Mattheus 23:13-33
In deze verzen hebben wij een achtvoudig wee, door onzen Heere Jezus Christus uitgesproken tegen de Farizeeën, als even zoveel donderslagen of bliksemen van den berg Sinaï. Drie weeën hebben al een zeer schrikkelijk aanzien, Openbaring 8:13, 9:12, maar hier zijn acht weeën, in tegenstelling met de acht zaligsprekingen, Mattheus 5:3. Het Evangelie heeft zijne weeën, zowel als de wet, en de vervloekingen van het Evangelie zijn van alle vervloekingen het zwaarst. Deze weeën zijn des te merkwaardiger, niet slechts om het gezag, maar ook om de nederigheid en zachtmoedigheid van Hem, die ze uitsprak. Hij kwam om te zegenen, en beminde het om te zegenen, maar als Zijn toorn ontstoken is, dan is daar gewis oorzaak voor, en wie zal bidden voor hem, tegen wie de grote Voorbidder Zijne weeën uitspreekt? Een wee van Christus is een wee, waarvoor geen herstel is te hopen. Dit is hier het refrein van het lied, en het is een zware toon, die er in gehoord wordt.
Wee u, gij schriftgeleerden, en Farizeeën, gij geveinsden! De Schriftgeleerden en Farizeeën waren geveinsden, dat is het, waarin al het overige van hun slecht karakter als opgesomd is, het was de zuurdesem, die den smaak gaf aan alles wat zij zeiden en deden. Een geveinsde is een toneelspeler in den Godsdienst-(dat is de oorspronkelijke betekenis van het woord) hij stelt de daden en handelingen voor van iemand, die hij niet is noch zijn mag, of wellicht ook niet wezen wil. Geveinsden zijn in een zeer treurigen, rampzaligen toestand.
Wee de geveinsden, dat zei Hij, wiens zeggen, dat hun toestand rampzalig is, dien toestand ook rampzalig maakt. IJdel is hun Godsdienst terwijl zij leven, groot is hun verderf als zij sterven. Aan elk der weeën, tegen de schriftgeleerden uitgesproken, is de reden waarom toegevoegd, elk dier redenen bevat een afzonderlijke misdaad, die hun ten laste wordt gelegd, en het oordeel van Christus over hen rechtvaardigt, want Zijn wee, Zijn vloek, is nooit zonder oorzaak.
I. Zij waren gezworen vijanden van het Evangelie van Christus, en bijgevolg van de zaligheid der zielen, vers 13. Gij sluit het koninkrijk der hemelen voor de mensen, dat is: gij doet alles wat gij kunt om de mensen af te houden van het geloof in Christus, en aldus het koninkrijk binnen te gaan. Christus is gekomen om het koninkrijk der hemelen te openen, dat is: om een versen en levenden weg voor ons bloot te leggen, die er heenvoert, de mensen er toe te brengen om onderdanen te worden van dat koninkrijk. Nu hadden de schriftgeleerden en Farizeeën, die gezeten waren op den stoel van Mozes, en er aanspraak op maakten den sleutel der kennis te bezitten, hun bijstand hiertoe moeten verlenen, door die Schriften van het Oude Testament te openen, die op den Messias en Zijn koninkrijk wezen, zij hadden er den waren zin en betekenis van moeten aanduiden. Zij, die het op zich hadden genomen Mozes en de profeten te verklaren, hadden het volk behoren te tonen, hoe zij van Christus hebben getuigd, dat Daniël's weken ten einde liepen, dat de scepter van Juda was geweken, en dat het nu de tijd was dat de Messias zou verschijnen. Aldus hadden zij dat grote werk kunnen vergemakkelijken, en duizenden kunnen helpen om in den hemel te komen, maar in plaats hiervan, hebben zij het koninkrijk der hemelen toegesloten. Zij legden er zich op toe, om aan te dringen op de vervulling der ceremoniële wet, die nu op het punt was van te verdwijnen, de profetieën achter te houden, die nu stonden vervuld te worden, en in het hart des volks vooroordelen te scheppen en te voeden tegen Christus en Zijne leer. 1. Zij gingen zelven niet in. Heeft iemand uit de oversten in Hem geloofd, of uit de Farizeeën? Johannes 7:48. Neen, zij waren te trots om zich neer te buigen tot het geringe, te vormelijk om zich te kunnen verzoenen met Zijne eenvoudigheid. Zij hielden niet van een Godsdienst, die zo aandrong op nederigheid, zelfverloochening, verachting van de wereld en geestelijke aanbidding. Berouw en bekering was de deur, die toegang gaf tot dit koninkrijk, en niets kon onaangenamer zijn voor de Farizeeën, die zich zelven rechtvaardigden en bewonderden, dan zich te moeten bekeren, dat is: zich zelven te beschuldigen, te vernederen en te verfoeien. Daarom zijn zij zelven niet ingegaan, maar dat was nog niet alles.
2. Zij wilden degenen, die ingaan zouden niet laten ingaan. Het is slecht om zelf van Christus weg te blijven, maar erger nog is het, om anderen van Hem af te houden. Toch is dit gewoonlijk de wijze van doen der geveinsden, zij beminnen het niet, dat iemand hen voor zal wezen in den Godsdienst, of beter zal zijn dan zij. Door zelven niet in te gaan, waren zij ook ene hindernis voor velen, want, daar zij zo groot een invloed hadden op het volk, hebben de scharen het Evangelie verworpen, alleen omdat hun leiders het verwierpen. Daarenboven hebben zij het ook tegengestaan, dat Christus de zondaren ontving, Lukas 7:39, en dat zondaren Christus ontvingen en onthaalden. Zij verdraaiden en verdierven Zijne leer, weerstonden Zijne wonderen, twistten met Zijne discipelen, en stelden Hem en Zijne inzettingen aan het volk voor in het meest valse en hatelijkste licht. Zij slingerden hun banbliksems tegen hen, die Hem beleden, en gebruikten al hun vernuft en al hun macht voor hun boosaardige doeleinden tegen Hem. Aldus hebben zij het koninkrijk der hemelen gesloten, zodat zij, die er in wilden gaan, het geweld moesten aandoen, Hoofdstuk 11:12, door ene schare van schriftgeleerden en Farizeeën, en al de hinderpalen en moeilijkheden, die zij hun in den weg legden, moesten heendringen. Hoe goed is het voor ons, dat onze zaligheid niet gelegd is in de handen van enigen mens, of van een gezelschap van mensen in de wereld, want indien dit wèl zo ware, het zou met ons gedaan zijn. Zij, die uitsluiten uit de kerk, zouden wel gaarne uitsluiten uit den hemel, zo zij slechts konden, maar de boosaardigheid der mensen kan de belofte Gods aan Zijne uitverkorenen niet teniet doen. Geloofd zij God hiervoor.
