en te vervolgen (dit blijkt nog uiterst zondig te zijn), is het toch ene aanmoediging voor hen om zich te bekeren, en om op genade te hopen na hun bekering niet alleen omdat in algemenen zin Gods genadebedoelingen er door tot stand werden gebracht (en aldus kwam het overeen met de bemoediging, die Jozef zijnen broederen gaf, toen zij dachten, dat hun zonde tegen hem schier onvergeeflijk was: Vreest niet, zei hij, gijlieden wel hebt kwaad tegen mij gedacht, doch God heeft dat ten goede gedacht, Genesis 50:20) maar in het bijzonder omdat de dood en het lijden van Christus waren tot vergeving van zonden, en de grond voor die betoning van genade, waarop hij hen nu aanmoedigde te hopen.
IV. Hij vermaant hen allen om Christenen te worden, en verzekert hun, dat dit tot onuitsprekelijk heil voor hen zou wezen, zij zullen dan voor eeuwig gelukkig zijn. Dat is de toepassing van zijne leerrede.
1. Hij zegt hun wat zij moeten geloven.
A. Zij moeten geloven dat Jezus Christus is het beloofde Zaad, het Zaad, waarin naar Gods belofte aan Abraham, alle geslachten der aarde gezegend zouden worden, vers 25. Dat ziet op de belofte, gedaan aan Abraham, Genesis 12:3. Het duurde lang eer deze belofte vervuld werd, maar nu had zij ten laatste hare vervulling in dezen Jezus, die van het zaad Abrahams was, naar het vlees, en in Hem zijn alle geslachten der aarde gezegend, en niet slechts de geslachten van Israël, allen hebben enig nut van Hem, en sommigen hebben alle nut van Hem.
B. Zij moeten geloven, dat Jezus Christus een profeet is, die profeet, gelijk Mozes, dien God beloofd had te zullen verwekken uit hun broederen, vers 22. Dat ziet op de belofte in Deuteronomium 18:18. Christus is een profeet, want door Hem spreekt God tot ons, in Hem concentreert zich alle Goddelijke openbaring en door Hem komt Hij tot ons. Hij is een profeet als Mozes, een gunstgenoot des hemels, inniger vertrouwd met den Goddelijken raad, en met wie Hij gemeenzamer omging dan met enigen anderen profeet. Hij was een bevrijder van zijn volk uit slavernij, en hun leidsman door de woestijn, als Mozes, een vorst en wetgever, als Mozes, de oprichter van den waren tabernakel, zoals Mozes het was van den typischen tabernakel. Mozes was getrouw als een dienstknecht, Christus als een Zoon. Tegen Mozes werd gemurmureerd door Israël, hij werd getrotseerd door Farao, maar God heeft hem erkend en zijne zending bekrachtigd. Mozes was een voorbeeld van zachtmoedigheid en geduld, en dat is ook Christus. Mozes stierf naar het woord des Heeren, evenzo Christus. Er stond geen profeet meer op gelijk Mozes, Numeri 12: 6, 7, Deuteronomium 34:10, maar een groter dan Mozes is hier, waar Christus is. Hij is een profeet, door God verwekt, want Hij heeft die eer niet van zich zelven genomen, maar God heeft Hem er toe geroepen. Hij was in de eerste plaats verwekt voor Israël. Hij heeft alleen onder hen dit ambt in eigen persoon uitgeoefend. Aan hen werd de eerste aanbieding gedaan van Gods genade en daarom was Hij verwekt uit hen -uit hen, voor zoveel het vlees aangaat, is Christus voortgekomen, hetgeen, gelijk het ene grote eer was, die hun was aangedaan, ook tevens ene verplichting op hen legde, en ene bemoediging voor hen was om Hem aan te nemen. Als Hij tot het Zijne kwam, zou men denken, dat de Zijnen Hem moesten aannemen. De Oud-Testamentische kerk was bevoorrecht met vele profeten, met profetenscholen, met ene voortdurende opvolging van profeten eeuwen lang (waarvan hier nota wordt genomen, van Samuël aan, en die daarna volgden, vers 24, want met Samuël begint het tijdperk der profeten), maar deze dienstknechten mishandeld zijnde, heeft God ten laatste Zijn Zoon gezonden, die in Zijn schoot was.
