Psalm 64:8-11
Hier kunnen wij opmerken:
I. De oordelen, die gewis over deze boosaardige vervolgers van David komen zullen. Zij hebben zich aangemoedigd in hun boosheid, maar hier is hetgeen, dat, zo zij het wilden geloven en overdenken, zou kunnen volstaan om er hen in te ontmoedigen. En het is opmerkelijk hoe de straf beantwoordt aan de zonde.
1. Zij hebben heimelijk en plotseling op David geschoten om hem te wonden, maar God zal hen schieten, want "Hij zal Zijn pijlen tegen de hittige vervolgers te werk stellen," Psalm 7:14, "tegen hun aangezicht," Psalm 21:13. En Gods pijlen zullen zekerder treffen, en sneller vliegen, en dieper doordringen, dan die van hen het kunnen. Zij hebben vele pijlen, maar het zijn slechts bittere woorden, en woorden zijn slechts wind en vloek, die zonder oorzaak is, zal niet komen, maar God heeft een pijl, die hun dood zal wezen, Zijn vloek, die nooit zonder oorzaak is, en dus zal komen daarmee zullen zij plotseling gewond worden, en dat zij er door gewond zijn, zal hun een verrassing wezen, omdat zij gerust waren en aan geen gevaar dachten.
2. Hun tongen stieten hem aan, maar God zal hun tong doen aanstoten tegen zichzelve. Zij doen het door hun eigen zonde, God doet het door de gerechtigheid Zijns toorns, vers 9. Als God met de mensen handelt naar hetgeen de zonden van hun tong verdienen, en de onheilen over hen brengt, die zij hartstochtelijk en boosaardig over anderen hebben ingeroepen, dan doet Hij hun tong aanstoten tegen henzelf, en de stoot is krachtig genoeg om iemand in de diepste hel te doen neerstorten. Velen hebben hun eigen ziel verdoemd met hun tong en dat zal een verzwaring zijn van hun veroordeling. "O Israël, gij hebt uzelf verdorven" Hosea 13:9, "gij zijt verstrikt met de redenen van uw mond zijt gij een spotter, gij zult het alleen dragen." Over hen, die het vloeken beminnen zal het komen. Soms wordt van de mensen verborgen goddeloosheid aan het licht gebracht door hun eigen bekentenis, en dan is het, dat hun tong tegen henzelf aanstoot.
II. De invloed, die deze oordelen zullen hebben op anderen, want het geschiedt in "een plaats waar aanschouwers zijn", Job 34:26.
1. Hun naburen zullen hen schuwen en voor hun eigen veiligheid zorgen, uit vrees van hun plagen te zullen ontvangen en in hun verderf te zullen delen, zo ontzettend zal het wezen en zoveel gerucht zal het maken in het land. Zij zullen wegvlieden, zoals de mannen Israëls van de tenten van Korach, Dathan en Abiram, Numeri 16:27. Sommigen denken dat dit vervuld werd in de dood van Saul toen niet alleen zijn leger verstrooid was, maar de inwoners van de naburige landstreek zo verschrikt waren door de val, niet alleen van hun koning, maar ook van zijn drie zonen, dat zij de steden verlieten en vloden, 1 Samuël 31:7.
2. De toeschouwers zullen er de voorzienigheid Gods in eren.
a. Zij zullen in dat alles Gods hand zien en verstaan, en, tenzij wij dit doen, zullen wij van de beschikkingen van Gods voorzienigheid geen nut trekken. "Wie is wijs? die versta deze dingen," Hosea 14:10. Er is ernstig nadenken nodig om de feiten recht te verstaan, en er is wijsheid nodig om er een juiste uitlegging van te geven. Gods doen is wel waardig dat wij er over nadenken, Prediker 7:13, maar het moet met verstand overdacht worden, opdat wij van een zuivere tekst geen verkeerde uitlegging geven.
b. Bij de overweging ervan zullen zij door een heilig ontzag voor God worden aangegrepen, "allen in wie iets van het verstand eens mensen is zullen vrezen en sidderen voor Gods oordelen", Psalm 119:120. Zij zullen vrezen hetzelfde te doen, vrezen om vervolgers van Gods volk bevonden te worden, "slaat gij de spotter dan wordt de onverstandige schrander," Spreuken 19:25.
c. Zij zullen Gods werk verkondigen, zij zullen tot elkaar spreken en tot allen, die hen omringen, van de gerechtigheid Gods in het straffen van vervolgers, hetgeen wij met verstand bij onszelf overleggen, moeten wij op verstandige wijze aan anderen bekend maken, hun tot stichting en Gode ter ere. Dit is de vinger Gods.
3. Godvruchtige mensen zullen er zeer bijzonder kennis van nemen en het zal hun een heilig genoegen wezen, vers 11..
a. Het zal hun blijdschap doen toenemen: de rechtvaardige zal zich verblijden in de Heere, zich niet verblijden in de ellende en het verderf van zijn medeschepselen, maar zich verblijden omdat God verheerlijkt wordt, Zijn woord wordt vervuld en de zaak van de benadeelde onschuld met kracht wordt voorgestaan.
b. Het zal hun geloof bemoedigen, zij zullen zich in de weg van de plicht aan Hem overgeven, bereid zijn om met een algeheel vertrouwen alles voor Hem te wagen.
c. Hun blijdschap en hun geloof zullen zich uiten in een heilig roemen, alle oprechten van hart, die een goede consciëntie bewaren en zich Gode aangenaam maken, zullen zich beroemen, niet roemen in zichzelf, maar in de gunst van God, in Zijn gerechtigheid en goedheid, hun betrekking tot Hem en hun deel aan Hem, die roemt, roeme in de Heere.