II. Zij maken den Godsdienst en de gedaante der Godzaligheid tot een dekmantel van hun geldgierige praktijken en begeerten, vers 14. Merk hier op:
1. Waarin hun boze praktijken bestonden: zij aten de huizen der weduwen op, hetzij door zich zelven en hun volgelingen door haar te laten onthalen, en dan moest dit onthaal voor mannen van hun aanzien zo kostelijk mogelijk wezen, of door zich in te dringen in hare genegenheid, en zich aldus tot de beheerders van hare goederen te maken, die hun dan allicht ten prooi vielen. Immers, wie zou het wagen van mannen als zij waren rekenschap te vorderen? Wat zij beoogden was zich zelven te verrijken, en daar dit hun voornaamste doel en streven was, werden alle overwegingen van recht en billijkheid ter zijde gelegd, en werden zelfs de huizen der weduwen daaraan opgeofferd. Weduwen zijn personen van het zwakkere geslacht in haar zwaksten toestand, gemakkelijk te misleiden, en daarom hebben zij ze tot hun prooi gemaakt. Zij aten diegenen op, die zij naar de wet ván God zeer bijzonder moesten beschermen en helpen. Er is in het Oude Testament een wee tegen hen, die de weduwen tot hun buit maken, Jesaja 10:12, en Christus versterkte dit wee door er Zijn wee aan toe te voegen. God is de Rechter der weduwen, zij zijn Zijne bijzondere zorg, Hij zal hare landpalen vastzetten, Prediker 15:25. Hij trekt zich hare zaak aan, Exodus 22:22, 23. Toch waren zij het, wier huizen de Farizeeën bij menigten opaten, zo gulzig waren zij om hun buik te vullen met de schatten der goddeloosheid! Hun opeten duidt niet slechts begeerlijkheid aan, maar ook wreedheid in hun verdrukken, zoals die beschreven is in Micha 3:3. Zij eten het vlees en stropen de huid af. En ongetwijfeld deden zij dit alles onder den schijn van de wet, want zij deden het zo behendig, dat er geen aanmerking op gemaakt werd, en men hen er dus niet om laakte, zodat ook de eerbied des volks voor hen er niet door verminderde.
2. Wat de dekmantel was, waaronder zij die boze praktijken verborgen: onder de schijn van lang te bidden. Zeer lang, voorwaar! waren die gebeden, indien het waar is wat sommigen der Joodse schrijvers ons zeggen, namelijk dat zij drie uren achter elkaar doorbrachten met de formules van overdenking en gebed, en dat wel driemaal per dag, hetgeen meer is dan een oprechte ziel, die het zich ten plicht stelt innerlijk met God te zijn in het gebed, over het algemeen zou durven beweren te doen. Maar voor de Farizeeën was dit gemakkelijk genoeg, daar zij het nooit deden uit plichtgevoel, maar altijd een winstgevend bedrijf maakten van het uiterlijk vertoon er van. Op die wijze verkregen zij hun rijkdom, en hielden zij hun grootheid staande. Het is niet waarschijnlijk, dat deze lange gebeden voor de vuist werden uitgesproken, want, gelijk Ds. Baxter zegt, dan zouden de Farizeeën veel meer de gave des gebeds hebben gehad dan de discipelen van Christus. Veeleer waren het geschreven formulieren van gebed, die in gebruik onder hen waren, en die zij opzeiden zoals de papisten hun rozenkrans. Christus veroordeelt hier gene lange gebeden, alsof die op zich zelve veinzerij waren, ja, als er niet een grote schijn van goed in geweest ware, dan zouden zij ze niet als een voorwendsel of dekmantel gebruikt hebben, en die dekmantel moet wel zeer dik geweest zijn om er zulke boze praktijken onder te kunnen verbergen. Christus zelf bleef den nacht over in het gebed tot God, en er is ons bevolen te bidden zonder ophouden, dat is, zonder al te snel op te houden. Waar vele zonden te belijden zijn, en vele behoeften, om wier vervulling gebeden moet worden, en vele zegeningen, waarvoor dankzegging gedaan moet worden, daar is aanleiding om lang te bidden. Maar de lange gebeden der Farizeeën bestonden uit ijdele herhalingen, en zij dienden slechts als voorwendsel. Hierdoor kregen zij den naam van bij uitstek vrome mensen te zijn, die het gebed liefhadden en de gunstgenoten des hemels waren. En hierdoor deden zij het volk geloven dat het niet mogelijk was, dat mannen als dezen hen konden bedriegen, en dus: gelukkig de weduwe, die een Farizeeër tot een beheerder van haar vermogen en tot voogd over hare kinderen kon krijgen! Terwijl zij dus op de vleugelen des gebeds opwaarts schenen te stijgen naar den hemel, was hun oog evenals dat van den wouw, op hun prooi op aarde gericht, het ene of andere huis ener weduwe, dat hun aanstond. Zo was de besnijdenis de dekmantel der begeerlijkheid van de Sichemieten, Genesis 34:22, 23, het betalen ener gelofte te Hebron den schonen schijn, waarachter zich Absaloms rebellie verborg, 2 Samuël 15:7, een vasten te Jizreël moet den moord op Naboth bedekken, en de uitroeiing van Baäl is de voetbank voor Jehu's eerzucht. Onder voorwendsel van lange gebeden voor de doden, het lezen van de mis en het zingen van lijkzangen, en ik weet niet wat meer, verrijken de Roomse priesters zich zelven door de huizen van weduwen en wezen op te eten. Het is niets nieuws dat de gedaante der Godzaligheid gebruikt wordt als een dekmantel voor de grootste gruwelen. Maar geveinsde vroomheid, hoe straffeloos zij ook blijve voor het ogenblik, zal als een dubbele ongerechtigheid gerekend worden in den dag, wanneer God de verborgen dingen der mensen zal oordelen.
3. Het oordeel, dat hierom over hen wordt uitgesproken. Daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen. Er zijn trappen van veroordeling, er zijn sommigen wier zonde onverschoonbaarder is, en wier verderf dus ondraaglijker zijn zal. Het voorwenden van godsdienstigheid, waarmee de geveinsden hun zonde thans bedekken of verontschuldigen, zal weldra hun oordeel verzwaren. Zo groot is de bedrieglijkheid de zonden, dat de zaak zelf, door welke de zondaren hun zonde menen te kunnen verzoenen, tegen hen zal zijn, en hun zonde nog zondiger zal maken. Het is treuriger voor den misdadiger, als wat hij ter zijner verdediging aanvoert, juist zijne misdaad blijkt te zijn, en zijne pleitrede-Wij hebben in Uwen naam geprofeteerd, en in Uwen naam lange gebeden gedaan, de beschuldiging, tegen hen ingebracht, nog verzwaart.
