Jeremia 44:20-30
Vermetele zondaars mogen menig stout en groot woord zeggen, maar tenslotte zal God het laatste woord hebben, want als Hij spreekt, zal Hij gerechtvaardigd worden, en alle vlees, ook het meest trotse, zal stil zijn voor Hem. Profeten kunnen uit de weg geruimd worden, maar God niet, hier zou het zelfs de profeet niet overkomen.
I. Jeremia heeft iets te zeggen van zich zelf wat hij kon doen zonder de geest van de profetie, en dat was om hun fout te verbeteren (een opzettelijke fout was het) inzake de rampen, die over hen gegaan waren, en hun ware strekking en bedoeling. Zij zeiden, dat deze ellende hun overkomen was, omdat zij opgehouden hadden "aan Melecheth des hemels te roken." "Neen, zei hij, het was omdat gij het vroeger gedaan hadt, niet, omdat gij nu ermee opgehouden hebt." Toen zij hem dat antwoord gaven, antwoordde hij onmiddellijk, vers 20, dat het roken, dat zij en hun vaderen gedaan hadden, inderdaad lang ongestraft gebleven was, want God was zeer goedertieren jegens hen, en gedurende de dag van Zijn geduld was het misschien, zoals zij zeiden, wel met hen en zagen zij geen kwaad, maar tenslotte werd hun terging zo erg, dat het de Heere niet meer kon verdragen, vers 22, maar begon te twisten met hen, waarop sommigen van hen zich een weinig verbeterden, men zou eer kunnen zeggen, dat hun zonden hen verlieten dan dat zij hun zonden verlieten. Maar daar hun oude schuld nog niet afgedaan was, en hun verdorven neigingen nog dezelfde waren, herinnerde God zich de afgoderijen "van hun vaders, hun koningen en hun vorsten in de straten van Jeruzalem," in hun nadeel, waarin ze roemden als een rechtvaardiging van hun eigen afgoderij in plaats van zich er over te schamen, Hij dacht aan dat alles, aan de gruwelen, die zij gedaan hadden, vers 22, en aan al de ongehoorzaamheid aan des Heeren stem, vers 23, dat alles werd in rekening gebracht, en daarom, om hen voor dit alles te straffen, is hun land tot een woestheid en tot een vloek, gelijk het is ten deze dage, vers 22, daarom, niet om hun vorige verbetering, maar om hun oude overtredingen, is al dit kwaad hun wedervaren, gelijk het is ten deze dage, vers 23. Het recht verstaan van de oorzaak van onze ellende zou men zo denken, is een grote stap in de richting van genezing van onze zonden. Overkomt ons kwaad, het is "omdat wij gezondigd hebben tegen de Heere, en daarom: Zijt beroerd en zondigt niet."
II. Jeremia heeft hun iets te zeggen, tot de vrouwen in `t bijzonder van de Heere van de heirscharen, de God Israëls. Zij hebben hun antwoord gegeven, nu moeten zij Gods wederwoord horen, vers 24. God spreekt tot Juda, dat in Egypteland woont, ook daar, dat is hun voorrecht. Zij moeten acht geven op wat Hij zegt dat is hun plicht, vers 26. In Zijn antwoord zegt Hij hun duidelijk,
1. Dat, wijl zij ten volle besloten waren, hardnekkig voort te gaan met hun afgoderij Hij ten volle besloten was nog voort te gaan met hen te twisten, als zij voortgingen Hem te tergen, dan zou Hij voortgaan hen te straffen, en zien wie het zou winnen tenslotte. God herhaalt, wat zij gezegd hadden, vers 25 :Aangaande u en uw vrouwen, gij zijt het eens in uw hardnekkigheid: zij hebben toch met uw mond gesproken, en gij hebt het met uw handen vervuld, zij hebben het gezegd en gij beaamt het, en gij gaat voort er naar te handelen. "Wij zullen onze geloften, die wij beloofd hebben, ganselijk houden, rokende aan Melecheth des hemels, " alsof het, ofschoon `t zonde was, voldoende was om het daarmee te rechtvaardigen, dat zij het beloofd hadden, terwijl toch niemand door zijn gelofte wettig maken kan, veel minder tot zijn plicht, wat God reeds tot zonde heeft gemaakt. Nu, zegt God, "gij hebt uw goddeloze geloften volkomenlijk gehouden:" hoor nu, wat Mijn gelofte is, wat "Ik zweer bij Mijn grote naam, " en, als de Heere gezworen heeft, zal het Hem niet berouwen, sinds zij gezworen hebben en het heeft hun niet berouwd. "Bij de verkeerde bewijst Gij U een worstelaar, "Psalm 18:26.
