14. Want de grondregel is, dat bij een gemengd huwelijk de godsdienst van het hogere standpunt de echtelijke verbintenis bepaalt en niet die van het lagere standpunt ("Ac 16:3. Daarom de ongelovige man is geheiligd door de vrouw en de ongelovige vrouw is geheiligd door de man. Er bestaat dus geen noodzakelijkheid van het geweten voor het Christelijk deel om de verbintenis als een onreine te verbreken. Want anders, als zo'n heiliging van het ongelovige gedeelte door het gelovige niet plaats had, waren uw kinderen, de kinderen van Christelijke ouders, onrein; zij behoorden dan tot de heidenwereld, die in afgodendienst ligt verzonken, maar nu zijn zij heilig; zo beschouwt u ze ook zelf, omdat u ze toch niet tot de wereld, maar tot de Christelijke gemeente rekent (
Handelingen 21:5).
De "anderen", waartoe de apostel zich hier wendt, zijn getrouwden, waarvan het ene gedeelte na het huwelijk Christen is geworden; want na de bekering niet Christenen en vooral heidenen te huwen, zou wel niet zijn toegestaan. Voor de geldigheid van het huwelijk in zulke gevallen had Christus gene bijzondere voorschriften gegeven, die hadden betrekking op gelijke huwelijken van Zijn belijders. Vandaar de bescheiden uitdrukking: "zeg ik, niet de Heere", waarmee Paulus een subjectieve ontwikkeling van zijn mening uit de aard van de echt als van een goddelijke instelling aanduidt, maar zonder een leidende en heiligende invloed van boven, waaronder hij stond, uit te sluiten. Hij verbindt de voorwaarde van het niet ontbinden van de echt aan de geneigdheid van het ongelovige gedeelte om deze voort te zetten. Bij het gelovige deel als zodanig wordt de geneigdheid tot voortzetting van de echt, waarvan de heiligheid in het Christendom sterker gevestigd is, geëist of ten minste verondersteld.
Het gebod over het huwelijk door de Heere gegeven, heeft de apostel aan gehuwden van die soort niet te zeggen, omdat dit alleen hen betreft, die in Zijn rijk onder Hem leven, dus jegens elkaar wederkerig plichten hebben volgens het Christelijk huwelijksrecht. Waar de echt ongelijk is, zegt Augustinus, daar heeft de wet van Christus geen toepassing. Toch zal de Christen, die gehuwd is, niet zonder lering blijven over hetgeen hij van zijn kant om Christus' wil moet doen en laten in de huwelijke staat en dat het Paulus, niet de Heere is, die dat zegt, ontneemt aan het gezegde niets van het verbindende. De apostel wil het toch geenszins in de vrije keuze van de hier aangesprokenen stellen, of zij zijn regel willen volgen of niet. Komt het woord van de Heere "Ik zeg u" (Mattheus 5:32) niet dadelijk tot hen, evenals tot die echtparen, die van beide kanten in het koninkrijk zijn, zij zijn toch voor een deel niet erbuiten, al is er een onchristelijke gade. De apostel eist daarom van hen, dat zij, zoveel in hen is, de huwelijksband onderbreken bewaren en zich niet laten scheiden. Wil echter, zo ontwikkelt hij verder (Vers 15), de ongelovige gebruik maken van zijn Joods en heidens huwelijksrecht, waaronder hij de echt is ingegaan; en scheidt hij, dat de kerk niet kan verhinderen, dan moet de gelovige de echt beschouwen als werkelijk ontbonden en zichzelf als vrij van het huwelijk.
Als het ongelovige gedeelte tevreden is om in de echt te blijven, moet de gelovige, of hij man of vrouw is, de andere niet "van zich doen", zo als de grondtekst luidt. Deze uitdrukking gebruikt de apostel zeldzamer, maar daarom ook meer opzettelijk van de vrouw, om daardoor te kennen te geven dat de vrouw, die haar niet-Christelijken man verlaat, terwijl hij gewild had, met haar in gemeenschap te blijven, die band met dezelfde smartelijken willekeur opzegt als wanneer de man zijn vrouw gebiedt om van hem te gaan. Wat hij in Vers 14 tot bevestiging van zijn aanwijzing bijvoegt, is geen bewijs, dat zo'n ontbinding van de echt een zonde tegen deze goddelijke regeling zou zijn, maar dat de gesteldheid van zo'n echt geen uitzondering teweeg kan brengen van de regel, die reeds vastgesteld is door heen wijzing naar de uitspraak van de Heere. Geheiligd, zegt hij, is het ongelovige deel door het gelovige. Daardoor is namelijk het ongelovige gedeelte geheiligd, dat het met het gelovige door de echt verbonden is. De Christelijke heiligheid maakt de betrekking, waarin hij tot de ongelovige staat, tot een heilige, heiligt dus, omdat het een persoonlijke betrekking is, het ongelovige zelfs in zijn eigenschap als echtgenoot en voor de gemeenschap van het gelovige deel met hem.