III. En terwijl zij nu zulke vijanden waren van de bekering der zielen tot het Christendom, waren zij uiterst ijverig in het verderven der zielen, door ze tot hun eigen partij te brengen. Zij hebben het koninkrijk der hemelen gesloten voor hen, die zich tot Christus wilden wenden, maar intussen omreisden zij zee en land om jodengenoten te maken voor zich zelven, vers 15. Merk hier op:
1. Hun lofwaardigen ijver om proselieten te maken voorden Joodsen Godsdienst, niet slechts proselieten der poort, die zich tot niets meer verplichtten dan het houden der zeven geboden van de kinderen Noachs, maar proselieten der gerechtigheid, die zich geheel en al wijdden aan al de plechtigheden van den Joodsen Godsdienst, want dezen begeerden zij het meest, voor een van de zodanige, al was het er maar een, omreisden zij zee en land, gebruikten zij menige kunstgreep, legden zij allerlei lagen, reden en liepen zij, en zwoegden zij onvermoeid. En wat hadden zij er mede op het oog? Niet de ere Gods en het heil der zielen, maar de eer bij de mensen, dat zij proselieten maakten, en het voordeel, dat zij van hen trokken, als zij tot proselieten gemaakt waren. Het maken van proselieten, als het is tot de waarheid en oprechte Godsvrucht, en als het geschiedt met een goede bedoeling, is een goed werk, wel waardig om er zich alle moeite voor te getroosten. De waardij der zielen is zo groot, dat niets te veel moet zijn voor ons, om ene ziel van den dood te redden. De ijver der Farizeeën hierin kan wel het verzuim in het licht stellen van velen, van wie men zou denken, dat zij van betere beginselen uitgaan, maar die er gene moeite of kosten voor over hebben om het Evangelie bekend te maken. Om een proseliet te maken, moet zee en land omreisd worden, alle wegen en middelen moeten beproefd worden, eerst het ene, dan het andere, allen weinig genoeg, maar allen ruimschoots beloond, zo het doel bereikt wordt. Vleselijk-gezinde mensen deinzen nooit terug voor de nodige moeite of inspanning om hun vleselijke doeleinden tot stand te brengen, als er ter bevordering van hun eigen belang een proseliet gemaakt moet worden, dan zullen zij zee en land omreizen om hem te maken, veeleer dan in hun belang te worden teleurgesteld.
2. Hun gevloekte goddeloosheid in hun misbruik maken van de door hen gemaakte proselieten. Gij maakt hem terstond tot een discipel der Farizeeën. en dan neemt hij ook al de meningen der Farizeeën in zich op, en aldus maakt gij hem een kind der hel, tweemaal meer dan gij zijt. De geveinsden, die zich erfgenamen des hemels wanen, zijn in het oordeel van Christus de kinderen der hel. De oorsprong hunner geveinsdheid is uit de hel, want de duivel is de vader der leugens, en de strekking hunner geveinsdheid is naar de hel, dat is het land, waartoe zij behoren, het erfdeel, waarvan zij de erfgenamen zijn. Zij worden kinderen der hel genoemd wegens hun ingewortelde vijandschap tegen het koninkrijk der hemelen, hetgeen de aard en het beginsel was der Farizeeën. Hoewel nu allen, die boosaardiglijk het Evangelie tegenstaan, kinderen der hel zijn, zijn er toch sommigen, die dit tweemaal meer zijn dan anderen, zij zijn woester, boosaardiger, meer dweepziek. Verdorven proselieten zijn gewoonlijk de grootste dwepers, de leerlingen streefden de meesters voorbij:
1. De Farizeeën zagen zelf wel het dwaze in van de lasten, die zij den mensen oplegden, en in hun hart lachten zij om de gedweeheid van hen, die er zich aan onderwierpen, maar hun proselieten waren er vol vuur en ijver voor. Zwakke hoofden zullen gemeenlijk bewondering hebben voor dat uitwendig vertoon en voor de plechtigheden, die verstandige lieden, (hoe zij ze ook om politieke redenen in bescherming mogen nemen) niet anders kunnen dan minachten.
2. In woede tegen het Christendom. De proselieten waren gans bereid de beginselen aan te nemen, die hun listige leiders hun zo gaarne wilden inboezemen, en zo werden zij dan heftig vijandig aan de waarheid. De bitterste vijanden, die de apostelen te eniger plaats ontmoetten, waren de Helleense Joden, die meestal proselieten waren, Handelingen 13:45, .14:2-19, 17:5, 18:6 -. Paulus, een discipel der Farizeeën, heeft bovenmate tegen de Christenen gewoed, Handelingen 26:11, terwijl zijn leermeester, Gamaliël, gematigder scheen te zijn.
IV. Hun zoeken naar werelds gewin voor zich zelven, veel meer dan de ere Gods, leidde hen er toe om valse, niet te rechtvaardigen onderscheidingen te maken, waarmee zij het volk tot gevaarlijke dwalingen brachten, inzonderheid ten opzichte van eden, die, als een blijk van een algemeen Godsdienstig bewustzijn, door alle volken als heilig werden geacht, vers 16. Gij blinde leidslieden. Het is treurig te denken aan zo velen, die onder de leiding zijn van de zodanige, die zelf blind zijn, die het ondernemen anderen den weg te wijzen, dien zij zelf niet weten, omdat zij hem niet willen weten.
