Numeri 32:1-15
Israëls tenten waren nu opgeslagen in de vlakke velden van Moab, waar zij vele maanden verbleven, terugziende op de reeds behaalde overwinningen in het land van Sihon en Og, en vooruitziende naar Kanaän, waarvan zij zich binnen weinig tijds hoopten meester te maken. Terwijl zij daar nu halt hielden, kwam de grote zaak van beschikking over het reeds veroverde land ter sprake, en tot beslissing, niet door een bijzonder bevel of aanwijzing van God, maar op het bijzonder en dringend verzoek van twee van de stammen, dat door Mozes na een langdurig debat, dat er over ontstond, ingewilligd werd. Want zelfs toen, wanneer zoveel gedaan werd door buitengewone aanwijzingen van de Goddelijke voorzienigheid, werden toch vele dingen overgelaten aan het bestuur van de menselijke wijsheid, want in Zijn regering beide van de wereld en van de kerk maakt God gebruik van het verstand van de mensen en brengt er Zijn eigen doeleinden door tot stand.
I. Hier wordt door de Rubenieten en Gadieten het voorstel gedaan om het land, dat zij nu onlangs in het bezit hadden genomen, en dat, naar het recht van verovering, aan geheel Israël behoorde, aan hen in het bijzonder tot een erfdeel te geven. Naar het algemene denkbeeld, dat zij van het land van de belofte hadden, veronderstelden zij dat dit ongeveer hun deel er van zou wezen. Ruben en Gad waren onder dezelfde banier gelegerd, en zo hadden zij goede gelegenheid om met elkaar te beraadslagen en tezamen maatregelen te nemen omtrent deze zaak. In het eerste vers worden de kinderen van Ruben het eerst genoemd maar daarna de kinderen van Gad in vers 2, 25, 3, ,, hetzij omdat de Gadieten het eerst het voorstel hebben gedaan en er het ijverigst voor waren, of wel omdat zij de beste woordvoerders waren, en meer bedreven in het behandelen van zaken, daar Rubens stam nog lag onder het vonnis van Jakob: Gij zult de voortreffelijkste niet zijn. Twee dingen, zeer algemeen in de wereld dreven deze stammen er toe om die keus en het desbetreffende voorstel te doen namelijk de begeerlijkheid van de ogen en de grootsheid des levens, 1 Johannes 2:16.
1. De begeerlijkheid van de ogen. Dit land, hetwelk zij begeerden, was niet alleen schoon van ligging en lieflijk voor het oog, maar het was ook goed voor weiden voor het vee, en zij hadden zeer veel vee, meer dan de andere stammen, omdat zij naar men veronderstelt meer meegebracht hebben uit Egypte dan de anderen, maar dat was veertig jaren geleden, en veestapels kunnen in minder tijd dan dat, af of toenemen, ik zou dus eerder denken, dat zij in de woestijn zuiniger waren geweest op hun vee, het beter hadden beheerd, beter hadden gezorgd voor de toeneming van het ras, en minder verkwistend waren geweest dan de anderen om de lammeren van de kudden te eten en de kalveren uit het midden van de meststal. Daar zij nu die grote veestapel hadden, begeerden zij land in verhouding er van. In vele Schriftuurplaatsen wordt van Basan en Gilead gesproken als plaatsen, vermaard voor het vee, dit was reeds zo, en daarom hoopten deze twee stammen, dat zij het ook voor hen zijn zouden, en, wat er de uitkomst ook van moge wezen, hier wensen zij zich te vestigen. De oordeelkundige Calvijn denkt dat er veel verkeerds was in het beginsel, waaruit zij handelden, en dat zij meer met hun eigen voordeel en gemak te rade gingen, dan met het algemene welzijn, minder acht sloegen op de eer en het belang van Israël en de belofte, gedaan aan Abraham van het eigenlijke land Kanaän dan zij wel moesten. En nog is het maar al te waar, dat velen meer het hunne zoeken dan hetgeen van Christus Jezus is, Filippenzen 2:21, en dat velen meer denken aan hun wereldlijk belang en voordeel dan aan het hemelse Kanaän. Hun ziel is gehecht aan deze wereld, aan de dingen, die gezien worden en tijdelijk zijn, "het is ons goed hier te wezen", zeggen zij, en zo verliezen zij wat hiernamaals is, omdat zij dit niet gezocht hebben. Zo heeft ook Lot naar het gezicht van de ogen gekozen, en deze zijn keus is hem duur te staan gekomen, heeft hem veel doen lijden. Willen wij ons deel goed kiezen, dan moeten wij het oog richten boven de dingen, die gezien worden.
2. Er was misschien ook wel iets van de grootsheid des levens in. Ruben was Israëls eerstgeborene, maar hij had zijn geboorterecht verloren, onderscheidene stammen, inzonderheid Juda, hadden hem voorbijgestreefd in macht en aanzien, hij kon dus niet verwachten, dat hij het beste deel van Kanaän zou verlangen. Om nu de schaduw van zijn geboorterecht nog te redden, toen hij er het wezen van reeds lang had verloren, grijpt hij het eerste deel aan, hoewel het buiten Kanaän lag, en ver was van de tabernakel. Zo heeft Ezau zijn geboorterecht verkocht, en werd toch het eerst met een erfdeel begiftigd in Seir. De Gadieten stamden af van de eerstgeborene van Zilpa en maakten dezelfde aanspraken als de Rubenieten, ook Manasse was een eerstgeborene, maar wist, dat hij bij Efraïm, zijn jongere broeder, achtergesteld was, en daarom begeerde ook hij enigen voorrang.