Gemengde huwelijken tussen Christenen en heidenen konden destijds bij de Christenen vele bezwaren doen rijzen. Christus zelf had voor dat geval geen voorschriften gegeven. De apostel zijn eigen leer zeer uitdrukkelijk onderscheidend van de geboden van de Heere, wil daaraan geen onbepaalde geldigheid toegekend zien 1Co 7:25. Zelf van het rijk van de duisternis en van de satan overgegaan tot dat van het licht, zag de Christen de heidense echtgenoot in de gemeenschap van de onreinheid en van de gruwelen. Zelf door de doop in verband getreden met de levende God, zag hij die, waarmee hij in een onoplosselijk verbond van aardse levensgemeenschap getreden was, buiten dat verbond staande en zelfs de kinderen in die echt verwekt, schenen het rijk van de duisternis toe te behoren. Aan het door een overwegende indruk van deze gevaren misschien dwalend gevoel, stelt de apostel de leer tegenover, die uitgaat van het beginsel dat de Christen in al zijn levensomstandigheden steeds het rijk van God moet beschouwen als het machtige, ten slotte alles overwinnende rijk en het rijk van de duisternis moet aanzien als het machteloze, overwonnen en steeds meer in verval wegzinkende gebied. In de gemengde huwelijken heiligt daarom de machtigere kracht van God, die in het gelovig deel inwoont, de ongelovige, in wie de duisternis nog heersend is. De grond aan de kinderen uit gemengden echt geboren, ontleend, licht Calvijn toe: "Een van de uitwerkselen ontleende grond: zou uw echt onrein zijn, dan waren de daaruit geboren kinderen ook onrein, maar zij zijn heilig, dus is ook uw echt heilig. Hoe sluit nu deze plaats met andere plaatsen van de Schrift (Psalm 51:7. Efeze 2:3), waar geleerd wordt dat alle mensen als kinderen van de toorn in zonde geboren worden? Wel worden allen zonder uitzondering in de zonde en onder de vloek, die van Adam af drukt, geboren, of zij van gelovigen of ongelovigen afstammen, want de gelovigen telen niet uit de nieuwe mens, in zoverre zij uit de Geest geboren zijn, hun kinderen. De natuurlijke toestand is in allen dezelfde; zij zijn onderworpen aan de zonde en aan de eeuwige dood. Maar het voorrecht, dat de apostel hier toekent aan de kinderen van de gelovigen, vloeit uit de zegen van het verbond voort, waarin de ouders zijn getreden en dat de vloek van de natuur opheft, zodat door de genade ook die onheilig waren, aan God gewijd zijn. Zo leidt Paulus (Romeinen 11:16) uit dezelfde grond af, dat Abrahams hele nakomelingschap heilig is, omdat God met de stamvader een verbond van het leven gesloten heeft. Nu echter nu de scheidsmuur is gevallen, is het heilverbond met Abraham gesloten, ons aller deel geworden! Hierin nu ligt een vaste grond, waarop de kinderdoop berust. Worden de kinderen van de gelovigen reeds in hun ouders opgenomen in het verbond van de genade, hoe zou men hun het sacrament mogen weigeren, waardoor dit verbond gesloten en de genadewerkingen van de Heilige Geest worden meegedeeld? (V.).
De ongelovige echtgenoot, hoewel persoonlijk van de Heere zowel later als vroeger vervreemd, is toch door de vereniging met een gelovige gade in zoverre geheiligd, als de huwelijksband van beide voor de Heere betekenis heeft, alsof zij beide gelovig waren. De heiligheid van de ene kan de ontbrekende persoonlijke heiligheid van de andere niet vergoeden, maar zij verbreidt haar werking over het verbond van beide, zodat er geen gewetensdwang voor de Christen bestaat om deze band als een te verbreken. Het geloof van het Christelijk gedeelte beheerst de betrekking, waarin hij staat, omdat op zichzelf naar zijn natuur, als rustend op goddelijke beschikking, zo'n erkenning niet uitsluit. Bij vleselijke verbintenis van de in Hoofdstuk 6:15 v. gemelde aard daarentegen kan van zo'n heiliging van de verbintenis geen sprake zijn; integendeel, de gelovige verliest door haar het karakter van heiligheid ook voor zich, de onreinheid van het andere deel behoudt de overhand en de overwinning, want die betrekking staat als zodanig reeds met de heiligheid van de Christen in tegenspraak.
Het bewijs daarvoor, dat de niet-Christelijke echtgenoot geheiligd is door zijn Christelijke wederhelft, grondt Paulus op iets, dat door de Corinthiërs dadelijk als juist werd toegestemd, dat door hemzelf, zoals hij zegt, als waar werd aangenomen en in praxi werd toegepast, namelijk daarop, dat de kinderen van een Christen niet profaan waren, niet buiten de theocratische gemeenschap stonden en tot de onheilige wereld behoorden, maar integendeel heilig waren. Het "uw kinderen" doelt in de eerste plaats op de kinderen van Christelijke echtgenoten, maar sluit die uit gemengden echt gesproten zijn, niet uit. Nu zegt men gewoonlijk, dat de apostel dit besluit over de heiligheid van de kinderen van de Christenen, als een onbestreden feit, ook op de heiligheid van een gemengd huwelijk, die nog twijfelachtig was, niet had kunnen maken, als toen de kinderdoop in de kerk reeds gebruikelijk was geweest, omdat anders aan deze kinderen niet hun betrekking tot de Christelijke ouders, waarover bij de gehele bewijsvoering gehandeld werd, de oorzaak van hun heiligheid zou geweest zijn, maar integendeel hun doop. Daartegen kan worden gezegd, dat de apostel de heiligheid van Christen kinderen de Corinthiërs niet kon voorstellen als een door hen erkende, boven allen twijfel verheven waarheid, als die niet reeds in een kerkelijk instituut, in dat van de kinderdoop haar feitelijke uitdrukking had gevonden, want zuiver subjectieve meningen van enkelen geven hier geen vaste grond voor het bewijs, dat hij wilde leveren, dat deed alleen de objectieve praxis van de gehele gemeente een praxis, die het "uw kinderen zijn heilig" als veronderstelling had.