C. Zij moeten geloven, dat de tijden der verkoeling zullen komen van het aangezicht des Heeren, vers 19, en dat het de tijden zullen zijn der wederoprichting aller dingen, vers 21. Er is een toekomende staat, een leven na dit leven, die tijden zullen komen van het aangezicht des Heeren, van Zijne heerlijke verschijning in dien dag, Zijne komst aan het einde der tijden. De afwezigheid van den Heere veroorzaakt veel van de gerustheid der zondaren en van het mistrouwen der heiligen, maar Zijne tegenwoordigheid zal weldra daar zijn, en daardoor zal aan beiden voor eeuwig het zwijgen worden opgelegd. Ziet, de Rechter staat voor de deur. De tegenwoordigheid des Heeren zal, ten eerste, de wederoprichting aller dingen medebrengen, vers 21, de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde, die het product zullen wezen van de ontbinding, of oplossing, aller dingen, Openbaring 21:1, de hernieuwing van de ganse schepping, dat hetgeen is, waarnaar zij zucht gelijk haar tegenwoordige last onder de zonde der mensen is hetgeen, waaronder zij gebukt is. Sommigen verstaan dit van een toestand nog voor het einde der tijden, maar het moet veeleer verstaan worden van het einde van alle dingen, waarvan God gesproken heeft door den mond al Zijner heilige profeten van alle eeuw, want dit is het, waarvan Enoch, de zevende van Adam geprofeteerd heeft, Judas 14, en de tijdelijke oordelen, die de andere profeten voorzegd hebben, waren typen van hetgeen de apostel het eeuwig oordeel noemt. Dit is helderder en duidelijker geopenbaard in het Nieuwe Testament dan het te voren geweest is, en allen, die het Evangelie aannemen, verwachten het. Ten tweede. Daarmee zullen de tijden der verkoeling komen, vers 19, van vertroosting voor het volk des Heeren, als ene koele schaduw voor hen, die den last en de hitte des daags gedragen hebben. Alle Christenen zien uit naar ene ruste, die daar overblijft voor het volk van God, na hun arbeid en hun moeite van hun' tegenwoordigen staat, en door het vooruitzicht hiervan worden zij ondersteund in hun tegenwoordig lijden, en door geholpen in hun tegenwoordigen dienst. De verkoeling, of verfrissing, die dan komt van het aangezicht des Heeren zal eeuwig duren in de tegenwoordigheid des Heeren.
2. Hij zegt hun wat zij moeten doen.
A. Zij moeten zich beteren, berouw hebben moeten nadenken over hetgeen zij verkeerd gedaan hebben, terugkeren tot ene goede gezindheid, ene andere mening toelaten en er zich door laten overtuigen, zij moeten van nieuws beginnen. Petrus, die zelf Christus verloochend had, heeft daar berouw van gehad, en hij wenst, dat ook zij berouw hebben.
B. Zij moeten zich bekeren, hun aangezichten en hun voetstappen richten naar den tegenovergestelden weg van dien, welken zij tot nu toe bewandeld hebben, zij moeten wederkeren tot den Heere, hun God, tegen wie zij gerebelleerd hebben, en van wie zij zijn afgevallen. Het is niet genoeg berouw te hebben van de zonde, wij moeten er van bekeerd worden, en er niet weer toe terugkeren. Zij moeten niet slechts hun belijdenis van het Judaïsme veranderen in ene belijdenis van het Christendom, maar de macht en heerschappij van een vleselijken, wereldsen zin voor die van heilige, hemelsgezinde en Goddelijke beginselen en neigingen.
C. Zij moeten Christus, den groten Profeet, horen: "Hem zult gij horen in alles, wat Hij tot u spreken zal. Geeft acht op Zijne geboden, neemt Zijne leer aan, onderwerpt u aan Zijne regering. Hoort Hem met een Goddelijk geloof, zoals de profeten gehoord moeten worden, die met ene Goddelijke boodschap komen.