II. Aan Mozes mishaagt dit voorstel, en als getrouw vorst en profeet geeft hij aan de voorstellers een strenge bestraffing.
Het moet erkend worden, dat de zaak prima facie op de eerste aanblik een slecht aanzien had, inzonderheid de laatste woorden van hun verzoek, vers 5, doe ons niet trekken over de Jordaan.
1. Het scheen voort te komen uit een slecht beginsel, een minachting van het land van de belofte, dat Mozes zelf zozeer verlangde te zien, een wantrouwen ook van de macht van God om de Kanaänieten uit het bezit te stoten, alsof een erfdeel in een land, dat zij kenden en dat alreeds veroverd was, begerenswaardiger was dan een erfdeel in een land, dat zij niet kenden en dat nog veroverd moest worden, één vogel in de hand is meer waard dan tien in de lucht. Er scheen ook begeerlijkheid in want wat zij met klem aanvoerden was, dat het land zo goed was voor hun vee, ook sprak er wel veronachtzaming uit van hun broederen, alsof er hun niets aan gelegen was wat er van Israël werd, mits het hun zelf maar wèl ging.
2. Het zou slechte gevolgen kunnen hebben. Het volk zou er onjuiste denkbeelden door kunnen opvatten, en zeggen dat zij al weinig genoeg waren om met de Kanaänieten te strijden, toen zij nog allen tezamen waren, hun leger dus nog voltallig was, maar dat nu de strijd zeer ongelijk zou worden, als er twee en een halve stam afvielen (meer dan een vijfde van hun gehele sterkte) en aan deze zijde van de Jordaan bleven. Het zou ook een slecht precedent zijn: als hun het land moest gegeven worden zodra het was veroverd, dan zouden de andere stammen met dezelfde aanspraken kunnen komen, en dan zou de regelmatige verdeling van het land door het lot voorkomen worden.
Mozes is zeer streng jegens hen in zijn antwoord, hetgeen toegeschreven moet worden aan zijn Godvruchtigen ijver tegen de zonde, en niet aan enigerlei gemelijkheid als uitwerking van zijn hoge ouderdom, want zijn zachtmoedigheid was evenmin afgenomen als zijn lichaamskracht.
Hij toonde hun wat hij vreesde verkeerd te zijn in hun voorstel, namelijk dat het hart van hun broederen er door ontmoedigd zou worden, vers 6 ! 7 "Hoe!" (roept hij in heilige verontwaardiging over hun zelfzucht) "zullen uw broeders ten strijde gaan", zich blootstellen aan al de ontberingen en gevaren van de strijd en gijlieden zult op uw gemak hier blijven? Neen, bedriegt uzelf niet, in deze traagheid en lafhartigheid zal ik u niet toegeven". Aan iemand, die tot Gods Israël behoort voegt het slecht om in de moeilijke en gevaarlijke ogenblikken voor zijn broederen onbekommerd neer te zitten alsof hem hun persoonlijke of algemene belangen niet aangaan.
Hij herinnert hen aan de noodlottige gevolgen van het ongeloof en de lafhartigheid van hun vaderen, toen zij, zoals deze nu, op het punt stonden Kanaän binnen te trekken. Hij verhaalt hun de geschiedenis zeer nauwkeurig, vers 8-13. Zo deden uw vaders, wier straf een waarschuwing voor u moet wezen, om u er voor te hoeden om te zondigen in de gelijkheid hunner overtreding".
Hij waarschuwt hen voor het kwaad, dat waarschijnlijk uit die afscheiding zou voortkomen, welke zij gereed stonden in het leger Israëls teweeg te brengen. Zij zullen gevaar lopen van toorn te brengen over de gehele vergadering, en hen allen terug te drijven in de woestijn, vers 15, 16. Gijlieden zijt opgestaan in plaats van uw vaderen, om het goede land te minachten en te verwerpen, zoals zij gedaan hebben, nu wij hoopten dat gij in hun plaats waart opgestaan om er bezit van te gaan nemen". Het was voor Mozes een bemoediging te zien, hoe zij in aantal waren toegenomen, maar een ontmoediging te zien, dat het daarbij een toeneming was van zondige mensen, die in de voetstappen traden van de goddeloosheid van hun vaderen. Het is treurig te bemerken, wat maar al te dikwijls valt op te merken, dat het opkomend geslacht niet alleen niet beter, maar erger is dan het vorige, en wat is daar dan het gevolg van? Ach! het zal de hittigheid van des Heeren toorn vermeerderen, dat vuur niet slechts aanhouden, maar vermeerderen, en de maat vullen totdat zij overloopt in een vloed van de verwoesting. Als de mensen bedachten, zoals zij moesten bedenken, wat het einde zal wezen van de zonde, dan zouden zij bevreesd zijn om er mee te beginnen.