a. Hij had gezworen, dat het kleine overblijfsel van godsdienst, dat er nog bij hen was, verdwijnen zou, vers 26. Hoewel zij zich verenigden met de Egyptenaars in hun afgoderij, toch gingen zij voort bij menige gelegenheid de naam des Heeren te vermelden, vooral bij een plechtige eed, zij zeiden: "Zo waarachtig als de Heere Heere leeft, Hij is de levende God, " zij erkenden Hem als zodanig, hoewel zij dode afgoden aanbaden, zij zweren: Zo waarachtig als de Heere leeft, Hoofdstuk 5:2, maar ik vrees, dat zij deze eedsvorm meer behielden ter ere van hun volk dan ter ere van hun God. Maar God verklaart, "dat Zijn naam niet meer zal genoemd worden met de mond van enig man van Juda in geheel Egypteland," dat is: er zullen geen Joden overblijven om de taal van hun land te gebruiken, of, als er nog zijn, dan zullen ze die vergeten zijn, en zullen leren te zweren, zoals de Egyptenaren doen, "bij het leven van Farao" en niet bij dat van de Heere. Zeer ongelukkig zijn zij, die God zozeer aan zich zelf overgelaten heeft, dat zij hun godsdienst geheel vergeten zijn, en ook de laatste overblijfsels van hun goede opvoeding verloren hebben. Het kan ook betekenen, dat God het als een belediging van Zijn persoon zou opvatten, als zij melding maakten van Zijn naam en durfden zeggen, dat zij nog in enige betrekking tot Hem stonden.
b. Hij heeft gezworen, dat het kleine overblijfsel van `t volk, dat er nog was, verteerd zou worden, vers 27 :Ik zal over hen waken ten kwade, geen gelegenheid zal Hij laten glippen, om enig oordeel over hen te brengen, totdat zij ten einde zin, totdat zij geheel uitgeroeid zijn. Voor hen, die bevonden worden onboetvaardige zondaars te zijn, zal Hij een onverzoenlijk Rechter blijken te zijn. En, als het zover komt, "zullen zij weten, wiens woord bestaan zal, het Mijne of het hunne." Zij zeiden, dat `t hun ten nutte zou zijn, als zij er toe terugkeerden om Melecheth des hemels te dienen, God zei, dat zij zichzelf zouden verderven, de uitkomst zal tonen, wie gelijk had. Het is een strijd tussen God en de zondaars, wiens wil gedaan zal worden, wie het zal winnen. De zondaars zeggen, dat zij vrede zullen hebben, als zij voortgaan met zondigen, God zegt, dat zij geen vrede zullen hebben. Maar als God oordeelt, zal Hij overwinnen, Gods Woord houdt stand, en niet dat van de zondaars.
2. Hij zegt, dat zeer weinigen van het zwaard zullen ontkomen, en na verloop van tijd weerkeren in het land van Juda, weinig in getal, vers 28, zo goed als niemand, vergeleken met de grote getalen, die uit het land van de Chaldeën zouden terugkeren. Dit schijnt bedoeld als een verwijt aan hen, die roemden in het grote getal, waarmee zij zondigden, er was zo te zeggen niemand, die niet meedeed aan de afgoderij. En, zegt God, en even weinig zullen het zijn, die zullen ontkomen van het zwaard en de honger.
3. Hij geeft hun een teken, dat al deze bedreigingen nog in hun tijd vervuld zullen worden, dat zij hier in Egypte verteerd zullen worden en geheel zullen omkomen: "Farao Hophra, de tegenwoordige koning van Egypte, zal Ik geven in de hand van zijn vijanden die zijn ziel zoeken van zijn eigen oproerige onderdanen," lezen sommigen, onder Amasis, die zich van de troon meester maakte, "van Nebukadnezar de koning van Babel," lezen anderen, die een inval deed in het koninkrijk, het eerste wordt verhaald door Herodotus, het laatste door Josephus. Het is waarschijnlijk, dat deze Farao de Joden door beloften van zijn gunst tot afgoderij verleid heeft, evenwel, zij waren van zijn bescherming afhankelijk, en het zou meer dan een voorteken van hun ondergang, het zou een stap in die richting zijn, als hij weg was. Zij verwachtten meer van hem dan van Zedekia, de koning van Juda, hij was een machtiger en meer politiek vorst. Maar, zegt God, "Ik zal hem in de hand van zijn vijanden geven," gelijk als Ik Zedekia gedaan heb. De troost van en het vertrouwen op schepselen, waar wij ons het meest van beloven, kunnen ons even gemakkelijk ontschieten als die waarvan wij ons het minste beloven, want ze zijn, wat God er van maakt, en niet wat wij er ons van voorstellen.
De heilige geschiedenis vermeldt de vervulling van deze profetie niet, maar het zwijgen is voldoende, wij horen niet meer van deze Joden in Egypte, en daaruit besluiten wij dat zij, in overeenstemming met deze voorspelling, daar verdwenen zijn, want geen woord van God zal ter aarde vallen.