Hem zult gij horen, aan Hem zult gij u onderwerpen met ene volstrekte gehoorzaamheid en met een onbepaald geloof. Hoort Hem in alles, laten Zijne wetten al uwe daden besturen, en Zijn raad u leiden in uwe onderworpenheid. Telkenmale als Hij een mond heeft om te spreken, moet gij een oor hebben om te horen. Al wat Hij u zegt, al mishaagt het nog zo zeer aan vlees en bloed, moet gij welkom heten". Spreek Heere, Uw knecht hoort. Er wordt hier ene goede reden opgegeven waarom wij acht moeten geven op, en gehoorzaam zijn aan, het woord van Christus, want het is gevaarlijk voor ons, om het oor niet te lenen aan Zijne roepstem, en onzen nek niet te buigen onder Zijn juk, vers 23. Alle ziel, die dezen Profeet niet zal gehoord hebben, zich niet heeft laten leiden door hetgeen Hij zegt, zal uitgeroeid worden uit den volke. Met de verwoesting van stad en volk door oorlog en hongersnood werd gedreigd wegens het geringachten van de profeten van het Oude Testament, maar met het verderf der ziel, ene geestelijke en eeuwige verwoesting, werd gedreigd wegens het geringachten van Christus, dezen groten Profeet. Zij, die zich niet willen laten raden door den Zaligmaker, kunnen niet anders verwachten dan in de handen van den verderver te vallen.
3. Hij zegt hun wat zij kunnen verwachten.
A. Dat zij vergeving van hun zonden zullen ontvangen. Dit wordt altijd voorgesteld als het grote voorrecht van allen, die het Evangelie omhelzen, vers 19. Betert u dan, en bekeert u, opdat uwe zonden mogen uitgewist worden. Hiermede wordt te kennen gegeven: Ten eerste. Dat de vergeving van zonden is het uitwissen der zonde, zoals ene wolk uitgewist wordt door de stralen der zon, Jesaja 44:22, zoals ene schuld doorgehaald en uitgewist wordt als zij betaald is, of kwijtgescholden is. Het duidt aan, dat wanneer God de zonde vergeeft, Hij haar niet meer gedenkt tegen den zondaar, zij is uitgedelgd, evenals de bittere dingen, die tegen den zondaar geschreven zijn, Job 13:26, als met ene spons zijn uitgewist: het is het te niet doen van ene verbintenis, de opheffing van een oordeel, of vonnis. Ten tweede. Dat wij niet kunnen verwachten vergeving onzer zonden te verkrijgen, zo wij er geen berouw van hebben, en er ons niet van bekeren, dat is: ons er van at te keren en ons te wenden tot God. Hoewel Christus gestorven is om de vergeving van zonde te verkrijgen door Zijn bloed, moeten wij toch, ten einde het nut en voordeel er van te hebben, ons beteren en bekeren, zonder berouw en bekering gene vergeving. Ten derde. Hoop op vergeving van zonde na berouw en bekering moet ene krachtige drijfveer voor ons wezen om ons te bekeren Betert u dan, en bekeert u, opdat uwe zonden mogen uitgewist worden, en die bekering is evangelisch welke voortvloeit uit een begrip van Gods genade in Christus, en de hoop op vergeving. Dit was het eerste en grote argument: Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Ten vierde. De kostelijkste, liefelijkste vrucht van de vergeving onzer zonden zal er zijn, wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn. Indien onze zonden ons vergeven zijn, dan hebben wij thans reden om goedsmoeds te zijn, maar het liefelijke er van zal volkomen zijn, als de vergeving afgekondigd zal worden, en onze rechtvaardigmaking openlijk voor engelen en mensen zal uitgesproken worden, wanneer die Hij gerechtvaardigd heeft, ook door Hem verheerlijkt worden, Romeinen 8:30. Gelijk wij nu kinderen Gods zijn, 1 Johannes 3:2, zo zijn ook nu onze zonden uitgewist, maar het is nog niet openbaar wat de gezegende vruchten er van zijn, voordat de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn. Gedurende deze tijden van zwoegen en strijd (twijfel en vrees van binnen, beroering en gevaar van buiten) kunnen wij de volle genieting niet hebben van onze vergeving, die zullen wij hebben, als de tijd der verkoeling komt, wanneer al onze tranen afgewist zullen worden.
