Psalm 5:8-13
In deze verzen beschrijft David drie karakters: van zichzelf, van zijn vijanden en van al het volk van God, en bij ieder van deze drie voegt hij een gebed.
I. Hij beschrijft zichzelf en bidt voor zichzelf, vers 8, 9.
1. Hij is vast besloten zich dicht bij God en Zijn aanbidding te houden. Zondaren gaan weg van God en zo maken zij zich verfoeilijk voor Zijn heiligheid en onderhevig aan Zijn gerechtigheid. "Maar wat mij betreft, die zullen mij niet van U terughouden." Gods heiligheid en rechtvaardigheid zijn er zo ver van af om een verschrikking te wezen voor de oprechten van hart en hen weg te drijven van God, dat zij er veeleer door uitgelokt worden om Hem aan te kleven. David besluit:
A. God te aanbidden, Hem hulde te bewijzen en Gode de eer te geven van Zijn naam.
B. Hem te aanbidden in het openbaar: "ik zal in Uw huis ingaan, in de voorhoven van Uw huis, om U aldaar met Uw andere dienstknechten te aanbidden." David heeft dikwijls alleen en in de eenzaamheid gebeden, vers 3, 4, en toch heeft hij ook zeer getrouw de dienst in het heiligdom bijgewoond. Het gebed in de binnenkamer is bestemd om ons te bereiden voor, niet om ons vrij te stellen van, de openbare Godsverering.
C. Hem te aanbidden met eerbied en met een juist besef van de oneindige afstand tussen God en de mens. "lk zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid in Uw vreze, terwijl mijn hart vervuld is van heilig ontzag voor God," Hebreeën 12:28. God is grotelijks te vrezen door al Zijn aanbidders.
D. Alleen aan God aanmoediging te ontlenen om Hem te aanbidden.
a. Aan Zijn oneindige genade. Het is in de grootheid van Gods goedertierenheid, ( de onuitputtelijke rijkdom van goedertierenheid, die er is in God, en de talloze blijken en bewijzen ervan, die wij van Hem hebben ontvangen) dat David vertrouwt, en niet in enigerlei verdienste of gerechtigheid van hemzelf, als hij tot God nadert. De goedertierenheid Gods moet altijd het fundament zijn beide van onze hoop en van onze blijdschap in alles, waarin wij met Hem te doen hebben.
b. Van het verordineerde en ingestelde middel ter aanbidding, dat toen de tempel was, hier de tempel Zijner heiligheid genoemd, vers 8, als een type van Christus, de grote en enige Middelaar, die de dienst heiligt, zoals de tempel het goud heiligde, en op wie wij het oog moeten hebben bij al onze Godsdienstige verrichtingen, zoals zij toen het oog hadden op de tempel.
2. Hij bidt ernstig dat God hem door Zijn genade altijd leiden en bewaren zal op de weg van zijn plicht, vers 9. Leid mij in Uw gerechtigheid om mijner verspieders wil, die op mijn hinken loeren en gelegenheid tegen mij zoeken. Zie hier:
a. Het goede gebruik, dat David maakte van de boosheid van zijn vijanden tegen hem: hoe begeriger zij waren om fouten in hem te ondekken ten einde hem van iets te kunnen beschuldigen, zoveel nauwlettender was hij om zonde en ook de schijn van zonde te vermijden, en zoveel zorgzamer om altijd op de goede weg van God en plicht te worden gevonden. Zo kan door wijsheid en genade goed uit kwaad voortkomen.
b. De rechte weg die David insloeg om hen teleur te stellen die gelegenheid tegen hem zochten, hij gaf zich over aan de leiding Gods, bad God om hem door Zijn voorzienigheid en genade in de rechte weg te leiden, en hem er voor te behoeden om van die weg af te wijken, opdat zelfs de scherpstzienden van zijn vijanden, evenals die van Daniël, geen gelegenheid tegen hem zouden vinden. De weg van onze plicht wordt hier Gods weg en Zijn gerechtigheid genoemd, omdat Hij hem ons voorschrijft door Zijn rechtvaardige en heilige wetten, en als wij ons die in oprechtheid voorstellen als onze regel, dan kunnen wij in het geloof God bidden om Zijn leiding in alle bijzondere omstandigheden en gelegenheden. Hoe dit gebed van David verhoord werd, zien wij in 1 Samuël 18:14,15.