Hun wachters zijn allen blind, Jesaja 56:10, en maar al te dikwijls heeft het volk dit gaarne, en zeggen zij tot de zieners: ziet niet. Maar het is een treurige toestand, als de leiders des volks verleiders zijn, Jesaja 9:15. Hoewel de toestand nu zeer treurig is van hen, wier leidslieden blind zijn, is toch de toestand van die blinde leiders zelven niet minder rampzalig. Christus spreekt een wee uit over de blinde leidslieden, die van het bloed van zo velen rekenschap zullen hebben te geven. Om nu hun blindheid te bewijzen, wijst Hij inzonderheid op het zweren, en toont aan, hoe verdorven casuïsten zij zijn. Hij noemt de leerstelling, door hen onderwezen. Zij veroorloofden het zweren bij schepselen, mits zij aan den dienst van God waren gewijd, en in enigerlei betrekking tot Hem stonden. Zij veroorloofden te zweren bij den tempel en het altaar, hoewel zij het werk waren van der mensen handen, bestemd om de dienaren te zijn van Gods eer, maar niet om er deelgenoten van te zijn. Een eed is een beroep op God, op Zijne alwetendheid en gerechtigheid, en dit beroep nu te doen op een schepsel, is dat schepsel in de plaats van God te stellen. Deuteronomium 6:13. Zij onderscheidden tussen een eed bij den tempel en een eed bij het goud van den tempel, een eed bij het altaar en een eed bij de gave op het altaar, den laatsten eed maakten zij bindend, maar niet den eersten. Hier was een dubbele goddeloosheid. Ten eerste. Dat er eden waren, waarvan zij zich ontsloegen, en die zij dus gering achtten, daar zij vonden dat men niet gehouden was om door zulk een eed de waarheid te bevestigen of ene belofte na te komen. Zij hadden niet behoren te zweren bij den tempel of het altaar, maar toen zij er bij gezworen hadden, waren zij aan het woord van hun mond gebonden. Die leer kan niet wezen uit den God der waarheid, die woordbreuk in bescherming neemt. Eden zijn snijdende werktuigen. daar moet niet mede gespeeld worden. Ten tweede. Dat zij het goud hoger stelden dan den tempel, en de gave dan het altaar, ten einde het volk te bewegen gaven op het altaar te brengen, en goud in de schatkist des tempels, waardoor zij op winst voor zich zelven hoopten. Zij, die het goud tot hun hoop hadden gemaakt, en wier ogen verblind waren door geschenken in het verborgen, waren grote vrienden van het Corban, en, gewin hun Godsvrucht zijnde, wisten zij door duizend kunstgrepen den Godsdienst aan hun wereldse belangen dienstbaar te maken. Verdorven leiders der kerk maken iets zondig of niet zondig, al naar dat met hun belangen strookt, en zij leggen veel groter nadruk op hetgeen met hun eigen gewin in verband staat dan op hetgeen strekt tot Gods eer en het heil der zielen. Hij toont de dwaasheid en ongerijmdheid van die onderscheiding, vers 17-19. Gij dwazen en blinden! Het was in den weg van noodzakelijke bestraffing, niet van toornig verwijt, dat Christus hen dwazen noemt. Laat het ons genoeg zijn om uit het woord der wijsheid de dwaasheid van zondige meningen en handelingen aan te tonen, maar aan Christus, die weet wat er in den mens is, en ons verboden heeft gij dwaas! te zeggen, moet het overgelaten worden, om die hoedanigheid op iemands karakter toe te passen. Om hen van dwaasheid te overtuigen beroept Hij zich op hen zelven. Welk is meerder? het goud (de gouden vaten en sieraden, of het goud in de schatkist), of de tempel, die het goud heiligt, de gave, of het altaar, dat de gave heiligt? Zij, die bij het goud van den tempel zwoeren, moeten het als heilig hebben beschouwd, maar wat maakte het heilig, zo niet de heiligheid van den tempel, tot den dienst waarvan het was bestemd? Daarom kan de tempel niet minder heilig zijn dan het goud, maar moet hij heiliger zijn, want het mindere wordt gezegend en geheiligd door het meerdere, Hebreeën 7:7. De tempel en het altaar waren bestendig Gode gewijd, het goud en de gave kwamen slechts in de tweede plaats. Christus is ons altaar, Hebreeën 13:10, onze tempel, Johannes 2:21. Want Hij is het, die al onze gaven heiligt, en ze Gode aangenaam maakt, 1 Petrus 2:5. Zij, die hun werken stellen in de plaats van Christus' gerechtigheid ter hunner rechtvaardigmaking, maken zich schuldig aan de ongerijmdheid der Farizeeën, die de gave boven het altaar hebben geschat. Ieder waar Christen is een levende tempel, en uit kracht daarvan zijn hem de gewone dingen geheiligd, den reinen zijn alle dingen rein, Titus 1:15, en de ongelovige man is geheiligd door de (gelovige) vrouw, 1 Corinthiërs 7:14. Hij herstelt hun dwaling, vers 20-22, door al de eden, die zij hadden uitgedacht, terug te brengen tot de bedoeling van een eed, welke is: Bij den naam des Heeren, zodat een eed bij den tempel, of het altaar, of den hemel, hoewel in den vorm slecht, evenwel bindend is. Ene verbintenis, die niet aangegaan had moeten zijn, is, als zij aangegaan is, bindend. Hij, die bij het altaar zweert, moet niet denken, dat hij zich van zijne verplichting kan ontslaan door te zeggen: Het altaar is slechts hout en steen en koper, want zijn eed zal op de sterkst mogelijke wijze tegen hem verklaard worden, want hij was schuldig, en de verplichting wordt er eerder sterker door, dan dat zij er door wordt vernietigd. Daarom moet een eed bij het altaar zo verklaard worden, dat het is een eed bij het altaar en alles wat er op is, want het bijbehorende gaat mede met de zaak, waar het bij behoort. En hetgeen er op is aan God geofferd zijnde, was het zweren bij het altaar en hetgeen er op is, eigenlijk een aanroepen van God tot getuige, want het was het altaar Gods, en die er heenging, ging tot God, Psalm 43:4, 26:6. Hij, die zweert bij den tempel, en begrijpt wat hij doet, moet dan wel begrijpen, dat de grond voor zodanige eerbied voor den tempel niet is, dat het een fraai huis is, maar dat het het huis Gods is, gewijd aan Zijn dienst, de plaats, die Hij verkoren heeft om er Zijn naam te stellen, en daarom zweert hij dan bij den tempel, en bij dien, die daarin woont. Dáár heeft het Hem behaagd zich op een bijzondere wijze te openbaren en tekenen te geven van Zijne tegenwoordigheid, zodat hij, die er bij zweert, zweert bij Hem, die gezegd heeft: Dit is Mijne rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen. Goede Christenen zijn tempelen Gods, en de Geest Gods woont in hen, 1 Corinthiërs 3:16, 6:19, en wat hun gedaan wordt, beschouwt God als aan Hem zelven gedaan. Hij, die een Godvruchtige grieft, grieft hem en den Geest, die in hem woont, Efeziërs 4:30. Indien iemand zweert bij den hemel, zondigt hij, Hoofdstuk 5:34, toch wordt hij daarom niet ontslagen van de verplichting, die hij door zijn eed op zich genomen heeft. Neen, God zal hem doen weten, dat de hemel, waarbij hij zweert, Zijn troon is, Jesaja 66:1, en hij, die zweert bij den troon, beroept zich op Hem, die er op gezeten is, die gegriefd zijnde om de belediging, die Hem aangedaan is in den vorm van den eed, voorzeker vertoornd zal wezen door de nog zwaardere belediging, Hem aangedaan in het schenden er van. Christus zal het ontwijken van den plicht, opgelegd door een plechtigen eed, niet goedkeuren, al is er nog zulk een schoonschijnende reden voor bij te brengen. V. Zij waren streng en stipt in de kleine bijzonderheden der wet, maar onverschillig en loszinnig omtrent de gewichtiger zaken, vers 23, 24. Zij namen het aangezicht aan in de wet, Maleachi 2:9, kozen zich de plichten uit, die met hun lust of met hun belangen strookten. De oprechte gehoorzaamheid is algemeen, betoont zich in alles, en hij, die uit het rechte beginsel aan enigerlei wet van God gehoorzaamt, merkt op al Zijne geboden, Psalm 119:6. Maar de geveinsden, die in den Godsdienst voor zich zelven handelen, en niet voor God, zullen in den Godsdienst niet meer doen dan hetgeen dienstbaar is voor hen zelven. Deze partijdigheid, dit aannemen van het aangezicht in de wet van de schriftgeleerden en Farizeeën blijkt hier in twee zaken.