B. Dat zij de vertroosting zullen hebben van Christus' komst, vers 20, 21. En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, dezelfden Jezus, die u te voren gepredikt is, want gij moet gene andere bedeling verwachten, geen ander Evangelie, maar de voortzetting en voltooiing van dit, gij moet geen anderen profeet verwachten, als Jezus, zoals Mozes u zei een anderen profeet te verwachten, als hij was, want, hoewel de hemel Hem moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, zult gij toch, indien gij u betert en bekeert, geen gemis aan Hem hebben, op de ene of andere wijze zal Hij door u gezien worden. Wij moeten Christus' persoonlijke tegenwoordigheid onder ons in deze wereld niet verwachten, want de hemel, die Hem buiten het gezicht van de discipelen heeft ontvangen, moet Hem houden tot aan het einde der tijden. Tot dat verblijf der zaligen is Zijne lichamelijke tegenwoordigheid beperkt, en zal dit wezen tot aan het einde van den tijd, de vervulling aller dingen (zoals het gelezen kan worden) en daarom onteren diegenen Hem, en bedriegen zich zelven, die van Zijne lichamelijke tegenwoordigheid dromen in het Avondmaal. Het is in overeenstemming met een staat van beproeving en toetsing dat de verheerlijkte Verlosser buiten ons gezicht is, omdat wij moeten leven door geloof in Hem, dat een bewijs is der zaken, die men niet ziet, omdat Hij geloofd moet worden in de wereld, moet Hij opgenomen zijn in de heerlijkheid. Dr. Hammond leest het: Die den hemel moet ontvangen, dat is: die de heerlijkheid en macht van de bovenwereld moet ontvangen, Hij moet heersen, totdat allen Hem onderworpen zullen zijn, 1 Corinthiërs 15:25, Psalm 75:3. Toch is er beloofd, dat Hij gezonden zal worden tot allen, die zich beteren en bekeren, vers 20. En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, die u te voren gepredikt is door Zijne discipelen, zowel voor als na Zijne opstanding, en Hij is, en zal zijn, alles in alles voor hen.
Ten eerste. "Gij zult Zijne geestelijke tegenwoordigheid hebben. Hij, die in de wereld gezonden is, zal tot u gezonden worden, gij zult er de vertroosting van hebben, dat Hij gezonden is, Hij zal u gezonden worden in Zijn Evangelie, dat Zijn tabernakel zal wezen, Zijn krijgswagen." Ten tweede. "Hij zal Jezus Christus zenden om Jeruzalem te verwoesten en het volk der ongelovige Joden, die vijanden zijn van Christus en het Christendom, en om Zijne dienstknechten en Zijn volk van hen te verlossen, en hun vrede te geven in de belijdenis van het Evangelie, en dat zal een tijd van verkoeling, of verfrissing zijn, waarin gij zult delen." Toen hadden de gemeenten rust. Aldus Dr. Hammond. Ten derde. "Het zenden van Christus om de wereld te oordelen, aan het einde van den tijd, zal een zegen voor u wezen, dan zult gij uwe hoofden opwaarts heffen, omdat uwe verlossing nabij is." Hij schijnt hiernaar te verwijzen, want tot dan moet de hemel Hem ontvangen, vers 21. Gods raadsbesluiten van eeuwigheid, en Zijne voorzeggingen van het begin des tijds hadden betrekking op hetgeen er op den laatsten dag geschieden zal, wanneer de verborgenheid Gods zal vervuld worden, gelijk Hij Zijnen dienstknechten, den profeten, verkondigd heeft, Openbaring 10:7. De inzetting van alle dingen in de gemeente geschiedde met het oog op de wederherstelling aller dingen aan het einde des tijds.