II. Hij beschrijft zijn vijanden en bidt tegen hen, vers 10, 11.
1. Als zijn beschrijving van hen juist is en ongetwijfeld is zij het dan hebben zij een zeer slecht karakter, als zij ook geen zeer slechte mensen waren geweest, dan zouden zij geen vijanden kunnen geweest zijn van de man naar Gods hart. Hij had er van gesproken, vers 7, dat God de man des bloeds en bedrogs haat: "Welnu, Heere," zegt hij, dat is het karakter mijner vijanden, zij zijn bedrieglijk, men kan hen niet vertrouwen, in hun mond is niets rechts." Zij dachten dat het geen zonde was een opzettelijke leugen te spreken, zo David er slechts bezwalkt en gehaat door kon worden gemaakt. "Heere! leid mij," zegt hij, vers 9, Want de zodanigen zijn de mannen met wie ik te doen heb, tegen wier laster de onschuld zelf geen veiligheid biedt. Spreken zij vriendelijk? Spreken zij van vrede en vriendschap? Met hun tong vleien zij, het is bedoeld om hun boosaardigheid te verbergen, om zoveel zekerder hun doel te bereiken. Wat zij ook voorgeven omtrent Godsdienst en vriendschap, ten opzichte van geen van beide zijn zij waar, hun binnenste is enkel verderving Zij zijn ook zeer bloeddorstig, want hun keel is een open graf, wreed als het graf, gapende om te verzwelgen, onverzadelijk als het graf, dat nooit zegt: "Het is genoeg," Spreuken 30:15, 16. Dit wordt aangehaald, Romeinen 3:13, om het algemene bederf van het mensdom aan te tonen, want van nature zijn zij allen geneigd tot het kwade, Titus 3:3. Het graf is voor hen allen geopend en toch zijn zij als open graven voor elkaar.
2. Indien zijn gebed tegen hen verhoord is, en ongetwijfeld is het dit, dan zijn zij in een zeer slechte toestand. Zoals de mensen zijn en doen, zo moeten zij verwachten dat het hun gaan zal. Hij bidt God hen te verdoen naar hetgeen hij gezegd heeft in vers 17. "Gij zult de mensen van zodanig een karakter verdoen." Laat hen dan vervallen, en zondaren zouden als men hen begaan liet, zich spoedig in het verderf storten. De psalmist bidt dat God hen buiten Zijn bescherming en gunst zal stellen, buiten het erfdeel des Heeren, buiten het land van de levenden, en wee hun, die door God worden uitgeworpen. Zij hebben met hun zonden verderf en verwoesting verdiend, er is genoeg om God te rechtvaardigen in hun verwerping, "Drijf hen henen om de veelheid hunner overtredingen, door welke zij de maat hunner ongerechtigheid vol hebben doen worden en rijp zijn geworden voor het verderf." Vervolging van Gods dienstknechten vult de maat even spoedig als iedere andere zonde, 1 Thessalonicenzen 2:15, 16. Ja zij kunnen gemakkelijk tot verval worden gebracht door hun eigen raadslagen, Wat Zij doen om zichzelf te beveiligen en aan anderen kwaad. te berokkenen, kan door de alles besturende voorzienigheid Gods tot een middel gemaakt worden van hun verderf, Psalm 7:16, 9:16. Hij pleit: Zij zijn weerspannig tegen U, indien zij alleen mijn vijanden waren geweest, ik zou hun veilig vergiffenis hebben kunnen schenken, maar zij zijn weerspannig tegen God, tegen Zijn kroon en waardigheid, zij kanten zich tegen Zijn regering, en willen zich niet bekeren om Hem eer te geven, en daarom voorzie ik duidelijk hun verderf. Zijn gebed om hun verderf komt niet voort uit een geest van wraakzucht, maar uit een geest van profetie, waardoor hij voorzegd heeft dat allen die weerspannig zijn tegen God, gewis door hun eigen raadslagen verdaan zullen worden. Indien het rechtvaardig is in God verdrukking te vergelden dengenen, die Zijn volk verdrukken, zoals ons gezegd wordt in 2 Thessalonicenzen 1:6, dan bidden wij dat dit gedaan zal worden telkenmale als wij bidden: Vader, Uw wil geschiede!