1. Zij merkten op kleinere plichten, maar lieten de grotere na. Zij waren zeer stipt in het betalen van tienden, zolang het de munte, en de dille en den komijn gold. Hun nauwkeurigheid in het vertienen daarvan kostte hun niet veel, maar het werd hoog geroemd, en bezorgde hun heel goedkoop een roep van vroomheid. De Farizeeër roemde: Ik geef tienden van alles wat ik bezit, Lukas 18:12. Maar waarschijnlijk hadden zij daar hun eigen doel mede, en zullen zij er baat bij gevonden hebben, want de priesters en Levieten, aan wie de tienden betaald werden, waren op hun hand, en wisten wel hoe hun deze vriendelijkheid te vergelden. Het betalen van tienden was hun plicht, en werd door de wet geëist. Christus zegt hun, dat zij dit niet moeten nalaten. Iedereen behoort bij te dragen tot de instandhouding van den openbaren eredienst, tienden terug te houden wordt genoemd God te beroven, Maleachi 3:8-10. Die onderwezen worden in het woord, en niet mededelen van alle goederen degenen, die hen onderwijst, staan nog achter bij de Farizeeën. Maar waar Christus hen om veroordeelt is, dat zij het zwaarste der wet nalieten, namelijk het oordeel en de barmhartigheid, en het geloof, en hun nauwkeurigheid in het betalen van tienden was, indien al niet om als boete of verzoening te dienen tegenover God, tenminste wel om het nalaten van deze zwaardere zaken voor de mensen te verontschuldigen. Al de dingen van Gods wet zijn gewichtig, maar die zijn het gewichtigst, welke het meest ene uitdrukking, een blijk, zijn van de innerlijke heiligheid van het hart, de voorbeelden van zelfverloochening, van minachting voor de wereld, en onderworpenheid aan God, waarin het leven van den Godsdienst is gelegen. Oordeel en barmhartigheid jegens de mensen en geloof in God zijn de zwaarste dingen der wet, het goede, dat de Heere God van ons eist, Micha 6:8, recht te doen, weldadigheid lief te hebben en ootmoediglijk te wandelen met God. Dit is de gehoorzaamheid, die beter is dan offerande. Het oordeel wordt gesteld boven de offerande, Jesaja 1:11. Rechtvaardig te zijn voor de priesters in hun tienden te geven, en ieder ander te bedriegen en te benadelen, dat is spotten met God en ons zelven misleiden. De weldadigheid wordt ook boven het offer gesteld, Hosea 6:6. Hen te voeden, die zich mesten met het voornaamste van de offeranden des Heeren, en tegelijk de ingewanden der barmhartigheid toe te sluiten voor een broeder of zuster, die naakt is, gebrek heeft aan het dagelijkse voedsel, aan den priester de tienden te betalen voor de munte, en een stuksken brood te weigeren aan Lazarus, is blootgesteld te zijn aan het oordeel zonder barmhartigheid, hetwelk het deel zal zijn van hen, die aanspraak maakten op oordeel en gene barmhartigheid getoond hebben. En evenmin zullen oordeel en barmhartigheid van nut zijn zonder geloof in de Goddelijke openbaring, want God wil geëerd worden in Zijne waarheid, zowel als in Zijne wetten.
2. Zij lieten de geringere zonden na, maar bedreven de grotere, vers 24, Gij blinde leidslieden, zo had Hij hen ook tevoren genoemd, vers 16, wegens hun verdorven lering. Hier noemt Hij hen aldus wegens hun verdorven leven, want hun voorbeeld was evenzeer ene leiding als hun leer, en ook hierin waren zij blind en partijdig. Gij blinde leidslieden, die de mug uitzijgt en den kameel doorzwelgt. in hun leer zegen zij de mug uit, waarschuwden zij de mensen tegen de geringste overtreding van de overleveringen der ouden. In hun praktijk zegen zij de mug uit, deden alsof zij den grootsten afschuw hadden voor de zonde, bevreesd waren voor de kleinste overtreding, maar zij maakten generlei bezwaar ten opzichte van die zonden, die, in vergelijking daarmee, als een kameel waren vergeleken bij ene mug. Als zij de huizen der weduwen opaten, dan was dit wel een doorzwelgen van een kameel, als zij aan Judas den prijs gaven van onschuldig bloed, en toch gewetensbezwaar hadden om het weder gebrachte geld in de offerkist te leggen, Hoofdstuk 27:6, als zij niet in het rechthuis wilden gaan uit vreze van zich te verontreinigen, maar toch aan de deur stonden, en tegen den heiligen Jezus schreeuwden, Johannes 18:28, als zij twistten met de discipelen, omdat zij aten met ongewassen handen, maar om het Corban te vullen de mensen leerden het vijfde gebod te overtreden, dan zegen zij de mug uit en hebben den kameel doorgezwolgen. Het is niet de bedenking tegen een kleine zonde, die Christus hier bestraft, als het een zonde is, zij het ook ene mug, dan moet zij uitgezegen worden, maar wèl bestraft Hij dat men dit doet, en dan een kameel gaat doorzwelgen. In de kleinere aangelegenheden der wet angstvallig te zijn, en onheilig ten opzichte van de grotere, dat is de geveinsdheid, die hier wordt veroordeeld.
VI. Zij waren gans en al voor het uitwendige van den Godsdienst, maar bekommerden zich niet in het minst om het inwendige. Zij gaven er meer om vroom te schijnen voor de mensen, dan het werkelijk te zijn in Gods oog. Dit wordt verduidelijkt door twee gelijkenissen.