4. Hij zegt hun welken grond zij hadden om deze dingen te verwachten, indien zij tot Christus bekeerd zijn. Hoewel zij Hem verloochend hebben, en Hem ter dood hebben gebracht, kunnen zij toch hopen door Hem gunst en genade te vinden, daar zij Israëlieten zijn. Want:
A. Als Israëlieten hadden zij het monopolie van de genade van het Oude Testament. Zij waren, boven elke andere, Gods bevoorrechte natie, en de gunsten, die God hun schonk, hadden betrekking op den Messias en Zijn koninkrijk: Gijlieden zijt kinderen der profeten en des verbonds. Een dubbel voorrecht. Ten eerste: Zij waren de kinderen, dat is: de discipelen, van de profeten, zoals kinderen op school, gene zonen der profeten, in den zin, waarin wij van de zodanige lezen in het Oude Testament, van Samuël af en daarna, die waren, of zijn, opgeleid om met den geest der profetie begiftigd te worden. Maar gij zijt van het volk, uit hetwelk profeten verwekt worden, en tot hetwelk de profeten gezonden waren. Er wordt van gesproken als van ene grote gunst, aan Israël betoond, dat God sommigen uit hun zonen tot profeten had verwekt, Amos 2:11. Al de door Gods Geest gedrevene schrijvers, zowel van het Oude- als van het Nieuwe Testament waren van het zaad Abrahams, en het was hun eer en hun voorrecht, dat hun de woorden Gods waren toevertrouwd, Romeinen 3:2. Hun landsbestuur was ingesteld door profetie, dat is: door Goddelijke openbaring, en gedurende vele eeuwen werd het grotendeels door haar geleid en geregeld. Zie Hosea 12:14, De Heere voerde Israël op uit Egypte door een' profeet, en door een profeet werd hij gehoed. In de latere eeuwen der kerk, toen de profetie had opgehouden, konden de Israëlieten toch gevoeglijk de kinderen der profeten genoemd worden, omdat zij de stemmen der profeten, wel niet kenden, maar toch hoorden, daar zij op elke sabbatdag in hun synagogen gelezen werden, Hoofdstuk 13:27. Dit nu behoorde hen op te wekken om Christus aan te nemen, en zij konden hopen door Hem aangenomen te zullen worden, want hun eigene profeten hadden voorzegd, dat hun die genade toegebracht zou worden in de openbaring van Jezus Christus, 1 Petrus 1:12, en dus niet door hen veronachtzaamd, of aan hen ontzegd moet worden. Allen, die bevoorrecht zijn met profeten, en profetie, (zoals allen bevoorrecht zijn die de Schriften hebben) moeten wèl toezien, dat zij daarin de genade Gods niet te vergeefs ontvangen hebben. Wij kunnen het inzonderheid toepassen op kinderen van Evangeliedienaren, die, indien zij met kracht bij zich zelven pleiten op hun afkomst van die ouders, als ene beweegreden om getrouw en ijverig te zijn in den Godsdienst, er met vertroosting in hun hart op kunnen pleiten bij God, en hopen, dat "de kinderen van Gods dienstknechten zullen wonen, en dat hun zaad voor Zijn aangezicht bevestigd zal worden". Ten tweede. Zij waren de kinderen, dat is: de erfgenamen, van het verbond, hetwelk God met onze vaderen opgericht heeft, als kinderen van het gezin. Gods verbond was opgericht met Abraham en zijn zaad, en zij waren dat zaad, waarmee het verbond was opgericht, en op hetwelk de zegeningen van het verbond vastgemaakt waren. "De belofte van den Messias was u gedaan, indien gij dus uwe eigene zegeningen niet verzaakt, en door een hardnekkig ongeloof uwe eigene deur niet toesluit, dan kunt gij hopen, dat zij aan u vervuld zal worden." De belofte, hier genoemd, als het voornaamste artikel van het verbond: In uw zaad zullen al de geslachten der aarde gezegend worden, kan, hoewel zij voornamelijk ziet op Christus, Galaten 3:16, toch ook de kerk insluiten, alle gelovigen, die het geestelijk zaad van Abraham zijn. Al de geslachten der aarde werden gezegend door dat zij de kerk van Christus in hun midden hebben, en zij, die naar den vleze van het zaad Abrahams zijn, hebben het eerst aanspraak op dit voorrecht. Indien al de geslachten der aarde in Christus gezegend worden, hoeveel te meer dan niet zij, die naar den vleze van Zijne maagschap zijn.