III. Hij geeft een beschrijving van het volk van God, en bidt voor hen, besluitende met een verzekering van hun heil, en hij twijfelde er niet aan, dat hij daar zelf deel in had.
Merk op:
1. De beschrijving, die hij geeft van Gods volk. Zij zijn de rechtvaardigen, vers 13, want zij stellen hun vertrouwen op God, zijn wel verzekerd van Zijn macht en algenoegzaamheid wagen hun al op Zijn belofte, zijn overtuigd van Zijn bescherming op de weg van hun plicht, en zij hebben Zijn naam lief en verlustigen zich in alles waardoor God zich bekend gemaakt heeft, en scheppen er behagen in met Hem bekend te zijn. Dit is ware en zuivere Godsdienst: een leven te leiden van welbehagen in God en van vertrouwen op Hem.
2. Zijn gebed voor hen: "Laat verblijd zijn allen, die op U vertrouwen tot in eeuwigheid laat hen reden hebben om zich te verblijden, en een hart om zich te verblijden, vervul hen van blijdschap, van grote en onuitsprekelijke blijdschap, laat hen juichen van voortdurende vreugde, van heilige vreugde, die eindigt in God, laat hen verblijd zijn in U, in Uwe gunst, in Uw heil, niet in een schepsel. Laat hen zich verheugen, omdat Gij hen overdekt of overschaduwt, onder hen woont." Misschien is dit een toespeling op de wolk- en vuurkolom, die voor Israël een zichtbaar teken was van Gods bijzondere tegenwoordigheid onder hen en de bijzondere bescherming, die over hen was. Laat ons van David leren niet alleen te bidden voor onszelf, maar ook voor anderen, voor alle Godvruchtigen, voor allen, die op God vertrouwen en Zijn naam beminnen, al zijn zij ook niet in alles van ons gevoelen of voorstanders van onze belangen. Laat allen, die recht hebben op Gods beloften, delen in ons gebed, de genade zij met allen, die Christus in oprechtheid liefhebben. Dit is medewerken met God.
3. Zijn vertroosting hun aangaande, vers 13. Hij bidt voor hen, omdat zij Gods bijzonder volk zijn, en daarom twijfelt hij niet of zijn gebed zal verhoord worden, en dat zij zich ten allen tijde zullen verblijden, want:
a. Zij zijn gelukkig in de verzekerdheid van Gods zegen: Gij, Heere! zult de rechtvaardige zegenen, Gij zult een zegen over hen gebieden. Gij hebt hen in Uw Woord gezegend genoemd, en daarom zult Gij hen ook werkelijk gezegend maken. Die Gij zegent, zijn werkelijk gezegend.
b. "Zij zijn veilig onder de bescherming Uwer gunst, daarmee zult Gij hen kronen", aldus lezen het sommigen. Het is zijn eer, het zal een sierlijke kroon voor hem wezen, en hem waarlijk groot maken, daarmee zal Hij hem aan alle kanten omgeven als met een rondas. In de krijg beschut een schild slechts naar een zijde, maar de gunst van God is voor de heiligen een beschutting aan alle zijden, zoals de omtuining voor Job rondom, zodat zij, zolang zij zich onder de bescherming Gods houden, volkomen veilig zijn, en dus volkomen tevreden kunnen en moeten wezen.
Bij het zingen en biddend overdenken van deze verzen moeten wij ons door het geloof onder de leiding en zorg stellen van God, en ons dan verblijden in Zijn barmhartigheid en genade, en in het vooruitzicht dat God ten laatste over al Zijn vijanden zal zegevieren en wij zullen juichen in Zijn heil.