1. Zij worden vergeleken bij een drinkbeker of schotel, die aan de buitenzijde schoon gewassen, maar van binnen geheel vuil is, vers 25, 26. De Farizeeën hechtten Godsdienstige waarde aan hetgeen, op zijn best, slechts ene zaak van betamelijkheid was-de wassingen van drinkbekers, Markus 7:4. Zij droegen er zorg voor hun spijze te eten uit reine schotels, en hun drank te drinken uit reine bekers, maar vonden er geen bezwaar in om hun voedsel te verkrijgen door afpersing, en daar een overmatig gebruik van te maken. Hoe dwaas zou het nu zijn als iemand alleen het buitenste van den beker, dat slechts gezien wordt, ging wassen, en het binnenste, dat gebruikt moet worden, vuil liet. Zo nu doen zij, die de ergerlijke zonden vermijden, welke hun goeden naam bij de mensen zouden bederven, maar zich toegeven in goddeloosheid van het hart, die hen afzichtelijk maakt in het oog van den reinen en heiligen God. Let ten opzichte hiervan op: De praktijk der Farizeeën, zij reinigden de buitenzijde. In de dingen, welke onder het oog vielen van hun naburen, schenen zij zeer stipt en streng, en bij hun kuiperijen gebruikten zij zoveel behendigheid, dat men geen vermoeden had van hun goddeloosheid. Over het algemeen werden zij voor zeer goede en vrome mensen aangezien. Maar van binnen, in de schuilhoeken van hun hart en in het verborgen van hun leven, waren zij vol van roof en onmatigheid, dat is: van ongerechtigheid en overdadigheid. Terwijl zij zo Godvruchtig wilden schijnen, waren zij noch sober, noch rechtvaardig. Hun binnenste was enkel verderving, Psalm 5:10, en datgene zijn wij in werkelijkheid, wat wij inwendig zijn. Den regel, dien Christus geeft in tegenstelling met deze praktijk, vers 25. Hij is gericht tot de blinde Farizeeën. Zij achtten zich de zieners van het land, maar, Johannes 9:39, Christus noemt hen blind. In Christus' oog zijn zij blind, die-hoe scherpziend zij ook mogen wezen voor andere dingen -vreemdelingen zijn voor, maar geen vijanden zijn van, de boosheid van hun eigen hart, die de zonde niet zien en niet haten, welke daarin woont. Onwetendheid omtrent zich zelven is de schandelijkste en schadelijkste onwetendheid. Openbaring 3:17. De regel is: Reinig eerst wat binnen in den drinkbeker en den schotel is. Van een iegelijk onzer moet het de voornaamste zorg zijn, om ons hart te wassen van boosheid, Jeremia 4:14. Het voornaamste voor den Christen is: gereinigd te worden van de onreinheid des harten. De verdorven neigingen, de verborgen lusten in de ziel, ongezien en onopgemerkt, dezen moeten het eerst ten onder gebracht en gedood worden. Die zonden moeten nauwgezet worden nagelaten, waarvan Gods oog alleen getuige is, het oog van God, die het hart doorgrondt. Let op de methode, die hier voorgeschreven wordt: Reinig eerst wat binnen is, niet: reinig dat alleen, maar dat het eerst, omdat, indien daar behoorlijk zorg voor wordt gedragen, het buitenste ook rein zal worden. Uitwendige beweegredenen kunnen de buitenzijde schoon houden, terwijl de binnenzijde vuil is, maar indien de vernieuwende, heiligende genade het binnenste gereinigd heeft, dan zal dat ook invloed oefenen op de buitenzijde, want het heersend beginsel is van binnen. Indien het hart bewaard is, is alles wel, want daaruit zijn de uitgangen des levens. Indien hart en geest vernieuwd zijn, dan zal er nieuwigheid des levens zijn. Hier moeten wij dus met ons zelven beginnen, reinig eerst wat van binnen is, als dat ons eerste werk is, dan zal het overige volgen.
2. Zij worden vergeleken bij witgepleisterde graven, vers 27, 28. Zij hadden een schoon aanzien, evenals graven, die van buiten wel schoon schijnen. Sommigen denken, dat dit betrekking heeft op de gewoonte der Joden om de graven te witten, alleen om ze te doen opmerken, inzonderheid als zij op ongewone plaatsen waren, opdat de mensen ze zouden mijden, vanwege de ceremoniële ontreiniging door de aanraking van een graf, Numeri 19:16. En het behoorde tot de werkzaamheden van de opzieners der wegen, om dat witten te vernieuwen, als dit nodig was. Aldus werden de graven opgemerkt, 2 Koningen 23:16, 17. De vormelijkheid der geveinsden, waardoor zij zich trachten aan te bevelen bij de wereld, maakt slechts, dat goede en verstandige mensen hen des te meer mijden, uit vrees van door hen ontreinigd te worden. Wacht u van de schriftgeleerden, Lukas 20:46. Maar het is veeleer ene toespeling op de gewoonte om de graven van uitstekende personen wit te maken, teneinde ze te versieren. In vers 29 wordt gezegd, dat zij de graftekenen der rechtvaardigen versieren, zoals het onder ons gewoonte is om monumenten op te richten op het graf van voorname personen, en bloemen te strooien op het graf van geliefde vrienden of bloedverwanten. Nu was de gerechtigheid der schriftgeleerden en Farizeeën gelijk de ornamenten op een graf, of het aankleden van een dood lichaam, alleen maar voor het vertoon. Hun hoogste eerzucht was het om rechtvaardig te zijn in de ogen der mensen, en door hen toegejuicht en bewonderd te worden. Maar van binnen zijn zij, evenals de graven, vol doodsbeenderen en alle onreinigheid. Zo is ons lichaam, als de ziel het verlaten heeft. Evenzo waren zij vol van geveinsdheid en boosheid. Geveinsdheid is van alle ongerechtigheden de ergste. Het is mogelijk, dat zij, wier hart vol is van zonde, hun leven vrij laten blijven van blaam. Maar wat zal het ons baten het goede woord te hebben van onze mededienstknechten, indien onze Meester niet: Wèl u! tot ons zegt? Als alle andere graven geopend zijn, dan zal ook in die witgepleisterde graven gezien worden, en de doodsbeenderen en al de onreinheid zullen te voorschijn worden gebracht, en voor het ganse heir des hemels uitgespreid worden, Jeremia 8:1, 2. Want het is de dag, wanneer God zal oordelen, niet den schijn, de uitwendige gedaante, maar de verborgenheden der mensen. En dan zal het hun, die hun deel hebben met de geveinsden, luttel vertroosting bieden, te gedenken onder hoe fraaien schijn zij naar de hel zijn gegaan.
VII. Zij hebben grote liefde en eerbied voorgewend voor de nagedachtenis der profeten, die al lang dood waren, terwijl zij hen, die onder hen leefden, haatten en vervolgden. Dit wordt het laatst genoemd, want dit was het snoodste en ergerlijkste in hun bestaan. God ijvert voor Zijne eer in Zijne wetten en inzettingen, en Zijn toorn wordt ontstoken, als zij ontheiligd en misbruikt worden. Maar Hij heeft dikwijls een zelfde ijver uitgesproken voor Zijne eer in Zijne profeten en leraren, en als dezen verongelijkt en vervolgd worden, dan wordt Zijn toorn hierom nog veel meer ontstoken, daarom heeft onze Heere Jezus, toen Hij tot dit punt kwam, er meer ten volle over gesproken dan over enig ander punt, vers 29-37, want hij die Zijne dienstknechten aanraakt, raakt Zijn gezalfde aan, raakt den appel Zijns oogs aan. Merk hier op:
1. Den eerbied, voorgewend door de schriftgeleerden en Farizeeën voor de profeten, die gestorven waren, vers 29, 30. Dit was het vernis, datgene, waarin zij voor het uitwendige zo rechtvaardig schenen. Zij eerden de overblijfselen der profeten, zij bouwden hun graven en versierden hun graftekenen. Het schijnt, dat de plaats, waar zij begraven waren, bekend was, David's graf was onder hen, Handelingen 2:29. Er was een opschrift op het graf van den man Gods. 2 Koningen 23:17, en Josia vond, dat hij hem genoeg eerbied betoonde, door zijne beenderen ongestoord te laten, vers 18. Zij wilden echter meer doen, zij wilden ze opnieuw bouwen en versieren. Beschouw dit nu
a. als een blijk van eer, aangedaan aan gestorven profeten, die, toen zij nog leefden, geacht werden als aller afschrapsel, en tegen wie valselijk allerlei kwaad gesproken werd. God kan zelfs aan slechte mensen ene erkenning ontwringen van de eer der Godsvrucht en heiligheid. Die God eren, zal Hij eren, en soms met hen, van wie slechts minachting verwacht werd, 2 Samuël 6:22. De gedachtenis der rechtvaardigen zal tot zegening zijn, als de naam van hen, die hen haatten en vervolgden, met schande zal bedekt wezen. De eer van standvastigheid in den weg des plichts zal een blijvende eer zijn.