B. Als Israëlieten hebben zij de eerste aanbieding gehad van de genade des Nieuwen Testaments. Omdat zij de kinderen waren der profeten en van het verbond, is de Verlosser het eerst tot hen gezonden, hetgeen ene aanmoediging voor hen was om te hopen, dat, zo zij zich beterden en bekeerden, Hij hun ook nog verder gezonden zou worden ter hunner vertroosting, vers 20. Hij zal Jezus Christus zenden, want tot u is Hij het eerst gezonden, vers 26. Tot u het eerst, tot u Joden, hoewel niet tot u alleen en uitsluitend, God, Zijn Kind Jezus opgewekt hebbende, heeft Hem gesteld om een Vorst en Zaligmaker te zijn, en ter bevestiging hiervan, heeft Hij Hem van de doden opgewekt, Hem gezonden om u te zegenen, om u dezen zegen aan te bieden, inzonderheid dien groten zegen, dat Hij een iegelijk van u afkere van uwe boosheden. Daarom is het voor u van het grootste belang, om dien zegen aan te nemen en u van uwe boosheden af te keren, en gij kunt aangemoedigd worden te hopen, dat gij dit doen zult. Er wordt ons hier gezegd: Ten eerste. Vanwaar Christus Zijne zending, Zijne opdracht had: God heeft Zijn Kind Jezus opgewekt en Hem gezonden. God heeft Hem opgewekt, toen Hij Hem stelde tot Profeet, Hem erkende door ene stem van den hemel, en Hem, zonder mate, vervuld heeft van Zijn Geest en Hem toen gezonden heeft, want te dien einde heeft Hij Hem opgewekt, dat Hij Zijn Gevolmachtigde zou zijn om over den vrede te onderhandelen. Hij heeft Hem gezonden om te getuigen van de waarheid, Hij heeft Hem gezonden om verlorene zielen te zoeken en zalig te maken, Hij heeft Hem gezonden tegen Zijne vijanden om hen te overwinnen. Sommigen denken, dat deze Zijne opwekking ziet op de opstanding, die de eerste stap was tot Zijne verhoging, het was, als het ware, de vernieuwing van Zijne opdracht, en hoewel Hij, door Hem op te wekken, Hem terstond daarop van ons scheen weg te nemen, heeft Hij Hem in werkelijkheid opnieuw tot ons gezonden in Zijn Evangelie en Zijn Geest.
Ten tweede. Tot wie Hij gezonden was: "eerst tot u, tot u, die van het zaad Abrahams zijt, tot u, die de kinderen zijt der profeten en van het verbond, u is de aanbieding der Evangelie-genade gedaan". Het persoonlijk dienstwerk van Christus was, evenals dat der profeten, bepaald tot de Joden, Hij was toen niet gezonden dan tot de verlorene schapen van het huis Israël's, en aan de discipelen, die Hij toen uit zond, verbood Hij om verder te gaan. Na Zijne opstanding moest Hij wel aan alle volken gepredikt worden, maar zij moeten beginnen van Jeruzalem Lukas 24:47. En als zij tot andere volken gingen, predikten zij het eerst voor de Joden, die onder hen gevonden werden. Zij waren de eerstgeborenen, en als zodanig hadden zij het voorrecht van de eerste aanbieding. Het was er zo ver vandaan, dat zij, wegens hun terdoodbrenging van Christus buitengesloten waren, dat Hij na Zijne opstanding het eerst tot hen gezonden is, en zij zijn in de eerste plaats bedoeld om door Zijn dood beweldadigd te worden. Ten derde. Op wat boodschap Hij was gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou. Dat is Zijne voornaamste boodschap, niet om u te veroordelen, zoals gij verdient, maar om u te rechtvaardigen, indien gij de rechtvaardigmaking wilt aannemen, die u wordt aangeboden, op de wijze waarop zij wordt aangeboden, maar Hij, die Hem zendt, eerst om u te zegenen, zal, zo gij dien zegen afwijst en verwerpt, Hem zenden om u te vloeken", Maleachi 4:6. Christus' opdracht in de wereld was ons te zegenen, een' zegen mede te brengen, want de Zon der gerechtigheid ging op met genezing onder Zijne vleugelen, en toen Hij de aarde verliet, heeft Hij een zegen achtergelaten, want Hij zegende de discipelen, toen Hij van hen scheidde, Lukas 24:51. Hij zond Zijn Geest, om de grote zegen te zijn, de zegen der zegeningen, Jesaja 44:3. Het is door Christus, dat God ons zegeningen zendt, en alleen door Hem kunnen wij verwachten ze te ontvangen. De grote zegen, waarmee Christus gekomen is om ons te zegenen is, dat Hij ons afkeert van onze boosheden ons zalig maakt van onze zonden, Mattheus 1:21, ons afkeert van de zonde, opdat wij in staat zijn alle andere zegeningen te ontvangen. De zonde is hetgeen wij van nature aankleven, het doel der Goddelijke genade is er ons van af te keren, ja meer, er ons tegen te stellen, opdat wij haar niet slechts verzaken, maar haten. Het Evangelie heeft de onmiddellijke strekking dit te doen, niet slechts door van ons te eisen, dat wij, een iegelijk van ons, ons afkeren van de zonde, maar door ons genade te beloven om er ons toe in staat te stellen. "Zo doet dan wat uwer is, betert u en bekeert u, want Christus is bereid te doen wat Zijner is, u af te keren van uwe boosheden, en u aldus te zegenen.