b. Als een voorbeeld van de geveinsdheid van de schriftgeleerden en Farizeeën, die hun dezen eerbied betoonden. Vleselijk-gezinde mensen kunnen gemakkelijk de nagedachtenis eren van getrouwe leraren, die voorlang reeds zijn gestorven, omdat zij hen niet bestraffen, noch hen storen in hun zonden. Dode profeten zijn zieners, die niet zien, en de zodanige kunnen zij gemakkelijk verdragen, zij kwellen hen niet, zoals de levende getuigen, die met de levende stem getuigen. Zij kunnen eerbied betonen voor de geschriften der dode profeten, die hun zeggen wat zij zijn moesten, maar niet aan de bestraffing van de levende profeten, die hun zeggen, wat zij zijn. Laat er heiligen zijn, maar zij moeten hier niet leven. De buitensporige eerbied, dien de kerk van Rome betoont aan de nagedachtenis van gestorven heiligen, inzonderheid aan de martelaren, dagen en plaatsen wijdende aan hun naam, hun overblijfselen in gewijde kisten of kasten bewarende, tot hen biddende, en offeranden brengende aan hun beeltenis, terwijl zij zich dronken maakt met het bloed der heiligen van haar eigen tijd, is een duidelijk blijk en bewijs, dat zij de schriftgeleerden en Farizeeën niet slechts navolgt, maar overtreft in een valsen, huichelachtigen godsdienst, die de graven der profeten bouwt, maar de leer der profeten haat. Zij protesteerden tegen den moord aan hen gepleegd, vers 30, Indien wij in de tijden onzer vaderen waren geweest, wij zouden met hen gene gemeenschap gehad hebben aan het bloed der profeten. Zij zouden nooit hun toestemming gegeven hebben om Amos te doen zwijgen, en Micha in de gevangenis te zetten, of Hanani in den stok, en Jeremia in den kerker, of om Zacharia te stenigen, al de boodschappers des Heeren te bespotten en de profeten te mishandelen. O neen, dat zouden zij niet, veel liever zouden zij hun rechterhand hebben willen verliezen, dan zo iets te doen. Wat! is uw knecht een hond? En toch smeedden zij toen het complot om Christus te vermoorden, aan wie al de profeten getuigenis gaven. Zij denken dat, zo zij in de dagen der profeten geleefd hadden, zij hen gaarne gehoord en gehoorzaamd zouden hebben, en toch hebben zij gerebelleerd tegen het licht, dat Christus in de wereld heeft gebracht. Maar het is zeker: een Herodes en Herodias voor Johannes de Doper, zouden een Achab en Izebel zijn geweest voor Elia. De bedrieglijkheid van het hart der zondaren blijkt grotelijks hieruit, dat, terwijl zij afdrijven op den stroom der zonde van hun eigen tijd, zij zich inbeelden, dat zij tegen den stroom der zonde opgeroeid zouden hebben in vroegere tijden, dat, zo zij andere gelegenheden hadden gehad, zij er met meer getrouwheid gebruik van gemaakt zouden hebben, indien zij anderer verzoeking hadden gehad, zij zouden ze met meer kracht hebben weerstaan, terwijl zij toch van de gelegenheden, die hun geboden worden, in het geheel geen gebruik maken, en aan de verzoeking in het geheel geen weerstand bieden. Wij denken wel eens, dat zo wij geleefd hadden in den tijd, toen Christus op aarde was, wij Hem standvastig gevolgd zouden hebben. Wij zouden Hem niet hebben veracht en verworpen, zoals zij toen gedaan hebben, en toch wordt Christus in Zijn Geest, in Zijn woord, in Zijne dienstknechten volstrekt nog niet beter behandeld.
2. Hun vijandschap en hun tegenstand tegen Christus en Zijn Evangelie, in weerwil hiervan, en het verderf, dat zij er door brachten over zich zelven en over dat geslacht, vers 31-33. De aanklacht is bewezen. Gij getuigt tegen uzelven. Zondaars kunnen niet hopen aan het oordeel van Christus te zullen ontkomen door gebrek aan bewijs tegen hen, als het zo gemakkelijk is hen tegen zich zelven te laten getuigen. Zelfs hun pleitgronden zullen tegen hen gekeerd worden, hun tong zal hen doen aanstoten tegen zich zelven, Psalm 64:9.
a. Naar hun eigen bekentenis was het de grote boosheid hunner vaderen om de profeten te doden, zodat zij er de schuld, het misdadige van kenden, en toch maakten zij zich schuldig aan dezelfde misdaad. Zij, die zonde veroordelen in anderen, die zij zelven bedrijven, of zich nog aan veel erger zonden schuldig maken, zijn van alle mensen het minst te verontschuldigen, Romeinen 1:32, 2:1. Zij wisten dat zij geen deel moesten hebben met vervolgers, en toch waren zij hun volgelingen. Nu zal deze tegenspraak met zich zelven in den groten dag ene beschuldiging wezen van zich zelven. Christus geeft een andere verklaring van hun bouwen van de graven der profeten dan zij er aan geven, namelijk dat zij, door het versieren van hun graven hun moordenaars rechtvaardigden, Lukas 11:48, want zij volhardden in dezelfde zonde.
b. Naar hun eigen bekentenis waren deze beruchte vervolgers hun voorvaders. Gij getuigt, dat gij kinderen zijt dergenen, die de profeten gedood hebben. Zij bedoelden niets anders, dan dat zij hun kinderen waren naar de natuur, naar den bloede, maar Christus keert dit tegen hen, door te zeggen, dat zij het ook waren naar den geest en in hun gezindheid. Gij zijt uit die vaders, en wilt hun begeerten doen. Zij zijn, zoals gij zegt, uwe vaders, en gij gelijkt hen, het is de zonde, die ook in uw bloed is. Gelijk uwe vaders, alzo ook gij, Handelingen 7:51. Zij stamden af van een geslacht van vervolgers, zij waren een zaad van boosdoeners, Jesaja 1:4, opgestaan in stede van hun vaderen, Numeri 32:14. Boosheid, afgunst en wreedheid zaten hun in het bloed, en tevoren hadden zij als beginsel aangenomen, om te doen zoals hun vaderen gedaan hebben, Jeremia 44:17. En het is opmerkelijk hoe zorgvuldig zij melding maken van die bloedsbetrekking, Het waren onze vaderen, die de profeten hebben gedood, en zij waren mannen van aanzien en macht, wier zonen en opvolgers wij zijn. Indien zij de boosheid hadden verfoeid van hun voorouders, zoals zij hadden behoren te doen, dan zouden zij er niet zo op gesteld zijn geweest om hen hun vaderen te noemen, want het is gene eer om verwant te zijn aan vervolgers, al hadden die ook nog zoveel aanzien en macht. Het oordeel, dat over hen wordt uitgesproken. Christus gaat er nu hier toe over om
a. Hen op te geven als onherstelbaar verloren, vers 32, Gij dan ook vervult de mate uwer vaderen! Indien Efraïm zich vergezeld heeft met de afgoden, en het haat om zich te bekeren, zo laat hem varen. Die vuil is, dat hij nog vuil worde. Christus wist, dat zij nu plannen beraamden voor Zijn dood en die in weinige dagen zouden volvoeren. Welnu, zegt Hij, gaat voort met uw complot, wandelt in de wegen uws harten en in de aanschouwing uwer ogen, en ziet, wat er van komen zal. Wat gij doet, doet het haastelijk. Gij zult slechts de mate uwer schuld vervullen, welke dan zal overlopen in een vloed van toorn. Merk op, ten eerste. Er is ene mate van zonde, die vervuld moet worden, eer een algeheel verderf komt over personen en geslachten, kerken en natiën. God zal lang verdragen, maar de tijd zal komen, wanneer Hij niet meer kan verdragen, Jeremia 44:22. Wij lezen van de ongerechtigheid der Amorieten, die nog volkomen moest worden, Genesis 15:16, van den oogst der aarde, die rijp is voor de sikkel, Openbaring 14:15 -19 , en van zondaren, die het trouwelooslijk handelen voleindigende, tot de volle statuur der trouweloosheid komen, Jesaja 33:1. Ten tweede. Kinderen vervullen de mate van de zonden hunner vaderen, indien zij volharden in dezelfde zonden, of in zonden, die er aan gelijk zijn. De nationale zonde, die een nationaal verderf ten gevolge heeft, bestaat uit de zonden van velen in verscheidene eeuwen, en in de opeenvolgende geslachten is er een doorlopende rekening, want God bezoekt rechtvaardiglijk de zonden der vaderen aan hun kinderen, die in hun voetstappen treden. Ten derde. Het vervolgen van Christus, en Zijn volk, en Zijne dienstknechten is een zonde, die de mate der schuld van een volk spoediger vervult dan alle anderen. Dit was het, dat de grimmigheid des Heeren tegen de vaderen deed opgaan, dat er geen helen aan was, 2 Kronieken 36:16, en ook toorn over de kinderen tot het einde, 1 Thessalonicenzen 2:16. Dit was de vierde overtreding, om welke, als zij gevoegd is bij de andere drie, de Heere de straf niet wilde afwenden, Amos 1:3, 6, 9, 11, 13. Ten vierde. Het is rechtvaardig in God, om diegenen over te laten aan hun eigen lusten, die er zich hardnekkig in blijven toegeven. Aan hen, die hun verderf tegemoet willen lopen, moet de teugel gevierd worden, en dat is wel de treurigste toestand, waarin een mens buiten de hel komen kan.
b. Hij gaat er toe over om hen aan een onherstelbaar verderf over te geven in de andere wereld, vers 33. Gij slangen, gij adderengebroedsels! hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvlieden? Dit zijn vreemde woorden in den mond van Christus, op wiens lippen genade was uitgestort. Maar Hij kan en zal verschrikking spreken, en in deze woorden verklaart Hij en somt Hij de acht weeën op, die Hij den schriftgeleerden en Farizeeën had aangekondigd. Hier is, Ten eerste. De aanduiding van hun karakter. Gij slangen. Gebruikt Christus scheldwoorden? Ja, maar dit machtigt ons niet om het ook te doen. Hij wist onfeilbaar zeker wat er in den mens is, Hij wist, dat zij listig waren als de slangen, kruipende op, gehecht aan, de aarde, zich voedende met stof. Zij hadden een fraai uiterlijk, maar innerlijk waren zij boosaardig, hadden zij vergift onder de tong, waren zij het zaad van de oude slang. Zij waren adderengebroedsels, zij, en die voor hen waren, zij, en die zich met hen verenigden, waren een geslacht van giftige, verwoede, hatelijke tegenstanders van Christus en Zijn Evangelie. Zij beminden het om door de mensen rabbi, rabbi genoemd te worden, maar Christus noemt hen slangen en adders, want Hij geeft den mensen hun waar karakter, en verlustigt zich er in om verachting uit te storten op de hovaardigen.
Ten tweede. Hun vonnis. Hij stelt hun toestand voor als zeer treurig, en in zekeren zin wanhopig. Hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvlieden? Christus zelf heeft over hel en verdoemenis gepredikt, waarvoor Zijne dienstknechten dikwijls gesmaad worden door hen, die dit niet willen horen. De helse verdoemenis zal het ontzettend einde zijn van alle onboetvaardige zondaren. Dit oordeel, uitgesproken door Christus, was schrikkelijker dan wanneer het uitgesproken was door alle profeten en leraars, die er ooit geweest zijn, want Hij is de Rechter, in wiens handen de sleutelen van dood en hel gelegd zijn, en Zijn zeggen, dat zij verdoemd waren, verdoemde hen. Er is een weg om aan deze verdoemenis te ontkomen, dit ligt hierin opgesloten, sommigen worden verlost van den toekomenden toorn. Van alle zondaren zullen zij het minst waarschijnlijk aan deze verdoemenis ontkomen, die van den geest der schriftgeleerden en Farizeeën zijn, want voor die ontkoming zijn bekering en geloof nodig, en hoe zullen zij daartoe gebracht worden, die zo verwaand zijn, zo roemen op zich zelven en zo bevooroordeeld zijn tegen Christus en Zijn Evangelie, als zij waren? Hoe zouden zij genezen en behouden kunnen worden, die het niet konden dragen, dat hun wonde gepeild wordt, en de balsem van Gilead er op gelegd wordt? Waarschijnlijker was het, dat tollenaren en hoeren, die zich hunner ziekte bewust waren en zich tot den Geneesmeester hebben gewend, aan de helse verdoemenis zullen ontkomen dan zij, die, hoewel zij op weg er heen waren, zo vast geloofden op weg naar den hemel te zijn.